Primair onderwijs

Manel van Kessel promoveert cum laude: ‘Meer data leidt niet automatisch tot beter onderwijs’

Manel van Kessel is aan de Universiteit Leiden cum laude gepromoveerd op onderzoek naar het gebruik van digitale dashboards in het basisonderwijs. Haar belangrijkste boodschap: meer leerlingdata leiden niet vanzelf tot meer inzicht of beter onderwijs. Daarvoor zijn ook de kennis en overtuigingen van de leraar, de schoolomgeving en de inrichting van de technologie bepalend.
Manel van Kessel tijdens haar promotie

Van Kessel begon haar presentatie met een bezoek aan een basisschool, waar ze leraren vroeg hoe zij leerlingdata tijdens het lesgeven zouden willen gebruiken. Een van de juffen antwoordde: “Weet je wat, het liefst wil ik gewoon alles zien wat mijn leerlingen doen. Ik wil het liefst alle data krijgen. Geef me gewoon alle data.” De rest van het team knikte instemmend.

Die wens is volgens Van Kessel begrijpelijk. Tijdens een rekenles werken leerlingen steeds vaker zelfstandig op een tablet of computer. Terwijl de ene leerling door de opgaven vliegt, weet een ander niet waar te beginnen en loopt een derde ondanks hard werken vast. Het digitale systeem registreert onder meer hoeveel opgaven leerlingen maken, hoe snel zij werken en welke fouten zij maken. Een dashboard kan die gegevens direct zichtbaar maken voor de leraar.

Het gaat inmiddels niet meer om een nichetechnologie. Volgens Van Kessel heeft ruim tachtig procent van de basisscholen de mogelijkheid met een leraardashboard te werken. Dat gebeurt wekelijks of vaker. Toch is er een lange weg van data zien naar pedagogisch handelen. Een leraar moet weten welke gegevens beschikbaar zijn, begrijpen wat bijvoorbeeld rode bolletjes of voortgangsbalken betekenen en vervolgens beslissen of ingrijpen nodig is.

Zien is nog geen doen

De Leidse promovendus onderzocht vanuit vijf invalshoeken welke factoren het gebruik van dashboards beïnvloeden. Ze observeerde rekenlessen, voerde een literatuurstudie uit, sprak met leraren, hield een grootschalige vragenlijst onder ruim zeshonderd basisschoolleraren en ontwikkelde een meetinstrument voor datageletterdheid.

Daaruit kwamen drie hoofdconclusies: zien is nog geen doen, de leraar doet ertoe en de leraar doet het niet alleen. Leraren verschillen sterk in hoe vaak zij een dashboard bekijken, hoe zij de informatie interpreteren en of zij vervolgens handelen. Ook maakt het uit of zij werken met voortdurend veranderende realtimedata of met vaste gegevens, zoals toetsresultaten. “Een dashboard is geen routeplanner en leraren variëren enorm in hoe ze ermee omgaan”, vatte Van Kessel samen.

Datageletterdheid is belangrijk, maar dat betekent volgens haar niet dat iedere leraar statisticus moet worden. Ook pedagogische kennis, kennis van het systeem, motivatie, overtuigingen en vertrouwen in het didactische gebruik van technologie spelen een rol.

Daarnaast is ondersteuning vanuit de school nodig. Leraren moeten tijd en ruimte krijgen om met dashboards te leren werken en met collega’s te bespreken wat zij zien. Ook zijn een duidelijke visie, professionalisering en een actieve rol voor de schoolleider van belang. De technologie zelf moet betrouwbaar en transparant zijn en tijdens het lesgeven de relevante informatie duidelijk tonen.

Van Kessel keerde daarom met enige relativering terug naar de titel van haar proefschrift, The Dashboard Made Me Do It: “Nou, niet helemaal. Het is dus iets complexer dan dat.” Uiteindelijk draait het volgens haar om de combinatie van wat een leraar ziet, weet, kan, gelooft en wil, en wat de omgeving mogelijk maakt. “We moeten onze leraren helpen om hun data te kunnen verbinden aan pedagogisch handelen.”

