Voor beginnende geletterdheid en gecijferdheid samen haalt Nederland 493 punten, tegenover een internationaal gemiddelde van 500. De deelscores zijn 497 voor geletterdheid en 489 voor gecijferdheid. Korea scoort op dit hoofddomein 545 punten en Engeland 525.
Voor werkgeheugen, impulsbeheersing en flexibel schakelen samen komt Nederland uit op 483 punten. De deelscores zijn 484 voor impulsbeheersing, 476 voor werkgeheugen en 488 voor flexibel schakelen. Korea staat met 564 punten bovenaan. De Nederlandse totaalscore wijkt statistisch af van die van alle andere deelnemende gebieden.
Bij de sociaal-emotionele ontwikkeling ligt Nederland met 498 punten dicht bij het internationale gemiddelde. De deelscores lopen uiteen van 512 voor vertrouwen en 504 voor het toeschrijven van emoties tot 483 voor gedrag waarmee kinderen anderen helpen en 492 voor niet-storend gedrag. De score voor behulpzaam en sociaal gedrag is getalsmatig de laagste van de acht deelnemende gebieden.
De spreiding binnen Nederland is juist beperkt. Bij beginnende geletterdheid en gecijferdheid behoort Nederland samen met Vlaanderen en Korea tot de gebieden met de kleinste verschillen tussen kinderen. Bij sociaal-emotionele ontwikkeling is de afstand tussen de hoogst en laagst scorende kinderen in Nederland het kleinst.
Achterstanden hangen sterk samen met achtergrond
Gemiddeld over de deelnemende gebieden scoren kinderen uit sociaaleconomisch bevoordeelde gezinnen 61 punten hoger op beginnende geletterdheid en 67 punten hoger op beginnende gecijferdheid dan kinderen uit minder bevoordeelde gezinnen. In Nederland, Engeland en Vlaanderen hangt de sociaaleconomische achtergrond relatief sterk samen met verschillen in deze twee vaardigheden. Ook zijn de achterstanden in beginnende geletterdheid en gecijferdheid van kinderen van wie de moeder hoogstens lager voortgezet onderwijs heeft afgerond het grootst in Nederland en Korea.
Kinderen met een migratieachtergrond scoren gemiddeld over alle deelnemende gebieden 37 punten lager op beginnende geletterdheid en 15 punten lager op beginnende gecijferdheid. Na correctie voor sociaaleconomische achtergrond en thuistaal blijft gemiddeld 24 punten verschil in geletterdheid over. Bij gecijferdheid verdwijnt het verschil. De achterstanden zijn het grootst in Vlaanderen, Nederland en Engeland.
Ook het verschil naar thuistaal is in Nederland groot. Kinderen die thuis vooral een andere taal spreken dan de taal van de toets en hun opvang of school, lopen bij beginnende geletterdheid minstens 48 punten achter. Dat verschil blijft bestaan na correctie voor sociaaleconomische achtergrond. Nederland deelt dit patroon met Engeland en Vlaanderen.
Vroege deelname laat in Nederland een afwijkend patroon zien
In de meeste deelnemende gebieden hangt een eerdere start in formele opvang of voorschools onderwijs samen met hogere scores. In Nederland is het verband omgekeerd. Kinderen die op twee- of driejarige leeftijd begonnen, scoren lager op beginnende geletterdheid en gecijferdheid dan kinderen die later instroomden. Ook halen zij lagere scores op flexibel schakelen, het herkennen en toeschrijven van emoties, vertrouwen en gedrag waarmee zij anderen helpen.
Het rapport schrijft dit niet toe aan een negatief effect van opvang. Een mogelijke verklaring is dat kwetsbare kinderen in Nederland relatief sterk vertegenwoordigd zijn in formele programma’s voor jongere leeftijden. Nederland is het enige deelnemende gebied waar kinderen uit achterstandssituaties gemiddeld langer deelnamen aan de onderzochte programma’s dan kinderen uit bevoordeelde gezinnen, ongeveer drie maanden. Op driejarige leeftijd was 49 procent van de kinderen uit achterstandssituaties ingeschreven, tegenover 38 procent van de bevoordeelde kinderen.
Bij deze vergelijking past nog een beperking. Reguliere Nederlandse kinderopvang voor kinderen jonger dan vier jaar valt volgens de gebruikte internationale onderwijsindeling meestal niet onder de onderzochte formele programma’s. De cijfers over de startleeftijd omvatten daardoor niet alle Nederlandse kinderopvang.
Meer dan 23.000 kinderen onderzocht
Aan IELS 2025 deden meer dan 23.000 kinderen mee uit acht landen en regio’s. Zij maakten speelse opdrachten op een tablet. Ouders en leerkrachten vulden vragenlijsten in over de kinderen, hun thuissituatie en hun deelname aan opvang of school.
De Nederlandse steekproef telde 2.821 kinderen en is representatief voor vijfjarigen in de onderzochte voorzieningen. Van de benaderde locaties deed 82,1 procent mee en van de kinderen 77,6 procent. De respons was 65,9 procent onder ouders en 74,5 procent onder leerkrachten. De OECD adviseert daarom voorzichtigheid bij Nederlandse uitkomsten die op deze vragenlijsten zijn gebaseerd. Een aparte analyse wees op het niveau van de deelnemende locaties op een laag risico op vertekening door uitval.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor professionals in opvang en onderwijs laten de resultaten zien dat ondersteuning meerdere ontwikkelingsgebieden moet omvatten. In Nederland vragen vooral het werkgeheugen, de impulsbeheersing en het flexibel kunnen schakelen aandacht. Bij kinderen met een andere thuistaal is daarnaast de beginnende geletterdheid een belangrijk aandachtspunt.
Voor beleidsmakers en gemeenten kan de lagere score van kinderen die eerder aan formele programma’s begonnen niet worden uitgelegd als een aangetoond gevolg van die deelname. Bij de duiding moeten de doelgroepgerichte instroom van kwetsbare kinderen en het ontbreken van reguliere kinderopvang in deze internationale indeling worden meegewogen.
Voor ouders en scholen is relevant dat een stimulerende thuisomgeving en regelmatig samen lezen ook na correctie voor sociaaleconomische achtergrond samenhangen met hogere scores op beginnende geletterdheid en gecijferdheid. Het rapport noemt ook een sterke verbinding tussen gezin en school als belangrijk aanknopingspunt.
Bron: OECD (2026). Building Strong Foundations for Life: Results from the 2025 Early Learning and Child Well-being Study. OECD Publishing, Paris. DOI: https://doi.org/10.1787/02bf8efe-en