De onderzoekers kozen bewust voor verschillende beroepsgroepen. Jongeren die in armoede opgroeien kunnen immers tegelijkertijd ondersteuning nodig hebben bij mentale problemen, schulden, huisvesting, sociale problemen en onderwijs. In het Nederlandse stelsel behoren scholen en ondersteuning rond school volgens de auteurs daarom tot het bredere netwerk van voorzieningen voor jongeren.
Armoede werkt ook door op school
In de achtergrond van hun onderzoek wijzen de auteurs erop dat jongeren die in armoede opgroeien een groter risico hebben op onder meer depressieve klachten, gedragsproblemen en eenzaamheid. Mentale problemen tijdens de adolescentie kunnen vervolgens ook de schoolprestaties schaden.
Armoede kan daarnaast via verschillende wegen ingrijpen op het onderwijs. De auteurs noemen onder meer instabiele huisvesting en lagere verwachtingen van leraren als omstandigheden die samenhangen met armoede. Ook kunnen jongeren minder mogelijkheden hebben om mee te doen aan sport, sociale activiteiten of andere activiteiten buiten school.
In de interviews zelf noemden professionals eveneens signalen die op school zichtbaar kunnen worden. Zij herkenden armoede bijvoorbeeld aan het ontbreken van ontbijt, oude of vieze kleding of het ontbreken van schoolspullen zoals een laptop.
Tegelijkertijd blijkt juist daar een probleem te zitten. Op abstract niveau omschreven de meeste professionals armoede als een complex verschijnsel dat veel verschillende kanten heeft. Zodra zij concrete gevallen uit hun eigen werk beschreven, versmalde dat brede beeld vaak tot een beperkt aantal signalen die aansloten bij hun eigen vakgebied.
Een rustige plek om huiswerk te maken
Het onderzoek laat dat onder meer zien aan de hand van een professional die binnen een school leerlingen met leerproblemen en mentale problemen begeleidde. Zij vertelde dat zij leerlingen en hun ouders nooit naar de financiële situatie thuis vroeg. Dat vond zij niet relevant voor de mentale problemen van de leerling en bovendien buiten haar professionele taak vallen: zij begeleidde de leerling, niet de ouders.
Bij een van haar leerlingen liep die scheiding tussen school en thuissituatie echter vast. Het meisje had vanwege haar leerproblemen een rustige plek nodig om te studeren, maar woonde met haar moeder in een zeer klein huis waar nauwelijks eigen ruimte beschikbaar was.
Pas daardoor werd voor de onderwijsprofessional zichtbaar dat het gezin weinig financiële mogelijkheden had. Zij bleef terughoudend om de leerproblemen rechtstreeks met die financiële situatie in verband te brengen en onderzocht de armoede niet verder. In plaats daarvan regelde zij een praktische oplossing: de leerling kon bij een buurvrouw studeren.
Volgens de onderzoekers past dit voorbeeld in een breder patroon onder de geïnterviewde professionals. Wie armoede niet als relevant voor mentale problemen beschouwde, zag het onderwerp doorgaans ook niet als onderdeel van de eigen professionele verantwoordelijkheid. Financiële problemen kwamen dan vooral in beeld wanneer zij de uitvoering van de eigen begeleiding begonnen te hinderen.
Wat professionals onder armoede verstaan verschilt sterk
Daarbij verschillen professionals sterk in hun ideeën over de oorzaken van armoede. In meer dan de helft van de interviews kwamen verklaringen voor waarin het gedrag of de vaardigheden van mensen zelf centraal stonden. Professionals noemden bijvoorbeeld onvoldoende financiële kennis, verkeerde prioriteiten, moeite met vooruitdenken of onvoldoende vaardigheden om werk te vinden.
In minder dan de helft van de interviews werden structurele oorzaken genoemd, zoals ingewikkelde inkomensregelingen, starre gemeentelijke procedures en ontoegankelijke ondersteuning.
