Hoe zwaar de schoolkeuze weegt, verschilt sterk per land. In IJsland, Cambodja en Finland bevindt minder dan 10 procent van de prestatieverschillen zich tussen scholen. „Schoolkeuze is in die landen een volstrekt irrelevante vraag”, zei Schleicher. „Het maakt niet uit welke school je kiest; je krijgt zeer vergelijkbare resultaten.”
Daartegenover staan landen waar de verschillen tussen scholen juist groot zijn. „Aan het andere uiterste staan Zambia, Nederland, Bulgarije en Duitsland, waar meer dan 60 procent van de variatie tussen scholen zit”, aldus Schleicher. „Het maakt heel veel uit welke school je voor je kind kiest.”
Grote verschillen blijven binnen scholen buiten beeld
Volgens Schleicher gaat de publieke aandacht vooral uit naar de verschillen tussen scholen. “Je opent een krant en leest over een goede school of een minder goede school. We zijn allemaal gericht op de resultaten van scholen.”
Daardoor blijft volgens hem onderbelicht wat zich binnen scholen afspeelt. “Wat we missen, is wat er onder de waterlijn gebeurt. We vergeten dat er ook binnen scholen enorme verschillen in prestaties bestaan.”
Die verschillen zijn volgens Schleicher zelfs zichtbaar in Finland en IJsland. “Ik prees die landen zojuist omdat zij ervoor zorgen dat iedere school ongeveer even goed presteert. Maar als je binnen die scholen kijkt, zie je zeer grote verschillen in prestaties.” Voor beleidsmakers is dat lastiger aan te pakken dan het opsporen en verbeteren van scholen die als geheel achterblijven.
Kansarme leerlingen in het Verenigd Koninkrijk
Schleicher wees tijdens zijn presentatie ook op de positie van kansarme leerlingen. Verschillen in prestaties zijn op zichzelf niet problematisch, zei hij, omdat leerlingen uiteenlopende interesses, talenten en inzet hebben. “Maar je wilt niet dat die verschillen worden bepaald door hun sociale achtergrond.”
Duitsland noemde hij als voorbeeld van een land met grote sociaaleconomische verschillen. Leerlingen uit welgestelde gezinnen presteren er volgens hem op het niveau van leerlingen in Singapore, terwijl leerlingen uit armere gezinnen eerder vergelijkbaar presteren met leerlingen in Saudi-Arabië en Colombia.
Die ongelijkheid is volgens Schleicher niet onvermijdelijk. Hij verwees daarbij naar het Verenigd Koninkrijk. “Het Verenigd Koninkrijk heeft veel gedaan om een stevige bodem onder de voeten van veel jongeren te leggen. In het verleden was ook het Verenigd Koninkrijk een land met grote sociale verschillen. Tegenwoordig presteren de meest kansarme leerlingen in het VK beter dan hun meest kansarme leeftijdgenoten in Duitsland. Dezelfde achtergrond, andere resultaten.”
De internationale vergelijking laat volgens hem zien dat de omgeving waarin een leerling onderwijs krijgt veel verschil kan maken. “Het land waarin je woont, opgroeit en onderwijs volgt, heeft een veel grotere invloed op je resultaten dan alleen de sociale achtergrond waaruit je afkomstig bent.”
Beste leraren en middelen niet altijd waar ze nodig zijn
Tegelijkertijd hebben het Verenigd Koninkrijk en veel andere Europese landen volgens Schleicher nog werk te doen bij de verdeling van leraren en middelen. “Als je uit een bevoorrecht milieu komt, vind je in het leven altijd wel deuren die voor je opengaan. Als je uit een kansarm milieu komt, heb je vaak maar één kans om te slagen: je treft een geweldige leraar op een goede school.”
Daarom zouden juist kansarme leerlingen toegang moeten krijgen tot de beste leraren en middelen. Dat gebeurt volgens Schleicher slechts in een klein aantal landen. “Als je uit een armer milieu komt, heb je vaker te maken met een tekort aan gekwalificeerde leraren en aan materiële middelen. We slagen er nog altijd niet goed in de beschikbare middelen af te stemmen op de behoeften.”
Slechts enkele landen weten volgens hem de meest getalenteerde leraren naar de moeilijkste klassen te trekken en de beste schoolleiders op de plaatsen in te zetten waar de uitdagingen het grootst zijn.
Besteding belangrijker dan hoogte onderwijsbudget
Ook de hoogte van de onderwijsuitgaven zegt volgens Schleicher niet alles over de resultaten. “Goed beleid en verstandige keuzes bij de besteding zijn doorgaans een veel sterkere voorspeller van leerresultaten dan alleen het bedrag dat landen per leerling uitgeven.”
Luxemburg is daarvan volgens hem een duidelijk voorbeeld. Het land geeft per leerling ruim zeven keer zoveel uit als Turkije, maar behaalt dezelfde resultaten. Vooral in landen die weinig aan onderwijs uitgeven, hangt extra geld nog duidelijk samen met betere prestaties. Bij de meeste Europese en Noord-Amerikaanse landen wordt dat verband veel zwakker.
Het Verenigd Koninkrijk presteert volgens Schleicher beter dan op grond van zijn uitgaven mag worden verwacht. “Het VK ligt boven de voorspelde lijn. De resultaten zijn dus beter dan je op basis van het uitgegeven geld zou verwachten.”
Ouders worden steeds meer klant van de school
Aan het einde van zijn presentatie ging Schleicher in op de rol van ouders. “Het is nogal naïef om te denken dat scholen alles kunnen compenseren wat gezinnen niet bieden. De belangrijkere vraag is wat scholen kunnen doen om ouders te betrekken bij de onderwijsreis van hun kinderen.”
Daarvoor hoeven ouders volgens hem niet urenlang met hun kinderen aan het huiswerk te zitten. Het gaat vooral om de manier waarop zij laten merken dat zij het schoolwerk belangrijk vinden. “Vraag je kind eenvoudigweg hoe het op school was. Dat kost geen drie uur en vraagt niet veel energie. Toch voorspelt dat eenvoudige signaal een voordeel van meer dan twee schooljaren, zelfs wanneer rekening wordt gehouden met de sociale achtergrond.”
Ouders hoeven daarbij niet zelf alle antwoorden te kennen, benadrukte Schleicher. “Je moet laten zien dat je geïnteresseerd bent in de vragen waaraan je kinderen werken.”
Juist die ouderlijke steun neemt in een groot deel van de OESO-landen af. “Ouders worden steeds meer klant van de school, in plaats van deel uit te maken van die gezamenlijke reis”, zei Schleicher. Volgens hem is die ontwikkeling zichtbaar in het Verenigd Koninkrijk en in veel andere OESO-landen.