Primair onderwijs

Fittere kinderen scoren beter op cognitieve vaardigheden die belangrijk zijn op school

Fittere kinderen presteren beter op taken waarbij zij informatie moeten verwerken en een automatische reactie moeten tegenhouden. Dat zijn vaardigheden die ook samenhangen met schoolprestaties. Kinderen uit gezinnen met een hogere sociaaleconomische status waren gemiddeld fitter dan kinderen uit gezinnen met een lagere sociaaleconomische status. Daardoor hing sociaaleconomische achtergrond via fysieke fitheid indirect samen met deze cognitieve vaardigheden. Dat blijkt uit onderzoek van Gerben Vermeulen, Erik Scherder en Jaap Oosterlaan van de Vrije Universiteit Amsterdam en Amsterdam UMC onder 358 basisschoolleerlingen.

Fittere kinderen presteren beter op taken waarbij zij informatie moeten verwerken en een automatische reactie moeten tegenhouden. Dat zijn vaardigheden die ook samenhangen met schoolprestaties. Kinderen uit gezinnen met een hogere sociaaleconomische status waren gemiddeld fitter dan kinderen uit gezinnen met een lagere sociaaleconomische status. Daardoor hing sociaaleconomische achtergrond via fysieke fitheid indirect samen met deze cognitieve vaardigheden. Dat blijkt uit onderzoek van Gerben Vermeulen, Erik Scherder en Jaap Oosterlaan van de Vrije Universiteit Amsterdam en Amsterdam UMC onder 358 basisschoolleerlingen.

Kinderen uit gezinnen met een hogere sociaaleconomische status scoorden daarnaast gemiddeld hoger op intelligentie en op verbaal en visueel-ruimtelijk werkgeheugen. Die verschillen werden echter niet verklaard door fysieke fitheid. Voor drie onderzochte vormen van aandacht vonden de onderzoekers geen verschillen naar sociaaleconomische achtergrond.

Bewegen als mogelijke schakel

De onderzoekers wilden weten of verschillen in fysieke activiteit een rol spelen in de samenhang tussen sociaaleconomische achtergrond en cognitieve prestaties van kinderen. Eerder onderzoek heeft zowel sociaaleconomische status als lichaamsbeweging afzonderlijk in verband gebracht met cognitief functioneren. Veel minder duidelijk was of beweging ook een schakel vormt tussen beide.

Aan het onderzoek deden 358 kinderen van 8 tot 12 jaar mee, afkomstig van elf reguliere basisscholen in de regio Amsterdam. De scholen waren zo gekozen dat kinderen uit uiteenlopende sociaaleconomische milieus deelnamen.

Voor het bepalen van de sociaaleconomische status gebruikten de onderzoekers gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek over het jaarlijkse huishoudinkomen. Daarbij werd rekening gehouden met de grootte en samenstelling van het huishouden.

De kinderen maakten vervolgens verschillende opdrachten waarmee onder meer intelligentie, werkgeheugen, aandacht, snelheid van informatieverwerking en het vermogen om een reactie te onderdrukken werden gemeten.

Bij een van die taken moesten kinderen bijvoorbeeld zo snel mogelijk reageren op een afbeelding van een vliegtuig dat naar links of rechts wees. Op sommige momenten verscheen daarna een stopsignaal en moesten zij de reactie die zij al wilden geven juist onderdrukken.

Conditie gemeten met piepjestest

De onderzoekers registreerden niet rechtstreeks hoeveel de kinderen dagelijks bewogen. In plaats daarvan maten zij hun conditie met de bekende twintigmeter-shuttlerun, of piepjestest. Daarbij rennen kinderen steeds heen en weer over een afstand van twintig meter, terwijl het tempo geleidelijk wordt opgevoerd.

De conditie die daaruit naar voren komt, geldt volgens de onderzoekers als een bruikbare aanwijzing voor hoeveel een kind in de voorafgaande periode gewoonlijk heeft bewogen. Wel merken zij op dat conditie niet uitsluitend door lichaamsbeweging wordt bepaald. Ook andere factoren, waaronder erfelijke aanleg, spelen een rol.

Kinderen uit gezinnen met een hogere sociaaleconomische status bleken gemiddeld fitter. Fittere kinderen deden het vervolgens beter op het onderdeel waarin het onderdrukken van reacties en het verwerken van informatie samenkwamen.

Geen verklaring voor verschil in IQ

Voor intelligentie en werkgeheugen zag het beeld er anders uit. Kinderen uit gezinnen met een hogere sociaaleconomische status hadden gemiddeld een hogere intelligentiescore en presteerden beter op verbaal en visueel-ruimtelijk werkgeheugen.

