Primair onderwijs

Hoogleraar Pauline Slot: één stelsel voor opvang en school geen wondermiddel

Een geïntegreerd stelsel van kinderopvang en onderwijs biedt geen garantie op een doorgaande ontwikkellijn. Andersom kunnen opvang en school ook binnen een gescheiden stelsel in de praktijk geïntegreerd werken. Dat stelde Pauline Slot in haar oratie, waarmee zij aan de Universiteit Utrecht de leerstoel Integratieve Pedagogiek voor Kinderopvang en Onderwijs voor 0- tot 13-jarigen aanvaardde.
Academiegebouw Universiteit Utrecht

Nodig is volgens haar vooral een gedeelde pedagogische visie waarin het kind centraal staat. “Niet vanuit een risicobenadering, maar vanuit een visie op het kind als competent, veerkrachtig, leergierig, sociaal en autonoom.”

Vijf tot zeven gezichten per dag

Slot opende met het verhaal van Sarah, een fictief meisje dat net vier is geworden. Gisteren was ze nog de oudste peuter bij de panda”s, vandaag is ze de jongste kleuter in de klas. Haar dag voert van de voorschoolse opvang via school en tussenschoolse opvang naar de buitenschoolse opvang. “Een kind dat gisteren volgens de Wet kinderopvang maximaal drie of vier vaste gezichten mocht hebben gedurende de week, ziet er nu op een enkele dag wel vijf tot zeven.”

Sarah staat model voor veel Nederlandse kinderen: zo”n 428.000 kinderen gaan voor hun vierde naar de kinderdagopvang, 518.000 vanaf hun vierde naar de buitenschoolse opvang.

Meer dan een overstap

“Wanneer kinderen meer continuïteit ervaren, zou dit bijdragen aan hun ontwikkeling”, zei Slot. Een transitie is meer dan een overstap naar een andere instelling. Kinderen krijgen te maken met nieuwe relaties, een andere omgeving en andere verwachtingen. Ook hun zelfbeeld verandert. “Sarah moet een nieuw plekje vinden in de groep, in interacties met andere kinderen en in hoe ze naar zichzelf kijkt.”

Of al die overgangen schadelijk zijn, noemde Slot een belangrijke vraag, al komt die voort uit een risicogerichte benadering. Ze stelde een andere blik voor. “Stel dat we transities zien als kansen en mogelijkheden voor groei en ontwikkeling.” Zo beschouwd zijn transities volgens haar “wellicht meer dan een noodzakelijk kwaad, mits goed begeleid en aangepast aan de behoeften van het kind”.

Het meeste onderzoek richt zich op de stap naar de basisschool. Volgens een Amerikaanse studie verliep die overgang bij ongeveer de helft van de kinderen zonder noemenswaardige problemen. Bij de andere helft zagen leerkrachten moeite met zelfregulatie en een achterstand in schoolse vaardigheden.

In een langlopende Chinese studie had de helft van de kleuters vooraf het gevoel niet aan de verwachtingen van de leerkracht te kunnen voldoen. Driekwart vond de omgang met leeftijdsgenoten stressvol. “Deze sociale stress nam af naarmate kinderen langer in de kleuterklas zaten”, vertelde Slot. “Maar het gevoel van incompetentie bleef overeind en nam zelfs toe.”

Kinderen als actieve deelnemers

Daarbij geven kinderen zelf mede vorm aan hun overgangen, benadrukte Slot. “Kinderen zijn geen passieve ontvangers, maar actieve agents die hun eigen ervaringen co-construeren op basis van de kennis, ervaringen en verwachtingen die ze hebben van een andere context of een eerder moment in de tijd.”

Zo verwachten jonge kinderen op school te leren lezen en hun hand te moeten opsteken voordat ze iets mogen zeggen. Naar school gaan verbinden ze ook met groter worden, bijvoorbeeld met het krijgen van “grotemensentanden”. “Dit betekent dat transities ook kunnen passen bij de rijping en ontwikkeling van kinderen, waarbij ze nieuwe kansen en mogelijkheden krijgen om te laten zien hoe groot ze al zijn.”

