Primair onderwijs

Sportclubleden in groep 8 scoren hoger op de doorstroomtoets, maar oorzaak blijft onbekend

Leerlingen in groep 8 die lid zijn van een sportclub scoren gemiddeld hoger op de doorstroomtoets, ook na correctie voor achtergrondkenmerken. Dat blijkt uit een beleidsbrief van Stef Hendrickx, Per Bles en Tim Huijts van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) van de Universiteit Maastricht. De onderzoekers vinden samenhang, geen bewijs voor oorzaak en gevolg. Zij adviseren scholen en gemeenten om bestaande financieringsmogelijkheden voor sportdeelname beter bekend te maken en leerlingen actief naar ondersteuning door te verwijzen.

De Maastrichtste onderzoekers onderzochten de samenhang tussen sportdeelname, schoolprestaties, ervaren schooldruk, sociale verbondenheid op school, levenstevredenheid en eenzaamheid.

Drie groepen leerlingen vergeleken

De onderzoekers gebruikten gegevens uit het project Early Predictors of School Success (EPoSS). De analyses omvatten maximaal 342 leerlingen uit groep 8, 391 leerlingen uit het derde leerjaar van het voortgezet onderwijs en 552 leerlingen uit de eindexamenklassen. Het aantal leerlingen kan per analyse iets lager zijn.

De vragenlijsten in het basisonderwijs werden afgenomen tussen januari en april 2024. In het voortgezet onderwijs gebeurde dat tussen september 2024 en februari 2025. Het onderzoek volgt niet dezelfde leerlingen door de tijd. Schoolprestaties zijn in deze beleidsbrief alleen onderzocht voor groep 8; de resultaten van middelbare scholieren waren nog niet beschikbaar.

Sportdeelname werd op twee manieren gemeten: het aantal sporturen per week en het lidmaatschap van een sportvereniging. De sporturen omvatten sporten op school, bij een vereniging en in de vrije tijd.

Leerlingen in groep 8 sportten gemiddeld 7,9 uur per week. In leerjaar 3 was dat 6,4 uur en in de eindexamenklassen 5,8 uur. Het aandeel sportclubleden bedroeg respectievelijk 65, 80 en 68 procent.

Toetsscore hangt samen met clublidmaatschap

In de eerste vergelijking behaalden zowel leerlingen die meer sportten als sportclubleden gemiddeld hogere scores op de doorstroomtoets. Vervolgens hielden de onderzoekers rekening met geslacht, huishoudinkomen, gezinssituatie, opleidingsniveau van de ouders en herkomst. Bij middelbare scholieren werden daarnaast leerjaar en onderwijssoort meegenomen.

Na deze correctie bleef in groep 8 alleen het verband tussen sportclublidmaatschap en de toetsscore statistisch significant. De gestandaardiseerde maat voor de sterkte van dit verband was 0,23. Volgens de auteurs was die samenhang ongeveer even sterk als het verschil in toetsscores tussen kinderen van laagopgeleide en hoogopgeleide ouders.

Kinderen van hoogopgeleide ouders waren vaker lid van een sportclub. Ook nadat rekening was gehouden met het opleidingsniveau van de ouders, bleef clublidmaatschap samenhangen met hogere toetsscores. Voor het aantal wekelijkse sporturen werd na correctie geen statistisch significant verband gevonden.

Minder schooldruk bij sportende middelbare scholieren

In leerjaar 3 hing een groter aantal sporturen samen met minder ervaren schooldruk. Voor sportclublidmaatschap vonden de onderzoekers in deze groep geen statistisch significant verband met schooldruk.

Bij eindexamenleerlingen hingen zowel meer sporturen als clublidmaatschap samen met minder schooldruk. In groep 8 werd voor geen van beide sportmetingen een statistisch significant verband met schooldruk gevonden.

De auteurs noemen selectie als mogelijke verklaring voor de uitkomsten bij eindexamenleerlingen. Jongeren die in eerdere leerjaren veel tijdsdruk ervaren, beëindigen mogelijk hun clublidmaatschap vóór het examenjaar. Dat is een mogelijke verklaring, geen vastgestelde uitkomst van deze analyses.

Verbondenheid op school laat het meest consistente patroon zien

In alle drie de groepen hingen zowel meer sporturen als sportclublidmaatschap samen met een sterkere sociale verbondenheid op school. Deze verbanden waren ook na correctie voor achtergrondkenmerken statistisch significant.

Bij eindexamenleerlingen hingen beide sportmetingen bovendien samen met een hogere levenstevredenheid en minder eenzaamheid. In groep 8 werden na correctie voor achtergrondkenmerken geen statistisch significante verbanden met deze twee welzijnsuitkomsten gevonden.

In leerjaar 3 was er een positief verband tussen sporturen en levenstevredenheid. Dat verband voldeed alleen aan de ruimere significantiegrens van 10 procent die de beleidsbrief gebruikt, niet aan de grens van 5 procent.

De richting van het verband blijft open

De onderzoekers benadrukken dat hun analyses geen oorzakelijke relaties aantonen. Sporten kan bijdragen aan gunstige uitkomsten, maar leerlingen met gunstigere uitkomsten kunnen ook vaker sporten. Voor sociale verbondenheid noemen zij bijvoorbeeld beide mogelijkheden: sporten kan de verbondenheid bevorderen, terwijl leerlingen die zich al meer verbonden voelen ook vaker kunnen sporten.

De gevonden verbanden blijven deels bestaan nadat rekening is gehouden met de onderzochte achtergrondkenmerken. Daarmee is echter niet vastgesteld welke richting de verbanden hebben. Het onderzoek laat dus zien hoe sportdeelname en school- en welzijnsuitkomsten samenhangen, zonder aan te tonen wat er met die uitkomsten gebeurt wanneer leerlingen meer gaan sporten of lid worden van een club.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor scholen laat het onderzoek zien dat sportdeelname samenhangt met sociale verbondenheid en, bij sommige groepen, met minder schooldruk. Het biedt geen bewijs dat meer sporturen of een clublidmaatschap deze uitkomsten verbeteren. Ook hogere toetsscores kunnen op basis van deze analyses niet als verwacht effect worden gepresenteerd.

Voor gemeenten en beleidsmakers bevelen de auteurs aan om bestaande financieringsmogelijkheden voor sportdeelname beter bekend te maken en leerlingen actief naar ondersteuning door te verwijzen. Zij noemen landelijke fondsen, lokale regelingen en programma’s zoals GALA en School en Omgeving. Deze aanbevelingen zijn beleidsvoorstellen; hun effecten zijn in dit onderzoek niet getoetst.

Bij uitbreiding van bewegen op school vragen de auteurs aandacht voor de uitvoering. Zij verwijzen naar eerder onderzoek waarin extra beweegactiviteiten ongunstig konden uitpakken voor leerprestaties, mogelijk door onrust en moeite om daarna opnieuw te concentreren. Meer bewegen op school gaat volgens de besproken onderzoeken dus niet vanzelfsprekend samen met betere leerprestaties.

Bron: Hendrickx, S., Bles, P. & Huijts, T. (2026). Beweegbeleid gaat over meer dan bewegen alleen: de samenhang tussen sporten, welzijn en leerprestaties. Universiteit Maastricht, Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt, ROA Policy Brief 2026/3. DOI: https://doi.org/10.26481/umarpb.2026003

Ontdek meer onderwerpen