Primair onderwijs

Trauma bemoeilijkt taalverwerving van gevluchte kinderen

Bij gevluchte kinderen uit oorlogsgebieden kan trauma het geheugen, de aandacht en het gedrag aantasten, waardoor zij in Nederlandse klassen moeilijker een nieuwe taal leren. Scholen moeten taalontwikkeling daarom verbinden met welzijn en motivatie, zei hoogleraar Mirjam Broersma tijdens haar oratie aan de Radboud Universiteit.
Oratie professor Mirjam Broersma

Broersma aanvaardde het ambt van hoogleraar Tweede Taalverwerving, Taalkundige en Communicatieve Vaardigheden aan de Faculteit der Letteren. In haar oratie, getiteld Language, Life, the Universe and Everything, stond de vraag centraal hoe mensen taal leren en hoe onderzoekers dat complexe proces kunnen bestuderen.

Voor het funderend onderwijs is vooral haar onderzoek naar de taalverwerving van vluchtelingen relevant. Kinderen die in Nederland terechtkomen, moeten niet alleen wennen aan een nieuw land en een nieuwe school, maar ook leren functioneren in een taal die zij nog niet of nauwelijks beheersen. Juist traumatische ervaringen kunnen dat leerproces ernstig bemoeilijken.

“Een tweede taal leren is niet gemakkelijk, zoals velen van ons weten uit onze schooltijd of uit eigen ervaring”, zei Broersma. “Maar het is wel heel belangrijk om de taal van je omgeving te kennen, omdat die toegang geeft tot de arbeidsmarkt, het onderwijs, de gezondheidszorg en allerlei andere voorzieningen.”

Stilzitten in de klas kan moeilijk worden

Vluchtelingen hebben hun land niet uit vrije wil verlaten en kunnen voor en tijdens hun vlucht ingrijpende gebeurtenissen hebben meegemaakt. Daardoor lopen zij een verhoogd risico op psychisch trauma. De gevolgen daarvan blijven niet beperkt tot het emotionele welzijn, maar kunnen ook rechtstreeks zichtbaar worden in de klas.

“Psychisch trauma betekent dat het sociaal-emotionele welzijn van mensen sterk verminderd is”, legde Broersma uit. “Er bestaat een sterke samenhang tussen symptomen van psychisch trauma en bijvoorbeeld depressie en angst. Psychisch trauma brengt ook cognitieve problemen met zich mee. Het geheugen functioneert vaak minder goed, mensen vinden het moeilijk om zich te concentreren en hun aandachtsspanne is dikwijls beperkt. Zelfs stilzitten in de klas kan heel moeilijk worden, doordat de executieve functies worden belemmerd.”

Trauma heeft volgens haar dan ook een grote invloed op het dagelijks functioneren. “Psychisch trauma heeft een enorme invloed op hoe mensen zich voelen, hoe zij zich gedragen en hoe zij kunnen functioneren. In die zin beïnvloedt het alle aspecten van het dagelijks leven. Het beïnvloedt ook de verwerving van een tweede taal.”

Dat trauma taalverwerving kan hinderen, was al bekend uit eerder onderzoek en uit ervaringen in de praktijk. Veel minder duidelijk is hoe dat proces precies verloopt. “Interessant genoeg weten we eigenlijk nog niet goed hoe dat werkt”, zei Broersma. “Hoe vermindert trauma precies het vermogen om een tweede taal te leren? Wat gebeurt daar? Wat is het onderliggende mechanisme? Is het anders voor kinderen dan voor volwassenen?”

Ook kan het effect per taalvaardigheid verschillen. Broersma wil daarom weten of trauma bijvoorbeeld een andere invloed heeft op het leren van woorden dan op uitspraak en het gebruiken van taal in sociale situaties.

Onderzoek onder Oekraïense kinderen

Broersma leidt een vijfjarig onderzoeksproject naar de invloed van psychisch trauma op de taalvaardigheid en communicatieve vaardigheden van vluchtelingen. Het project wordt gefinancierd met een Vici-subsidie van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek. De onderzoekers volgen Oekraïense kinderen en volwassenen in Nederland.

Met haar team ontwikkelde Broersma een model waarin taalverwerving niet als een geïsoleerd proces wordt behandeld. Het model brengt traumasymptomen, sociaal-emotioneel welzijn, cognitieve vaardigheden, motivatie en deelname aan de samenleving met elkaar in verband.

