Hoogbegaafde leerlingen die van hun leerkracht overwegend minder gunstige beoordelingen krijgen, behalen gemiddeld lagere schoolresultaten dan hoogbegaafde klasgenoten die gunstiger worden beoordeeld. Vooral werkhouding, gedrag in de klas, onderwijsprestaties en relaties met klasgenoten en de leerkracht hangen samen met die verschillen. Dat blijkt uit een Nederlands onderzoek onder 1.303 hoogbegaafde basisschoolleerlingen.
Ongeveer de helft van de leerlingen behoorde drie jaar later tot een ander profiel. De indeling vormt daarmee geen vast kenmerk van een leerling.
Verschillen binnen de groep
Het onderzoek van Fae Aimée van der Weijden, Lisette Hornstra en Evelyn Kroesbergen verscheen in Frontiers in Child and Adolescent Psychiatry. De onderzoekers wilden weten of leerkrachten op basis van waarneembare kenmerken leerlingen kunnen herkennen die mogelijk risico lopen op onderpresteren.
Eerder onderzoek laat volgens de auteurs zien dat 16 tot 50 procent van de hoogbegaafde leerlingen in het basisonderwijs lager presteert dan op grond van hun cognitieve capaciteiten mag worden verwacht. Cognitieve vaardigheden alleen verklaren niet waarom sommige hoogbegaafde leerlingen goed presteren en andere achterblijven. Ook gedragsmatige, sociaal-emotionele en motivationele kenmerken kunnen daarmee samenhangen.
Eerdere, vooral kwalitatieve onderzoeken onderscheiden verschillende typen hoogbegaafde leerlingen. De onderzoekers gingen na of zulke profielen ook zichtbaar werden in grootschalige gegevens die op twee momenten waren verzameld.
Gevolgd van groep 5 tot groep 8
De onderzoekers gebruikten gegevens uit COOL5-18, een landelijk onderzoek onder Nederlandse basisschoolleerlingen. Zij selecteerden kinderen die bij een cognitieve vaardighedentest tot de beste 10 procent van hun leeftijdsgroep behoorden. De uiteindelijke onderzoeksgroep bestond uit 1.303 leerlingen van 338 scholen.
De leerlingen werden onderzocht in groep 5 en opnieuw in groep 8. Op beide momenten beoordeelden hun leerkrachten de onderwijsprestaties, het gedrag in de klas, de werkhouding en de relaties met klasgenoten. Ook beoordeelden zij drie aspecten van de relatie met de leerling: nabijheid, conflict en afhankelijkheid.
Daarnaast maakten de leerlingen gestandaardiseerde toetsen voor leestempo, begrijpend lezen en rekenen. Met statistische analyses bepaalden de onderzoekers welke kenmerken vaak samen voorkwamen en hoe leerlingen in de loop van de tijd tussen de gevonden profielen bewogen.
Vier profielen
In zowel groep 5 als groep 8 kwamen vier vergelijkbare profielen naar voren:
- Het bovengemiddelde profiel omvatte ongeveer 40 tot 44 procent van de leerlingen. Zij werden op alle onderzochte kenmerken relatief gunstig beoordeeld.
- Het profiel gemiddeld, zelfstandig en weinig conflict bestond uit ongeveer 19 tot 20 procent. Deze leerlingen kregen overwegend gemiddelde beoordelingen, maar werden als zelfstandiger gezien en hadden volgens hun leerkracht minder conflicten.
- Het gemiddelde profiel omvatte ongeveer 31 tot 35 procent van de leerlingen. Hun beoordelingen lagen op alle kenmerken rond het midden.
- Het ondergemiddelde profiel was met ongeveer 5 tot 7 procent het kleinst. Deze leerlingen kregen op alle kenmerken de minst gunstige beoordelingen, vooral voor gedrag in de klas en conflict met de leerkracht.
De verschillen waren voornamelijk gradueel. Er kwamen dus geen duidelijk van elkaar afwijkende typen naar voren met ieder een geheel eigen combinatie van kenmerken. Leerkrachten beoordeelden leerlingen meestal over de hele linie gunstiger, gemiddeld of minder gunstig.
Profielen hangen samen met toetsscores
In groep 5 behaalde het bovengemiddelde profiel hogere scores voor leestempo en begrijpend lezen dan alle andere profielen. Voor rekenen scoorde dit profiel alleen aantoonbaar hoger dan het ondergemiddelde profiel. De drie overige profielen verschilden onderling niet significant.
In groep 8 scoorden leerlingen uit het bovengemiddelde profiel hoger op leestempo, begrijpend lezen en rekenen dan leerlingen uit alle andere profielen. Ook toen werden tussen de overige drie profielen geen significante verschillen gevonden.
Voor rekenen hing het profiel in groep 5 bovendien samen met de ontwikkeling tot groep 8. Leerlingen uit het bovengemiddelde profiel gingen iets sterker vooruit dan leerlingen uit het ondergemiddelde profiel. Dit verschil was klein. Voor leestempo en begrijpend lezen werden geen verschillen in groei gevonden.
Geen vast etiket
Hoewel de vier profielen en hun omvang op beide meetmomenten sterk op elkaar leken, bleef slechts 51 procent van de leerlingen in hetzelfde profiel. Van de leerlingen die wisselden, gingen er ongeveer evenveel naar een gunstiger als naar een minder gunstig profiel, met iets meer verschuivingen in gunstige richting.
Volgens de onderzoekers moeten de profielen daarom niet worden opgevat als vaste eigenschappen. Veranderingen kunnen samenhangen met de ontwikkeling van de leerling, maar mogelijk ook met het oordeel van de leerkracht. Leerlingen hadden in groep 5 en groep 8 doorgaans verschillende leerkrachten.
De onderzoekers concluderen dat waarnemingen van leerkrachten kunnen bijdragen aan het herkennen van hoogbegaafde leerlingen die mogelijk risico lopen op onderpresteren. Het onderzoek laat echter geen oorzakelijk verband zien. Verder dateren de gegevens uit 2007 tot en met 2014 en waren kenmerken zoals creativiteit niet beschikbaar.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor leerkrachten laat het onderzoek zien dat een combinatie van minder gunstige beoordelingen van werkhouding, gedrag, prestaties en sociale relaties een vroeg signaal kan zijn van een risico op onderpresteren. Zo’n profiel is geen diagnose en ook geen vast etiket.
Voor intern begeleiders en andere ondersteuners is het relevant om waarnemingen op verschillende momenten te blijven volgen. Bijna de helft van de leerlingen behoorde na drie jaar tot een ander profiel, terwijl een wisseling van leerkracht mogelijk ook invloed had op de beoordeling.
Voor schoolteams bieden de profielen aanknopingspunten om niet alleen naar cognitieve capaciteiten en toetsscores te kijken. Ook werkhouding, gedrag en de relaties met klasgenoten en leerkrachten kunnen worden betrokken bij het signaleren van leerlingen die mogelijk achterblijven bij hun capaciteiten.
Bron: Van der Weijden, F. A., Hornstra, L. & Kroesbergen, E. H. (2026). Profiles of gifted students through the eyes of their teachers: identifying students at risk for underachievement. Frontiers in Child and Adolescent Psychiatry, 5, 1678145. DOI: https://doi.org/10.3389/frcha.2026.1678145