Autonomie van de leraar

Tijdens de verdediging vroeg Fien Depaepe van de KU Leuven naar de invloed van het ontwerp van dashboards. Niet alleen kenmerken van leraren zijn immers belangrijk, maar ook wat een dashboard toont, hoe gegevens worden gevisualiseerd en hoe gemakkelijk die informatie in een pedagogische beslissing kan worden omgezet.

Van Kessel erkende dat zulke ontwerpkenmerken niet expliciet in haar onderzoek zijn meegenomen. Nu dashboards zich ontwikkelen van systemen die informatie tonen of waarschuwingen geven naar systemen die ook advies uitbrengen, wordt dat volgens haar wel een belangrijk onderwerp voor vervolgonderzoek.

Daarbij staat de autonomie van de leraar op het spel. Leraren kunnen zelf besluiten of zij op informatie handelen, maar de technologie bepaalt mede wat zichtbaar wordt. “Als we het hebben over hapklare informatie, neemt dat dus ook een gedeelte van de agency bij leraren weg.” Adviezen kunnen volgens haar nuttig zijn, bijvoorbeeld voor leraren die minder datageletterd zijn, maar mogen nooit de standaard worden. Leraren moeten ze kunnen negeren of uitschakelen.

Karel Kreijns van de Open Universiteit wees op de hectiek van het klaslokaal. Een leraar let voortdurend op wat leerlingen doen, of zij opletten en of zij de uitleg begrijpen. Daar komt het dashboard als extra visuele informatiebron bij. Van Kessel ziet het dashboard echter niet uitsluitend als extra belasting: “Ik denk dat we het dashboard meer als een soort verlengde kunnen zien van dat noticing-gedeelte.” Het moet observaties in de klas aanvullen, niet vervangen.

Kwaliteit boven frequentie

Kim Schildkamp van de Universiteit Twente vroeg aandacht voor de kwaliteit in plaats van alleen de frequentie van dashboardgebruik. Van Kessel koos in haar grootschalige onderzoek voor frequentie omdat dit bij ruim zeshonderd leraren de meest haalbare maat was. In vervolgonderzoek wil zij ook kijken naar de cognitieve ontwikkeling en het welbevinden van leerlingen en naar de professionele ruimte van leraren.

Ook Lysanne Post van het ICLON vroeg hoe de korte besluitvormingsprocessen tijdens een les zich verhouden tot de langere cycli uit theorieën over datagebruik. Volgens Van Kessel verlopen die processen tijdens een rekenles sneller en meer ad hoc: “Omdat er heel veel gebeurt in dat moment, is die microcyclus heel kort.”

Fred Janssen van het ICLON wees vervolgens op een onderzoekstraditie van een halve eeuw naar besluitvorming door docenten. Hij stelde voor eerst in kaart te brengen welke beslissingen een leraar normaal gesproken neemt en waarom. Zo ontstaat een doelsysteem waartegen het gebruik van dashboarddata beter kan worden begrepen. Van Kessel zag daarin mogelijkheden voor vervolgonderzoek, bijvoorbeeld door leraren tijdens het handelen hardop te laten denken.

Bijzondere verdiensten

Na de verdediging ontving Van Kessel het doctoraat “wegens bijzondere verdiensten met lof”. Een van haar begeleiders benadrukte hoe uitzonderlijk dat is: “Gemiddeld promoveert maar 5 procent van de promovendi cum laude.”

Van Kessel begon bij Kennisnet als stagiair en kwam daar vervolgens in dienst. De organisatie gaf haar vier jaar lang drie dagen per week de ruimte voor haar promotieonderzoek. Bij ieder hoofdstuk van haar proefschrift maakte ze bovendien een podcast met een leraar. Nog voor haar promotie kreeg zij een postdocpositie bij het Nationaal Onderwijslab AI, Nolai.

Kreijns sloot de ceremonie online af met een oproep haar werk voort te zetten: “Er is nog heel veel te doen. En u legt gewoon een heel nieuw onderzoeksgebied bloot.”

Ontdek meer onderwerpen