Botsende logica”s

Slot onderscheidt drie vormen van continuïteit. De eerste is structureel. Kinderopvang en onderwijs hebben elk een eigen geschiedenis, cultuur, wetgeving en financiering en handelen vanuit verschillende institutionele logica”s. Een geïntegreerd stelsel heft die verschillen niet vanzelf op. In Zweden vallen kinderopvang, buitenschoolse opvang en onderwijs onder één onderwijsstelsel, maar beleidsstukken leggen er steeds meer nadruk op schoolprestaties, meten en testen.

Ook bij integrale kindcentra loopt de mate van integratie sterk uiteen. “Het delen van gebouwen en infrastructuur is op zichzelf geen garantie op een pedagogische doorgaande lijn”, waarschuwde Slot.

Wat er in de groep gebeurt

De tweede vorm van continuïteit betreft de kwaliteit van het aanbod in de groep. Het langlopende pre-COOL-onderzoek liet zien dat slechts 25 procent van de kinderen zowel in de voorschoolse als in de vroegschoolse periode profiteerde van een aanbod van goede kwaliteit. Dat gold ook voor kinderen met een indicatie voor voorschoolse educatie, voor wie een doorgaande lijn juist een kernpunt van het onderwijsachterstandenbeleid is.

Voor de buitenschoolse opvang ontbreekt volgens Slot een helder pedagogisch profiel. Daar komt bij dat het ministerie van OCW sinds 2022 het programma School en Omgeving financiert, dat met een verrijkt naschools aanbod de kansengelijkheid wil vergroten. Dat aanbod loopt parallel aan, of dwars door, de reguliere buitenschoolse opvang. Slot noemde het “een typisch voorbeeld van hoe landelijk beleid goede, soms lokale initiatieven kan doorkruisen en samenwerking eerder belemmert dan bevordert”.

Van verschoolsing van de buitenschoolse opvang is volgens recente gegevens geen sprake, maar van een rijk en gevarieerd activiteitenaanbod evenmin. Kinderen zelf willen er vooral autonomie, uitdaging en vriendschappen, blijkt uit onderzoek in verschillende landen.

Bekende gezichten

De derde vorm van continuïteit is relationeel en praktisch. Een overgang is minder stressvol wanneer kinderen in de nieuwe groep iemand kennen. Een warme overdracht, kennismakingsactiviteiten en wenmomenten hebben doorgaans positieve effecten op de sociaal-emotionele ontwikkeling en op lezen, schrijven en rekenen. Dat geldt vooral voor kinderen uit minder gunstige gezinsomstandigheden. “Maar juist die kinderen kregen dit type activiteiten minder vaak aangeboden”, aldus Slot.

Onzekerheid biedt ruimte

Kinderopvang en onderwijs verkeren in een onzekere tussenfase, constateerde Slot. Sinds het coalitieakkoord van 2021 wordt gesproken over een herziening van het kinderopvangstelsel, en ook voor het onderwijs ontbreekt consistent langetermijnbeleid. Tegelijk komt er tijdelijke wettelijke experimenteerruimte voor peuter-kleutergroepen. Waar de onzekerheid sommige organisaties verlamt, zien andere juist kansen. “Het is in deze tussenfase dat creativiteit en innovatie hoogtij kunnen vieren”, zei Slot.

Daarvoor moeten professionals “over de grenzen van de eigen professie kijken”. Dat is een tijdrovend proces, waarbij iedereen moet worden betrokken: “zowel de voorhoede als de achterhoede”.

Naar een nieuwe logica

Een nieuw pedagogisch-educatief systeem moet volgens Slot niet te letterlijk worden opgevat als één organisatorisch stelsel. Ze wil het samen met professionals, kinderen en ouders ontwikkelen, vanuit een gedeelde visie en met een aanbod dat aansluit bij de ontwikkeling en interesses van kinderen. “Kortom, er dient een nieuwe logica ontwikkeld te worden, die een unieke samensmelting is van kinderopvang en onderwijs.”

Met haar leerstoel wil Slot onderzoeken wat er in de praktijk al gebeurt. Zo lopen er twee promotieonderzoeken naar de kwaliteit van de opvang na schooltijd. “Gezien de kennislacunes in de buitenschoolse opvang was dat hoog tijd”, aldus Slot.

Ontdek meer onderwerpen