De onderzoeker van de Rijksuniversiteit Groningen bespreekt drie opvallende verhalen die daarvoor als lesmateriaal kunnen dienen. Het gaat om wetenschappers die tijdens een hongersnood een verzameling zaden beschermden, een arts die een vrouw met hiv kuste om een hardnekkig misverstand te bestrijden en onderzoekers die zich verzetten tegen de winning van lithium in een Chileense zoutvlakte.
Volgens Torres-Olave laten deze voorbeelden zien dat betrokkenheid bij mensen, natuur en toekomstige generaties niet tegenover zorgvuldig wetenschappelijk werk hoeft te staan. Liefde voor de wereld kan juist een reden zijn om goed te kijken, bestaande aannames ter discussie te stellen en kennis niet los te zien van de gevolgen ervan.
In haar artikel richt zij zich op het onderwijs over wetenschap, van basisschool tot universiteit. Docenten zouden leerlingen volgens haar niet alleen moeten leren wat wetenschappers hebben ontdekt, maar ook welke keuzes zij maakten, welke belangen meespeelden en wat hun werk in de wereld teweegbracht.
De mythe van de afstandelijke wetenschapper
Torres-Olave verzet zich tegen het beeld dat wetenschap alleen betrouwbaar kan zijn wanneer wetenschappers emotieloos, neutraal en op afstand blijven. Zij bedoelt daarmee niet dat gevoelens belangrijker moeten worden dan bewijs of nauwkeurigheid. Haar punt is dat wetenschap altijd wordt beoefend door mensen die bepalen welke vragen zij stellen, waar zij hun aandacht op richten en welke gevolgen zij wel of niet belangrijk vinden.
In het onderwijs wordt wetenschap volgens haar nog vaak verteld als een rechte lijn van ontdekking naar vooruitgang. Daarbij blijft geregeld buiten beeld dat wetenschappelijke kennis ook verweven is geweest met kolonialisme, racisme, uitbuiting en commerciële belangen.
Dat kan volgens de auteur het vertrouwen schaden van leerlingen en studenten die weten dat wetenschappelijke instellingen niet altijd in het belang van iedereen hebben gehandeld. Wanneer onderwijs die geschiedenis weglaat, ontstaat een te eenvoudig beeld van wetenschap als een vanzelfsprekend goede en neutrale kracht.
Torres-Olave sluit aan bij de Franse filosofe Simone Weil. Zij zag aandacht als een vorm van liefde: de bereidheid om het eigen belang tijdelijk opzij te zetten en werkelijk te kijken naar wat anderen en de wereld nodig hebben. Voor wetenschapsonderwijs betekent dit volgens Torres-Olave dat leerlingen niet alleen leren een probleem technisch op te lossen, maar ook leren vragen voor wie die oplossing bedoeld is en welke nieuwe problemen zij kan veroorzaken.
Wetenschappers stierven tussen het voedsel
Het eerste verhaal speelt zich af tijdens het beleg van Leningrad in de Tweede Wereldoorlog. Wetenschappers van het Vavilov Instituut voor Plantenteelt bewaakten daar een van de grootste verzamelingen zaden en ander plantmateriaal ter wereld.
Terwijl in de stad een verwoestende hongersnood heerste, weigerden de onderzoekers de verzameling op te eten. Sommigen stierven van de honger tussen zakken rijst, graan en aardappelen. Zij vonden dat de zaden na de oorlog nodig zouden zijn om de landbouw opnieuw op te bouwen.
Nikolai Ivanov, die het instituut tijdens het beleg leidde, herinnerde zijn collega’s eraan dat het land het plantmateriaal later harder nodig zou hebben dan ooit. Vadim Lekhnovich, die een aardappelverzameling bewaakte, vertelde achteraf dat mensen tijdens het beleg niet alleen stierven door granaten en honger, maar ook doordat hun bestaan ieder doel verloor. Het beschermen van de verzameling gaf de wetenschappers volgens hem een reden om door te gaan.
De bewaarde planten bleken later ook wetenschappelijk waardevol. Onderzoek naar het genetische materiaal leverde kennis op die van belang is voor voedselzekerheid en voor het kweken van gewassen die beter tegen moeilijke omstandigheden bestand zijn.
Voor Torres-Olave laat dit voorbeeld zien dat wetenschappelijk werk gericht kan zijn op mensen en levensvormen die de onderzoekers zelf nooit zullen ontmoeten.
Een kus tegen de angst voor hiv
Het tweede voorbeeld komt uit de aidsepidemie. Mensen met hiv kregen destijds niet alleen met ziekte te maken, maar ook met angst, uitsluiting en onjuiste verhalen over besmetting.
Tijdens een conferentie in het Italiaanse Cagliari stapte immunoloog Fernando Aiuti in 1991 van het podium. Hij kuste Rosaria Iardino, een vrouw met hiv. De boodschap was duidelijk: hiv wordt niet overgedragen via speeksel.
