Primair onderwijs

Jongerenwerker op basisschool werkt vooral op verzoek van leraar, niet van kind

Een jongerenwerker die tijdens de pauze tussen de kinderen rondloopt, kan een andere band met hen opbouwen dan een leraar. Toch wordt zijn inzet op de basisschool in de praktijk vooral bepaald door zorgen van leraren, bijvoorbeeld over pesten, onzekerheid of gedrag in de klas. Daarmee komt de vrijwillige en laagdrempelige werkwijze van jongerenwerk onder druk te staan, concluderen Rogier Kattenberg, Tessa De Wild, Dorien Graas, Jan-Kees Helderman en Els Evenboer van Windesheim en de Radboud Universiteit. 

De onderzoekers bekeken welke rol jongerenwerkers kunnen spelen nu zij steeds vaker op Nederlandse basisscholen worden ingezet. Jongerenwerk richtte zich van oudsher vooral op jongeren vanaf ongeveer tien jaar, maar organisaties schuiven steeds verder op richting het basisonderwijs. Een reden daarvoor is de wens om kinderen ook bij de overgang naar de middelbare school te blijven begeleiden. Over de rol van jongerenwerkers op basisscholen is nog maar weinig onderzoek beschikbaar. 

Daarachter speelt een bredere discussie over de Nederlandse jeugdzorg. Al in 1976 werd ervoor gepleit om problemen van kinderen zo vroeg, licht en dicht bij hun eigen leefomgeving mogelijk aan te pakken. Toch groeide in de decennia daarna juist de professionele jeugdzorg. In 2024 kreeg twintig procent van de kinderen van acht tot en met elf jaar een vorm van jeugdzorg. Ook rapporteerde het HBSC-onderzoek een stijging van emotionele en gedragsproblemen zoals angst en somberheid: van 11 procent in 2017 naar 23 procent in 2021. 

Sinds de invoering van de Jeugdwet in 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor jeugdzorg en jeugdwelzijn. Daarbij is het beleid erop gericht om problemen minder snel als medische problemen te behandelen en ondersteuning dichter bij het gewone leven van kinderen te organiseren. Jongerenwerk wordt door de onderzoekers gezien als een mogelijke manier om die aanpak ook binnen scholen vorm te geven.

Andere relatie met kinderen

Voor het onderzoek werden tussen 2022 en 2024 in totaal 32 interviews gehouden met jongerenwerkers, schoolleiders, leraren en ander ondersteunend personeel op vijf basisscholen. Het ging om drie openbare en twee protestants-christelijke scholen. Leerlingen werden niet zelf geïnterviewd. Vanwege hun leeftijd kozen de onderzoekers ervoor hun perspectief via leraren en jongerenwerkers te laten vertegenwoordigen. Gemeenteambtenaren werden buiten het onderzoek gehouden omdat gemeenten tijdens de dataverzameling soms opdrachtgever waren. 

Jongerenwerkers noemen preventie, toegankelijkheid en aanwezigheid als belangrijke onderdelen van hun werk. Door bijvoorbeeld tijdens een pauze zichtbaar op school aanwezig te zijn, kunnen kinderen zelf naar hen toe komen voor een gesprek, een spelletje of simpelweg contact.

Daarin verschilt hun positie van die van de leraar. Een leraar moet lesgeven, grenzen stellen en regels handhaven. De jongerenwerker probeert juist vanuit een vrijblijvender en gelijkwaardiger contact een vertrouwensband op te bouwen. Volgens geïnterviewde leraren kan dat ervoor zorgen dat een jongerenwerker soms andere dingen van een kind hoort of ander gedrag ziet.

Daar komt bij dat jongerenwerkers kinderen niet alleen op school kunnen tegenkomen. Zij zijn bijvoorbeeld ook actief in de buurt, op speelplaatsen of bij sportactiviteiten. Daardoor kunnen zij informatie uit verschillende delen van het leven van een kind met elkaar verbinden. Ook bij de overgang van de basisschool naar het voortgezet onderwijs kan het volgens de deelnemers helpen wanneer dezelfde jongerenwerker voor een kind een bekend gezicht blijft.

Vooral weerbaarheidstraining

In de dagelijkse schoolpraktijk blijkt hun werk echter veel smaller. Drie taken keren volgens de onderzoekers het vaakst terug: weerbaarheidstrainingen, preventielessen en individuele begeleiding.

