Primair onderwijs

Leraren van de academische pabo gebruiken onderzoek bewuster

Beginnende basisschoolleraren die de academische pabo hebben gevolgd, gebruiken wetenschappelijk onderzoek bewuster dan leraren van de reguliere pabo. Dat blijkt uit een kleine interviewstudie van Madelief van der Velden en Thibault Coppe. Academisch opgeleide leraren zoeken bij concrete vragen soms gericht naar wetenschappelijke literatuur en proberen de uitkomsten te vertalen naar hun eigen klas. Leraren zonder academische achtergrond doen dat niet bewust. Zij staan wel open voor onderzoek, maar vinden het moeilijker om relevante studies te vinden, te begrijpen en toe te passen.

Op andere punten lijken de twee groepen juist sterk op elkaar. Alle geïnterviewde leraren gebruiken hun eigen ervaringen, collega’s, lesmethodes, internet en vakliteratuur om hun onderwijs vorm te geven. Ook waarderen zij vooral kennis die begrijpelijk, makkelijk beschikbaar en direct toepasbaar is. Het verschil zit dus niet in de behoefte aan praktische kennis, maar vooral in de manier waarop beide groepen wetenschappelijk onderzoek vinden, beoordelen en naar de klas vertalen.

Zes beginnende leraren

De onderzoekers interviewden in mei 2024 zes vrouwelijke leraren uit Noord-Nederland. Drie hadden de reguliere pabo gevolgd en drie de academische pabo, die een pabodiploma combineert met een universitaire bachelor. Eén deelnemer met een regulier pabodiploma volgde inmiddels een universitaire master orthopedagogiek. In de resultaten rekenden de onderzoekers haar daarom tot de leraren met een academische achtergrond.

De deelnemers stonden één tot vijf jaar voor de klas. Hun interviews duurden veertig tot vijfenvijftig minuten en werden thematisch geanalyseerd.

Dezelfde bronnen, dezelfde behoefte

Beide groepen combineren verschillende soorten kennis. Ze gebruiken wat zij over hun leerlingen weten, hun eigen ervaringen, gesprekken met collega’s en informatie uit documenten en media.

Collega’s zijn een belangrijke bron omdat zij snel bereikbaar zijn en praktijkervaring hebben. Ook ondersteuningscoördinatoren, leidinggevenden en familieleden of vrienden uit het onderwijs werden genoemd. Verder gebruiken de leraren internet, vakbladen, handboeken en lesmethodes. De meesten gebruiken de methode als houvast, maar passen die aan hun leerlingen aan.

Alle deelnemers waarderen vooral kennis die begrijpelijk, makkelijk beschikbaar en direct toepasbaar is. Daarin vonden de onderzoekers geen duidelijk verschil tussen beide groepen.

Het verschil: bewust onderzoek gebruiken

Twee academisch geschoolde leraren vertelden dat zij bij een concrete vraag doelgericht wetenschappelijke literatuur of de Kennisrotonde raadplegen. Zij zien onderzoek als een bron die verder reikt dan de ervaring van één leraar of school. Twee van hen maakten zich bovendien zorgen wanneer collega’s beslissingen vooral op aannames of onderbuikgevoel baseren.

De leraren zonder academische achtergrond zeiden dat zij wetenschappelijke kennis niet bewust gebruiken. Soms veronderstelden zij dat onderzoek al in een lesmethode was verwerkt. Volgens de onderzoekers hadden zij ook niet altijd een scherp beeld van wetenschappelijk onderzoek. Zij verbonden het aanvankelijk bijvoorbeeld met opgelegde maatregelen of met berichten over onderwijsproblemen waarvoor leraren zelf een oplossing moeten vinden.

Dat betekent niet dat zij onderzoek afwezen. Ook deze leraren wilden onderzoeksuitkomsten uitproberen en erkenden de deskundigheid van onderzoekers. Hun openheid leidde alleen niet vanzelf tot bewust gebruik.

Dezelfde hindernissen, een andere reactie

Beide groepen vinden wetenschappelijke publicaties vaak lang, abstract en vol jargon. Eén leraar noemde ook het Engels als hindernis. Na een werkdag ontbreekt bovendien vaak de tijd en energie om veel literatuur door te nemen voor het antwoord op één vraag.

Ook sluit onderzoek volgens de leraren niet altijd aan op hun klas. Een studie houdt bijvoorbeeld niet vanzelf rekening met de thuissituatie van een leerling of met de aandacht die andere leerlingen nodig hebben.

De academisch geschoolde leraren zagen dat niet als reden om onderzoek terzijde te schuiven. Zij beschouwden onderzoek als een onderbouwd perspectief dat de leraar moet aanpassen aan de eigen context. De leraren zonder academische achtergrond vonden die vertaalslag moeilijker en lieten hun eigen ervaring uiteindelijk zwaarder wegen.

Openheid alleen is niet genoeg

Volgens de onderzoekers misten de leraren zonder academische achtergrond de wetenschappelijke geletterdheid, kennis en ervaring om geschikte studies te vinden en naar de klas te vertalen. Het probleem was dus niet dat zij onderzoek bij voorbaat afwezen. De uitkomsten zijn gebaseerd op slechts zes interviews. Sommige deelnemers kenden elkaar of de interviewer. Ook kunnen zij begrippen als kennis, wetenschap en onderzoek verschillend hebben opgevat. De bevindingen kunnen daarom niet zonder meer worden veralgemeniseerd naar alle basisschoolleraren.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor leraren laat deze studie zien dat onderzoek geen pasklaar antwoord voor iedere klas hoeft te geven. De academisch geschoolde deelnemers gebruikten het als onderbouwd perspectief en beoordeelden zelf hoe het bij hun leerlingen paste.

Voor schoolleiders wijzen de bevindingen op het belang van tijd en middelen om onderzoek te zoeken, te lezen en naar de klas te vertalen. Onvoldoende ruimte kan het gebruik ervan belemmeren, ook als leraren ervoor openstaan.

Voor lerarenopleidingen en professionalisering zien de onderzoekers een taak om leraren te leren relevante studies te vinden en de uitkomsten aan hun context aan te passen. Samenwerking met onderzoekers kan wetenschappelijke en praktijkkennis verbinden.

Bron: Van der Velden, M. & Coppe, T. (2026). Through the Teachers’ Eyes—Primary School Teachers’ Perceptions of Knowledge to Inform Their Practice, European Journal of Education, 61, e70874. DOI: https://doi.org/10.1111/ejed.70874

Ontdek meer onderwerpen