Fysieke fitheid verklaarde deze verschillen niet. Hoewel kinderen uit gezinnen met een hogere sociaaleconomische status gemiddeld fitter waren, hing die betere conditie niet samen met hun hogere intelligentiescore of betere werkgeheugen.

Ook bij aandacht vonden de onderzoekers geen aanwijzing voor zo’n verband. Zij onderzochten onder meer hoe nauwkeurig en hoe snel kinderen hun aandacht konden richten en hoe goed zij afleidende informatie konden negeren. Op die onderdelen vonden zij geen verschil tussen kinderen met een hogere en lagere sociaaleconomische achtergrond.

Juist bij remmen van reacties wel verschil

Opvallend was dat sociaaleconomische status op zichzelf niet samenhing met het onderdeel waarin informatieverwerking en het onderdrukken van reacties werden gemeten. Toch bleek fysieke fitheid daar wel een rol te spelen.

Kinderen uit gezinnen met een hogere sociaaleconomische status waren gemiddeld fitter, en fittere kinderen presteerden beter op deze taken. Daardoor ontstond een indirect verband tussen sociaaleconomische achtergrond en deze cognitieve vaardigheden.

De onderzoekers benadrukken dat dit niet betekent dat een hogere sociaaleconomische status rechtstreeks leidt tot betere prestaties op deze taken. Evenmin kan uit het onderzoek worden geconcludeerd dat meer bewegen automatisch tot betere cognitieve prestaties leidt.

Het onderzoek is namelijk op één moment uitgevoerd. Daardoor is alleen vast te stellen dat bepaalde kenmerken met elkaar samenhangen, niet wat oorzaak en gevolg is.

Betekenis voor schoolprestaties

De onderwijsrelevantie zit volgens de onderzoekers vooral bij het vermogen om een reactie te onderdrukken en informatie te verwerken. Zulke cognitieve vaardigheden hangen volgens eerder onderzoek samen met schoolprestaties.

De auteurs schrijven daarom dat meer bewegen mogelijk gunstig kan zijn voor kinderen uit lagere sociaaleconomische milieus, juist omdat hun mogelijkheden om te bewegen volgens eerder onderzoek gemiddeld beperkter kunnen zijn. Zij noemen onder meer financiële beperkingen, minder ondersteuning van ouders en een minder veilige woonomgeving als mogelijke redenen waarom deelname aan georganiseerde sport en andere vormen van beweging ongelijk verdeeld kan zijn.

Tegelijk blijft voorzichtigheid nodig. In dit onderzoek is niet getest of kinderen daadwerkelijk beter gaan presteren wanneer zij meer gaan bewegen. Daarvoor is vervolgonderzoek nodig waarbij kinderen gedurende langere tijd worden gevolgd of waarbij de hoeveelheid beweging gericht wordt veranderd.

Ook is fysieke activiteit niet rechtstreeks gemeten, maar afgeleid uit conditie. Bovendien deden alleen kinderen uit twee leerjaren mee en waren kinderen uit de laagste sociaaleconomische groepen enigszins ondervertegenwoordigd. Het onderzoek werd gefinancierd door de gemeente Amsterdam.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor basisscholen is vooral relevant dat fittere kinderen beter presteerden op taken waarbij zij informatie moesten verwerken en een reactie moesten tegenhouden. Juist deze vaardigheden hangen volgens de onderzoekers samen met schoolprestaties.

Voor leraren en vakleerkrachten bewegingsonderwijs laat het onderzoek niet zien dat meer bewegen automatisch leidt tot betere leerprestaties. Het laat wel zien dat fysieke fitheid samenhangt met bepaalde cognitieve vaardigheden die tijdens het leren een rol spelen.

Voor scholen met veel leerlingen uit lagere sociaaleconomische milieus is relevant dat deze kinderen gemiddeld minder fit waren, terwijl betere fitheid samenhing met betere prestaties op informatieverwerking en het afremmen van reacties. Of extra beweging deze verschillen daadwerkelijk kan verkleinen, moet nog experimenteel worden onderzocht.

Bron: Vermeulen, G.T., Scherder, E.J.A. & Oosterlaan, J. (2026). The mediating role of physical activity in the association between socioeconomic status and cognitive functioning in children aged 8–12 years, International Journal of Sport and Exercise Psychology. DOI: https://doi.org/10.1080/1612197X.2026.2701834

Ontdek meer onderwerpen