Vooral groepswerk komt veel voor. Een leraar kan bijvoorbeeld om een weerbaarheidstraining vragen wanneer er in een klas wordt gepest of wanneer kinderen sociaal onzeker zijn. Jongerenwerkers geven daarnaast voorlichting over onderwerpen als alcohol en drugs, soms ook aan ouders tijdens ouderavonden. Individuele gesprekken met kinderen komen eveneens voor, al verschillen jongerenwerkers van mening over de vraag waar begeleiding ophoudt en jeugdhulp begint.

Juist daar ontstaat een spanning. Jongerenwerkers zeggen dat zij vraaggericht willen werken en dat kinderen zelf moeten kunnen bepalen of zij contact zoeken. In de school blijkt die vraag echter dikwijls afkomstig van de leraar. Bovendien worden weerbaarheids- en preventielessen tijdens gewone schooluren gegeven. Deelname is dan feitelijk niet vrijwillig. 

Volgens de onderzoekers dreigt jongerenwerk daardoor mee te bewegen met een manier van kijken waarin het probleem van een individueel kind centraal staat. Een leraar signaleert bijvoorbeeld pesten, onzekerheid of lastig gedrag en vraagt vervolgens de jongerenwerker om met dat kind of die klas aan de slag te gaan. Daarmee kan de oorspronkelijke bedoeling van jongerenwerk – aansluiten bij wat kinderen zelf aangeven en hun leefomgeving erbij betrekken – naar de achtergrond verdwijnen. 

Wie is waarvoor verantwoordelijk?

Ook voor leraren is niet altijd duidelijk waarvoor zij de jongerenwerker kunnen inschakelen. Dat speelt bijvoorbeeld bij weerbaarheidstraining. Sommige scholen gebruiken daarvoor al programma’s zoals de Kanjertraining, terwijl een jongerenwerker vergelijkbare onderwerpen behandelt. In de interviews vragen deelnemers zich af wie dan verantwoordelijk is voor de inhoud en uitvoering.

Het lerarentekort maakt die grens volgens jongerenwerkers nog onduidelijker. Zij vertellen dat scholen soms taken bij hen neerleggen omdat leraren er onvoldoende tijd voor hebben. Jongerenwerkers vragen zich daarbij geregeld af of die werkzaamheden eigenlijk wel bij hun beroep horen.

Dat onderscheid is volgens de onderzoekers belangrijk. Een jongerenwerker is geen vervangende leraar of onderwijsassistent. Wanneer jongerenwerkers steeds meer schoolregels moeten handhaven of lessen van leraren overnemen, kan bovendien hun laagdrempelige positie tegenover kinderen veranderen.

De onderzoekers zien daarom vooral ruimte voor jongerenwerkers wanneer zij een ander perspectief toevoegen. Bij opvallend gedrag kan bijvoorbeeld niet alleen worden gekeken naar wat er met het individuele kind aan de hand is, maar ook naar wat er thuis, op straat, bij de sportclub of binnen de groep gebeurt. In de interviews wordt ook genoemd dat termen als ADHD niet te snel op gedrag moeten worden geplakt en dat gedrag soms bij de normale ontwikkeling van kinderen hoort.

De auteurs pleiten daarom voor een duidelijkere afbakening van de taken van jongerenwerkers en voor structureel overleg met leraren over het gedrag en de omgeving van kinderen. Vervolgonderzoek moet vooral duidelijk maken hoe kinderen zelf de aanwezigheid van jongerenwerkers op hun basisschool ervaren. Juist hun perspectief ontbreekt in dit onderzoek.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor leraren laat het onderzoek zien dat een jongerenwerker vooral iets anders kan toevoegen wanneer die niet simpelweg taken van de leraar overneemt. De jongerenwerker kan kinderen ook buiten de les ontmoeten en gedrag vanuit meerdere leefomgevingen bekijken.

Voor schoolleiders en intern begeleiders is een duidelijke taakverdeling belangrijk. Wanneer jongerenwerkers lessen gaan verzorgen of regels handhaven omdat leraren daarvoor geen tijd hebben, kan hun laagdrempelige en vrijwillige positie tegenover kinderen onder druk komen te staan.

Voor scholen die jongerenwerk inzetten wijzen de onderzoekers op het belang van structureel overleg tussen leraren en jongerenwerkers. Daarbij kan niet alleen worden besproken wat een kind doet, maar ook welke omstandigheden thuis, op school, in de buurt of bij andere activiteiten daarbij een rol spelen.

Bron: Kattenberg, R., De Wild, T., Graas, D., Helderman, J.-K. & Evenboer, E. (2026). Rethinking youth work: exploring the emerging role of youth workers in Dutch primary education, International Journal of Social Pedagogy, 15(1): 15. DOI: https://doi.org/10.14324/111.444.ijsp.2026.v15.x.015

Ontdek meer onderwerpen