Trauma kan het leren van een tweede taal rechtstreeks bemoeilijken, maar ook via andere factoren. Zo kan trauma de cognitieve vaardigheden of de motivatie van een leerling aantasten, waarna het leren van de taal verder wordt belemmerd. De verschillende factoren kunnen elkaar tegelijkertijd positief versterken.

“Motivatie zorgt ervoor dat mensen meer deelnemen aan de samenleving”, lichtte Broersma toe. “Maar meer deelnemen, bijvoorbeeld door lid te zijn van een vereniging, kan ook goed zijn voor de motivatie om een taal te leren. Die invloed loopt dus in twee richtingen.”

Volgens Broersma hebben eerdere onderzoeken vaak maar een deel van deze samenhang bekeken. “Veel onderzoekers hadden één of twee van deze onderdelen onderzocht, maar niemand had ze nog in één kader samengebracht. Door alle onderdelen in hetzelfde model te plaatsen, kunnen we het grotere geheel beter begrijpen.”

De directe verbindingen tussen trauma en de andere onderdelen in haar model zijn negatief. Tegelijkertijd kunnen taalverwerving, motivatie, sociaal-emotioneel welzijn en deelname aan de samenleving eraan bijdragen dat traumasymptomen verminderen. “Trauma is slecht voor alles”, vatte Broersma de negatieve verbanden samen. “Maar al die andere factoren kunnen mensen tegelijkertijd helpen om hun traumasymptomen te overwinnen.”

Taalonderzoek kan onderwijs verbeteren

In haar oratie stond Broersma ook stil bij de vraag waarom wetenschappelijk onderzoek naar taal van belang is. Daarvoor gebruikte zij passages uit essays van haar eigen studenten.

Student Nelly legde rechtstreeks de verbinding met het taalonderwijs: “Onderzoek naar de structuur van een taal helpt ons te begrijpen hoe we die taal het beste kunnen onderwijzen aan mensen die haar als vreemde taal leren.”

Myrthe wees op de betekenis van taalkundige kennis voor mensen met een taalstoornis. “Stel je iemand voor met een taalstoornis. Als we die persoon willen helpen, moeten we precies weten waaruit taal bestaat.”

Taalonderzoek kan daarnaast inzicht geven in de invloed van accenten en dialecten op de kansen die mensen krijgen. Student Sophie schreef: “Taalkunde stelt ons in staat om sociale ongelijkheid en vooroordelen over accenten en dialecten tegen te gaan. Zo kan de taalwetenschap ons helpen toe te werken naar een inclusievere samenleving.”

Broersma benadrukte bovendien dat taalkundigen niet voorschrijven hoe mensen zouden moeten spreken. Zij onderzoeken juist hoe taal daadwerkelijk wordt gebruikt. “Taalkunde gaat niet over de grammaticaregels die je op school leert, maar onderzoekt hoe mensen taal in werkelijkheid gebruiken”, citeerde zij een van haar studenten.

Leerlingen actief betrekken

De hoogleraar liet tijdens haar oratie ook zien hoe zij zelf onderwijs geeft. Via een online stemtool liet zij het publiek vragen beantwoorden, waarna de antwoorden gezamenlijk werden besproken. Daarmee behandelde ze de aanwezigen naar eigen zeggen een beetje als haar studenten.

“Als docenten zijn we eraan gewend mensen langer dan 45 minuten betrokken te houden”, zei Broersma. “Wat we normaal gesproken niet doen, is een uur lang alleen maar voor een groep staan praten. Als we lesgeven, proberen we onze studenten actief bij het onderwijs te betrekken. We geven hun opdrachten, organiseren klassengesprekken en stellen vragen die zij direct moeten beantwoorden.”

Goed onderwijs en goed onderzoek beginnen volgens Broersma beide met het stellen van gerichte vragen. “We kunnen van alles meten, experimenten uitvoeren, mensen in scanners leggen en machines gebruiken. Maar als we informatie verzamelen zonder precies te weten waarvoor we die nodig hebben, is die informatie nutteloos.”

Onderzoeksvragen moeten daarom specifiek en toetsbaar zijn. Ook moet de gekozen onderzoeksmethode precies aansluiten bij de vraag. Alleen zo kan volgens Broersma beter worden begrepen wat kinderen en volwassenen nodig hebben om een tweede taal te leren, zeker wanneer psychisch trauma dat leerproces bemoeilijkt.

Ontdek meer onderwerpen