De onderzoekers wilden weten hoe Nederlandse basisschoolleerlingen hun relatie met dieren uit hun eigen omgeving beschrijven, en welke mogelijkheden zij op het schoolplein hebben om zulke dieren daadwerkelijk tegen te komen. De aanleiding ligt in een bredere onderwijsopgave. Internationale beleidskaders voor duurzame ontwikkeling wijzen scholen een belangrijke rol toe bij het verbinden van kinderen met natuur. Tegelijkertijd hebben kinderen steeds minder directe ervaringen met lokale wilde dieren in schoolse omgevingen. Dieren leren zij vaak kennen via prentenboeken, speelgoed en media, terwijl een eigen ervaring met het dier ontbreekt.
Volgens de onderzoekers is dat niet vanzelfsprekend. Ook kinderen in stedelijke gebieden delen hun leefomgeving met vogels, insecten en andere dieren. Juist zulke lokale dieren kunnen kinderen helpen ervaren dat zij deel uitmaken van een groter ecosysteem. Leraren kunnen daarin een rol spelen, maar dan moeten zij eerst beter begrijpen welke relaties kinderen al met dieren hebben en welke kansen het schoolplein biedt om die relaties te verdiepen.
Pabo-studenten van Hogeschool Leiden
Voor het onderzoek werden 110 Nederlandse kinderen betrokken, van vijf tot en met elf jaar oud. Hun gemiddelde leeftijd was 8,3 jaar. De gegevens werden in oktober en november 2023 verzameld door eerstejaars pabo-studenten van Hogeschool Leiden tijdens hun stage op basisscholen in 45 gemeenten in het dichtbevolkte westen van Nederland. De schoolomgevingen varieerden van kleine plaatsen tot grote steden.
De studenten voerden semigestructureerde interviews op het schoolplein. Kinderen kregen eerst de vraag welke dieren in hun buurt leven. Daarna werd gevraagd welk dier zij het liefst tegenkomen, hoe dat dier eruitziet, waar zij het ontmoeten, wat er dan gebeurt en hoe zij zich daarbij voelen. Vervolgens kregen de kinderen de opdracht om op dat moment op het schoolplein een dier te zoeken. De student noteerde waar het kind zocht, welke strategieën het gebruikte en welk dier eventueel werd gevonden. De interviews werden letterlijk uitgeschreven en samen met de observaties geanalyseerd.
Kinderen noemen vooral positieve gevoelens
Uit de interviews blijkt dat kinderen vooral gewervelde dieren noemen als favoriet dier, en daarbinnen vooral zoogdieren. Katten en honden worden het vaakst genoemd. De beschrijvingen van ontmoetingen met die dieren zijn levendig en vaak emotioneel. Kinderen noemen vooral positieve gevoelens, zoals blijdschap, plezier, fascinatie, ontspanning en geruststelling. Ze gebruiken woorden als lief, schattig, grappig, gezellig en indrukwekkend.
Dat betekent niet dat alle ervaringen uitsluitend positief zijn. Sommige kinderen noemen ook angst of spanning, bijvoorbeeld omdat een dier zou kunnen krabben, bijten of steken. Ook ergernis komt voor, bijvoorbeeld wanneer een dier het spel van een kind verstoort. Opvallend is dat kinderen ontmoetingen soms tegelijk spannend en aantrekkelijk vinden. Een dier kan eng zijn en toch interessant blijven.
In de meeste beschrijvingen is sprake van lichamelijk contact. In 90 procent van de gevallen vertellen kinderen dat zij het dier aaien, knuffelen, voeren, optillen of ermee spelen. Wanneer geen lichamelijk contact wordt genoemd, beschrijven kinderen vaak hoe zij het dier observeren en gefascineerd zijn door wat het kan of hoe het zich gedraagt.
Drie typen relaties tussen kinderen en hun favoriete dier
De onderzoekers onderscheiden drie typen relaties tussen kinderen en hun favoriete dier. De eerste noemen zij ‘geboeid door superkrachten’. Kinderen zijn dan vooral gefascineerd door bijzondere eigenschappen van een dier, zoals vliegen, zwemmen, snelheid, kracht, schoonheid, zachtheid of een opvallend uiterlijk. Een dier is bijzonder omdat het iets kan wat een kind zelf niet kan.
Het tweede type is ‘vriendschap’. Kinderen beschrijven het dier dan als vriend, speelkameraad of maatje. Ze ervaren nabijheid en verbondenheid. Een kind vertelde over een pad: “Hij sprong een beetje, maar hij sprong omdat hij denkt dat ik lief ben en niet omdat hij bang was. Ik voel me dan een beetje rustig en een beetje alsof ik vrienden ben met de pad.”