Aiuti en Iardino hadden de kus de avond tevoren gepland. Iardino vertelde later dat woorden en wetenschappelijke artikelen op dat moment niet meer voldoende leken. Een foto van de kus ging de wereld over.
Volgens Torres-Olave bracht Aiuti wetenschappelijke kennis daarmee letterlijk in praktijk. Hij vertelde niet alleen dat lichamelijk contact veilig was, maar liet het ook zien. Zijn handelen was volgens haar geen vervanging van wetenschappelijk bewijs, maar een manier om dat bewijs begrijpelijk en overtuigend over te brengen in een samenleving waarin mensen met hiv als gevaarlijk werden behandeld.
Is pekel gewoon water?
De derde casus speelt zich af in de zoutvlaktes van de Atacamawoestijn in het noorden van Chili. Het gebied oogt droog en leeg, maar microbiologe Cristina Dorador laat al jaren zien dat er veel leven voorkomt. In het pekelwater leven micro-organismen en kleine kreeftachtigen, waarvan flamingo’s afhankelijk zijn. Ook inheemse Lickanantay-gemeenschappen zijn al generaties met de aanwezige waterbronnen verbonden.
Onder de zoutkorst bevindt zich een zeer grote hoeveelheid lithium. Dat metaal is onder meer nodig voor accu’s. Mijnbouwbedrijven pompen pekel uit de bodem om het lithium te winnen.
Scheikundig ingenieur Ingrid Garcés Millas spreekt daarom over ‘watermijnbouw’. Overheid en industrie behandelen de pekel echter niet als water, maar als een mineraal. Daarmee gaat het conflict niet alleen over metingen, maar ook over taal en indeling: wat noemen we water, wie mag dat bepalen en welke gevolgen heeft die keuze?
In een samenwerkingsverband werken wetenschappers, inheemse vertegenwoordigers en milieuactivisten samen. Zij proberen plaats te bieden aan zowel wetenschappelijke kennis als de kennis van mensen die al generaties in het gebied leven. De ene kennisvorm moet daarbij niet door de andere worden ingelijfd.
Voor in de klas is juist die botsing tussen definities bruikbaar. Een wetenschappelijke indeling lijkt misschien zuiver technisch, maar kan grote gevolgen hebben voor een landschap en de mensen die daarvan afhankelijk zijn.
Niet vertellen wie de held is
Torres-Olave wil niet dat docenten de drie verhalen gebruiken om leerlingen voor te schrijven wie goed of fout handelde. Ook moeten de wetenschappers volgens haar niet als onaantastbare helden worden opgevoerd.
De verhalen kunnen leerlingen wel helpen om langer stil te staan bij vragen waarop geen eenvoudig antwoord bestaat. Welke problemen zou wetenschap moeten proberen op te lossen? Voor wie wordt kennis ontwikkeld? Welke gevolgen van een uitvinding of onderzoek tellen mee? En wanneer moet een wetenschapper een opdracht, indeling of werkwijze ter discussie stellen?
Daarbij gaat het volgens de auteur niet alleen om het aanleren van een mening. Aandachtig kijken, niet te snel een antwoord geven en ruimte laten voor verschillende ervaringen horen voor haar bij zorgvuldig denken.
Wetenschapsonderwijs hoeft daardoor niet minder precies te worden. Torres-Olave pleit er juist voor om nauwkeurigheid te verbinden met verantwoordelijkheid. Leerlingen leren dan niet alleen hoe kennis tot stand komt, maar ook dat de toepassing ervan nooit volledig losstaat van de wereld waarin zij leven.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor docenten op de basisschool bieden de drie verhalen een manier om lessen over natuur, techniek en wetenschap te verbinden met vragen over verantwoordelijkheid. Leerlingen kunnen bespreken waarom de wetenschappers de zaden bewaarden, waarom een arts iemand met hiv kuste en waarom het verschil tussen water en een mineraal belangrijk kan zijn.
Voor docenten in het voortgezet onderwijs kunnen de casussen worden gebruikt zonder dat de docent vooraf het juiste antwoord geeft. Bij biologie, scheikunde en aardrijkskunde ligt de inhoudelijke aansluiting voor de hand, maar ook bij geschiedenis, Nederlands en burgerschap kunnen leerlingen onderzoeken hoe taal, bewijs, macht en verantwoordelijkheid met elkaar samenhangen.
Voor scholen en vaksecties is de centrale vraag welke verhalen over wetenschap leerlingen te zien krijgen. Naast bekende ontdekkingen en uitvindingen kunnen ook situaties worden behandeld waarin wetenschappers moesten kiezen hoe zij hun kennis gebruikten en voor welke mensen, levensvormen of toekomstige generaties zij verantwoordelijkheid namen.
Bron: Torres-Olave, B. (2026). The madness of love as fugitive pedagogy for science education, Pedagogy, Culture & Society. DOI: https://doi.org/10.1080/14681366.2026.2713021