Daarnaast kwamen verklaringen voor waarin ziekte of pech een rol speelde en opvattingen waarin armoede van generatie op generatie wordt doorgegeven. Ook onderwijs kwam daarbij terug. Sommige professionals wezen erop dat kinderen uit arme gezinnen minder kansen op goed onderwijs kunnen hebben, bijvoorbeeld wanneer ouders geen huiswerkbegeleiding kunnen betalen.
Die verschillende verklaringen sluiten elkaar niet uit. Een professional kon bijvoorbeeld erkennen dat het stelsel van toeslagen en ondersteuning moeilijk toegankelijk is, maar tegelijkertijd vinden dat jongeren met de juiste kennis en vaardigheden die barrières zelf zouden moeten kunnen overwinnen.
Mentale problemen en armoede worden vaak los van elkaar gezien
Voor veel professionals was ook het verband tussen armoede en mentale gezondheid moeilijk vast te stellen. Soms hadden zij maar beperkt zicht op de financiële omstandigheden van een jongere. Anderen vonden het niet hun taak om uit te zoeken waar mentale problemen vandaan kwamen.
Ook gezinsproblemen, een scheiding of problemen in de opvoeding werden regelmatig als belangrijker gezien dan armoede. Andere deelnemers benadrukten juist dat zoveel factoren tegelijkertijd een rol spelen dat moeilijk is vast te stellen wat oorzaak en wat gevolg is.
Wanneer professionals wel een duidelijk verband legden, koppelden zij armoede vooral aan stress en aan naar buiten gericht gedrag, zoals criminaliteit of drugsgebruik. Mentale problemen die zich minder zichtbaar uiten, zoals angst, depressie, eenzaamheid en suïcidaliteit, werden veel minder vaak met armoede verbonden.
School is onderdeel van een groter netwerk
Juist voor jongeren in armoede is volgens de auteurs samenwerking tussen verschillende disciplines nodig. Problemen rond geld, huisvesting, mentale gezondheid en onderwijs kunnen met elkaar verweven zijn en vallen meestal niet binnen het werkterrein van één professional of organisatie.
De onderzoekers wijzen erop dat de versnippering van de Nederlandse jeugdhulp daarbij een rol kan spelen. Professionals hebben soms maar beperkt contact met jongeren en richten zich op één specifiek onderdeel van hun problemen, zoals schulden, sociale deelname of schoolgerelateerde problemen. Daardoor kunnen zij volgens de auteurs maar gedeeltelijk zicht krijgen op de bredere gevolgen van armoede.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor leraren en mentoren laat het onderzoek zien dat armoede niet alleen zichtbaar wordt doordat een leerling geen laptop, ontbijt of geld voor activiteiten heeft. Ook omstandigheden die het leren bemoeilijken, zoals onvoldoende ruimte om thuis rustig te werken, kunnen samenhangen met financiële problemen in het gezin.
Voor ondersteuners op school is relevant dat de grenzen van de eigen functie mede bepalen welke problemen worden gezien. Het onderzochte voorbeeld laat zien dat financiële omstandigheden buiten beeld kunnen blijven wanneer een professional zich uitsluitend op leer- of mentale problemen van de leerling richt.
Voor schoolleiders en samenwerkingspartners onderstreept het onderzoek dat ondersteuning rond onderwijs, mentale gezondheid en armoede over verschillende organisaties verdeeld is. Verschillende ideeën over armoede en over de eigen verantwoordelijkheid kunnen samenwerking rond dezelfde jongere bemoeilijken.
Bron: Koopmanschap, I., de Pooter, N., Peeters, M., Kamphuis, C.B.M., Nicolaou, M. & Stevens, G.W.J.M. (2026). Understanding youth professionals’ perceptions of poverty and its link to youth mental health, SSM – Qualitative Research in Health. DOI: https://doi.org/10.1016/j.ssmqr.2026.100845