Primair onderwijs

Kinderen met dyslexie schamen zich vooral voor lezen, minder voor spelling

Kinderen met dyslexie beleven lezen en spellen niet op dezelfde manier. Hun zelfvertrouwen is op beide terreinen lager dan dat van klasgenoten zonder dyslexie, maar angst, schaamte en vermijdend gedrag komen vooral naar voren bij lezen. Bij spelling is het patroon minder negatief, blijkt uit onderzoek van Judi Dams, Eva van de Weijer-Bergsma, Sanne van der Ven, Elise de Bree en Jojanneke van der Beek.
dyslexie

Eerder onderzoek naar de psychosociale gevolgen van dyslexie richtte zich vooral op het algemene academische zelfbeeld en op negatieve emoties in brede zin. Naar positieve emoties, zoals plezier in lezen en spellen, en naar copingstrategieën was minder onderzoek gedaan. Ook werden lezen en spellen meestal niet afzonderlijk bekeken. De onderzoekers wilden daarom in kaart brengen hoe leerlingen met en zonder formeel vastgestelde dyslexie zelf aankijken tegen lezen en spellen, en welke emoties en strategieën daarbij een rol spelen.

De leerlingen waren tussen de 7 en 13 jaar oud

Aan het onderzoek deden 1501 leerlingen mee uit groep 3 tot en met 6 van 24 reguliere basisscholen in Nederland. De leerlingen waren tussen de 7 en 13 jaar oud. Van hen hadden 90 leerlingen een officiële dyslexieclassificatie. De gegevens werden verzameld tussen 2022 en 2024, in het kader van de validatie van de Lees- en spellingbelevingsschaal.

De leerlingen vulden willekeurig één van twee vragenlijsten in: de leesschaal of de spellingschaal. Daarmee maten de onderzoekers het zelfbeeld van leerlingen rond lezen of spellen, negatieve emoties zoals angst en schaamte, positieve emoties zoals plezier, en verschillende copingstrategieën. Daarbij maakten zij onderscheid tussen niet-adaptieve strategieën, zoals taakvermijding, piekeren en rumineren, en frustratie uiten, en adaptieve strategieën, zoals positief denken, steun zoeken en actief probleemoplossen.

Minder leesplezier en minder spellingplezier

Leerlingen met dyslexie scoorden zowel bij lezen als bij spellen lager op zelfconcept dan leerlingen zonder dyslexie. Dat betekent dat zij zichzelf op deze gebieden minder vaardig inschatten. Voor zowel lezen als spellen waren deze verschillen middelgroot. Daarnaast rapporteerden leerlingen met dyslexie minder leesplezier en minder spellingplezier. Die verschillen waren kleiner, maar wel significant.

Daarna liepen de patronen voor lezen en spellen uiteen. Bij lezen rapporteerden leerlingen met dyslexie meer angst en schaamte dan hun leeftijdgenoten zonder dyslexie. Ook maakten zij vaker gebruik van alle drie onderzochte niet-adaptieve copingstrategieën. Zij vermeden leestaken vaker, piekerden en rumineerden meer, en uitten vaker frustratie bij moeilijke leestaken. Voor de drie adaptieve strategieën vonden de onderzoekers geen significante verschillen tussen leerlingen met en zonder dyslexie. Leerlingen met dyslexie rapporteerden dus niet vaker of minder vaak positief denken, steun zoeken of actief probleemoplossen bij lezen.

Bij spellen was het beeld anders. Leerlingen met dyslexie verschilden niet significant van hun leeftijdgenoten zonder dyslexie in angst en schaamte. Ook verschilden zij niet significant in taakvermijding en het uiten van frustratie. Wel piekerden en rumineerden zij vaker over spelling. Tegelijkertijd zochten zij ook vaker steun, wat de onderzoekers beschouwen als een adaptieve copingstrategie. Op positief denken en actief probleemoplossen vonden zij geen significante verschillen.