Het derde type is ‘wederzijdse afhankelijkheid’. Daarbij beschrijven kinderen hoe zij rekening houden met de behoeften of gevoelens van het dier, en hoe het dier ook iets voor hen betekent. Ze zorgen voor het dier, laten het met rust als het bang is of denken dat het dier hen helpt. In deze beschrijvingen is de relatie niet eenzijdig: kind en dier reageren op elkaar.
Groeven met een takje
Op het schoolplein bleek het vinden van dieren voor veel kinderen lastig. Kinderen zochten vooral op plekken waar natuur aanwezig was, zoals aarde, struiken, bomen of de lucht. In totaal werden 215 zoekbezoeken aan zulke plekken genoteerd, tegenover 73 zoekbezoeken aan kunstmatige plekken, zoals speeltoestellen, hekken of bankjes. De gebruikte strategieën waren volgens de onderzoekers inhoudelijk passend. Kinderen gingen naar plekken waarvan zij wisten dat daar dieren konden zitten, keken in bomen, zochten onder stenen of bladeren, veegden met hun voet over de aarde of groeven met een takje.
Toch moest 55 procent van de kinderen meer dan één zoekstrategie gebruiken om een dier te vinden. Een kwart van de leerlingen vond helemaal geen dier. De dieren die wél werden gevonden, waren vooral insecten. Mieren kwamen het vaakst voor.
Daarmee ontstaat een duidelijk verschil tussen de dieren waarmee kinderen de sterkste relaties beschrijven en de dieren die zij op school daadwerkelijk tegenkomen. De favoriete dieren van kinderen zijn meestal zoogdieren, vooral huisdieren. Op het schoolplein vinden zij vooral insecten en andere kleine ongewervelden. Die dieren spelen in de interviews veel minder vaak de hoofdrol als lievelingsdier.
Beter kijken naar welke dieren kunnen leven op het schoolplein
Volgens de onderzoekers laten de resultaten zien dat schoolpleinen in hun huidige vorm niet vanzelfsprekend bijdragen aan het versterken of verdiepen van bestaande kind-dierrelaties. Dat betekent niet dat schoolpleinen daarvoor ongeschikt zijn, maar wel dat leraren en schoolleiders bewuster kunnen kijken naar de inrichting van het plein en naar de dieren die daar kunnen leven.
De onderzoekers doen daarvoor verschillende aanbevelingen. Leraren kunnen de drie gevonden relatietypen gebruiken bij het kiezen van lesonderwerpen, boeken, illustraties, verhalen en creatieve opdrachten. Een kind dat vooral gefascineerd is door wat dieren kunnen, kan via die verwondering verder leren over andere soorten. Een kind dat dieren als vriend ziet, kan via die ervaring nadenken over zorg, nabijheid en verantwoordelijkheid. Een kind dat wederzijdse afhankelijkheid beschrijft, kan worden geholpen om die gedachte breder te verbinden met natuur en ecosystemen.
Daarnaast kunnen scholen het schoolplein zo inrichten dat meer dieren er een leefplek vinden. Ook kunnen leraren kinderen helpen gerichter te zoeken naar dieren die op hun eigen schoolplein voorkomen. De dieren die kinderen al kennen en waarderen, kunnen volgens de onderzoekers een ingang vormen om hun belangstelling uit te breiden naar insecten en andere dieren die in de schoolomgeving wél aanwezig zijn.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor leraren in het basisonderwijs laat dit onderzoek zien dat kinderen al betekenisvolle relaties met dieren hebben. Die relaties kunnen een ingang zijn voor lessen over natuur, dieren en duurzaamheid, mits leraren aansluiten bij wat kinderen zelf ervaren: verwondering over bijzondere eigenschappen, vriendschap met dieren en het idee dat mens en dier op elkaar reageren.
Voor scholen die werken aan natuur-inclusief onderwijs maken de resultaten duidelijk dat het schoolplein een belangrijke, maar niet vanzelfsprekende leeromgeving is. Veel kinderen vinden daar moeilijk dieren, ook wanneer zij passende zoekstrategieën gebruiken. Een groener en diervriendelijker ingericht plein kan meer directe ontmoetingen met dieren mogelijk maken.
Voor curriculumontwikkelaars en schoolteams biedt het onderzoek een aanknopingspunt om bekende lievelingsdieren van kinderen te verbinden met minder geliefde of minder zichtbare dieren, zoals insecten en andere ongewervelden. Zo kan de bestaande belangstelling van kinderen worden gebruikt om hun aandacht voor lokale biodiversiteit geleidelijk te verbreden.
Bron: Peters, E., Ottenheim, M., Hovinga, D., Konstantakou, E.M. & Hooykaas, M.J.D. (2026). ‘The toad jumps because he thinks I am lovely’: children’s relatedness with local animals and opportunities for animal interaction in the school yard, Journal of Adventure Education and Outdoor Learning. DOI: https://doi.org/10.1080/14729679.2026.2680676