Ook spellingplezier is minder

Volgens de onderzoekers bevestigen de resultaten eerder onderzoek, maar voegen zij daar ook iets aan toe. De bevinding dat leerlingen met dyslexie een lager zelfbeeld hebben rond lezen sluit aan bij eerdere studies. Dit onderzoek laat daarnaast zien dat dit ook geldt voor spellen. Ook het lagere leesplezier past bij eerdere bevindingen, terwijl dit onderzoek die lijn doortrekt naar spellingplezier.

De onderzoekers plaatsen wel een kanttekening bij de uitkomsten. Buiten het zelfconcept waren de gevonden effecten klein. Dat betekent dat de resultaten voorzichtig moeten worden geïnterpreteerd. De verschillen tussen leerlingen met en zonder dyslexie zijn dus het duidelijkst bij het zelfbeeld rond lezen en spellen, en minder uitgesproken bij emoties en copingstrategieën.

Een mogelijke verklaring voor de sterkere negatieve houding tegenover lezen is dat leesproblemen in de klas zichtbaarder zijn dan spellingproblemen. Moeite met lezen valt bijvoorbeeld op bij hardop lezen of wanneer een leerling als laatste klaar is met een tekst. Spellingproblemen zijn voor anderen minder goed hoorbaar of zichtbaar. Daarnaast kan lezen doorwerken in andere onderdelen van schoolwerk, zoals begrijpend lezen.

Dat zou spellinggerelateerde houdingen positief kunnen beïnvloeden

De onderzoekers noemen nog een mogelijke verklaring. Gespecialiseerde dyslexiebegeleiding leidt volgens eerder onderzoek vaak tot duidelijkere vooruitgang bij spelling dan bij lezen. Dat zou spellinggerelateerde houdingen positief kunnen beïnvloeden. De onderzoekers konden dit in deze studie echter niet nagaan, omdat zij geen informatie hadden over de behandelingen die de leerlingen met dyslexie hadden gevolgd.

De studie kent enkele beperkingen. Leerlingen vulden óf de leesvragenlijst óf de spellingvragenlijst in, waardoor lezen en spellen niet binnen dezelfde leerling konden worden vergeleken. Ook waren de groepen leerlingen met dyslexie relatief klein. Vooral de bevindingen over copingstrategieën vragen daarom om voorzichtigheid, mede doordat enkele copingschalen minder betrouwbaar waren.

De onderzoekers concluderen dat houdingen rond lezen en spellen afzonderlijk moeten worden beoordeeld. Kinderen met dyslexie ervaren deze twee domeinen niet noodzakelijk op dezelfde manier. Bij diagnose en behandeling verdient daarom niet alleen de technische lees- en spellingvaardigheid aandacht, maar ook het zelfbeeld van leerlingen, hun plezier in lezen en spellen, hun angst en schaamte, en de mate waarin zij piekeren of blijven malen over hun prestaties.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor leraren in het basisonderwijs laat dit onderzoek zien dat dyslexie niet alleen samenhangt met moeite met lezen en spellen, maar ook met hoe leerlingen zichzelf op die gebieden beoordelen. Vooral bij lezen rapporteren leerlingen met dyslexie minder zelfvertrouwen, minder plezier en meer angst en schaamte.

Voor intern begeleiders en dyslexiespecialisten is het relevant dat lezen en spellen afzonderlijk moeten worden bekeken. Leerlingen met dyslexie kunnen bij lezen andere gevoelens en copingstrategieën laten zien dan bij spellen. Een brede beoordeling vraagt daarom ook aandacht voor zelfconcept, plezier, angst, schaamte en piekeren.

Voor diagnose en begeleiding wijzen de resultaten erop dat interventies niet alleen op technische vaardigheid hoeven te mikken. De onderzoekers noemen ook het versterken van lees- en spellinggerelateerd zelfconcept, het verminderen van angst en schaamte, het bevorderen van plezier en het aanleren van adaptieve copingstrategieën als aandachtspunten.

Bron: Dams, J.E., Van de Weijer-Bergsma, E., Van der Ven, S.H.G., De Bree, E.H. & Van der Beek, J.P.J. (2026). Reading- and Spelling-Related Self-Concept, Emotions and Coping Strategies in Students With and Without Dyslexia, Dyslexia, 32, e70034. DOI: https://doi.org/10.1002/dys.70034

Ontdek meer onderwerpen