Taalmenging bij kinderen roept bij ouders en begeleiders geregeld vragen op. Wanneer kinderen woorden of zinsdelen uit twee talen combineren, kan de indruk ontstaan dat zij de talen door elkaar halen of moeite hebben met hun taalontwikkeling. Eerder onderzoek laat echter zien dat taalmenging bij tweetalige kinderen meestal niet willekeurig verloopt. Kinderen houden doorgaans rekening met grammaticale regels uit beide talen. Taalmenging wordt in de literatuur daarom niet gezien als een teken van verwarring, maar als taalgebruik dat mede steunt op grammaticale kennis.
Ook in de politiek vragen over meertaligheid in de klas
De politieke gevoeligheid bleek afgelopen najaar ook uit schriftelijke vragen van NSC-Kamerleden Rosanne Hertzberger en Nicolien van Vroonhoven over het Onderwijsraadadvies Talige diversiteit benutten. Zij vroegen of er voldoende wetenschappelijke basis is voor het benutten van meertaligheid in het onderwijs en of zulke aanpakken “bewezen effectief” zijn. Toenmalig staatssecretaris Koen Becking verwees in zijn antwoord naar onderzoek over de verbondenheid tussen talen in het brein, het belang van waardering voor de thuistaal en het ontbreken van negatieve effecten van afwisselend taalgebruik op ontwikkeling en leerprestaties.
Tegelijk bestond in de taalwetenschap de verwachting dat het combineren van twee grammaticasystemen extra inspanning kan vragen. Als twee talen dezelfde woordvolgorde gebruiken, zou het mengen van die talen mogelijk makkelijker zijn. De Utrechtse onderzoekers wilden daarom weten of jonge meertalige kinderen meer fouten maken bij taalgemengde zinnen, of gedeelde woordvolgorde daarbij helpt, of het soort taalmenging verschil maakt en of de prestaties samenhangen met de mate waarin kinderen in het dagelijks leven met taalmenging te maken hebben.
Vier tot zeven jaar
Aan het onderzoek deden 57 kinderen mee van vier tot zeven jaar oud. Zij groeiden op in Engels-Nederlandse, Pools-Nederlandse of Turks-Nederlandse gezinnen. Die drie taalgroepen zijn gekozen omdat zij verschillen in woordvolgorde ten opzichte van het Nederlands. In Nederlandse hoofdzinnen staat het werkwoord vroeg in de zin, terwijl het werkwoord in bijzinnen naar achteren schuift. Engels en Pools volgen in de onderzochte zinstypen de volgorde onderwerp, werkwoord, object. Turks gebruikt juist de volgorde onderwerp, object, werkwoord. Daardoor overlapt de woordvolgorde van deze talen met het Nederlands afhankelijk van het zinstype.
De kinderen kregen een herhaaltaak. Zij hoorden twintig zinnen en moesten die zo precies mogelijk nazeggen. Een deel van de zinnen was volledig Nederlands, een ander deel was taalgemengd. In de gemengde zinnen werd vanuit het Nederlands geschakeld naar het Engels, Pools of Turks. Die wisseling vond plaats in de hoofdzin of in de bijzin. Daarnaast maakten de onderzoekers onderscheid tussen twee vormen van taalmenging. Bij insertie werd één woord uit een andere taal ingevoegd in een verder Nederlandse zin. Bij alternatie werd een groter zinsdeel in de andere taal uitgesproken.
Onderzoekers noteerden vervolgens hoeveel fouten de kinderen per zin maakten
De zinnen werden vooraf opgenomen door moedertaalsprekers en via een koptelefoon aangeboden. Onderzoekers noteerden vervolgens hoeveel fouten de kinderen per zin maakten. Daarbij ging het bijvoorbeeld om woorden die werden weggelaten of vervangen. Die foutenaantallen zijn statistisch geanalyseerd.
Uit de analyses kwam geen significant verschil naar voren tussen eentalige en taalgemengde zinnen. De kinderen maakten gemiddeld iets meer fouten bij gemengde zinnen dan bij volledig Nederlandse zinnen, maar dat verschil was statistisch niet significant. De onderzoekers vonden daarmee geen bewijs dat het herhalen van taalgemengde zinnen voor deze kinderen aantoonbaar moeilijker was dan het herhalen van eentalige zinnen.
De kinderen maakten niet minder fouten wanneer de taalwisseling plaatsvond
Ook de gedeelde woordvolgorde speelde in dit onderzoek geen aantoonbare rol. De kinderen maakten niet minder fouten wanneer de taalwisseling plaatsvond op een punt waar de woordvolgorde van beide talen overeenkwam. Daarmee vonden de onderzoekers geen ondersteuning voor de verwachting dat overlap in woordvolgorde het herhalen van taalgemengde zinnen vergemakkelijkt.
Het type taalmenging maakte evenmin significant verschil. Kinderen maakten niet aantoonbaar meer of minder fouten bij zinnen waarin één woord uit een andere taal was ingevoegd dan bij zinnen waarin een groter zinsdeel in de andere taal stond. Ook vonden de onderzoekers geen verband tussen de prestaties op de taak en de mate waarin kinderen volgens hun ouders in het dagelijks leven met taalmenging in aanraking komen.
Wel vonden de onderzoekers één onverwacht patroon. Kinderen maakten meer fouten in gemengde hoofdzinnen dan in gemengde bijzinnen. Dat effect was sterker bij de kinderen met Engels of Pools als andere taal naast het Nederlands. De onderzoekers noemen als mogelijke verklaring bekende geheugeneffecten bij directe herhaling. Informatie aan het einde van een zin wordt vaak beter onthouden dan informatie in het midden. Omdat de taalwisseling in bijzinnen later in de zin stond, kan die positie de herhaling hebben vergemakkelijkt.
De studie gebruikte een specifieke herhaaltaak
De onderzoekers concluderen dat zij in deze studie geen bewijs vinden voor extra verwerkings- of productiekosten bij taalmenging onder vier- tot zevenjarige tweetalige kinderen. Die conclusie geldt wel binnen de omstandigheden van dit onderzoek. De studie gebruikte een specifieke herhaaltaak, met wisselingen vanuit het Nederlands naar de andere taal. In het dagelijks leven mengen kinderen volgens eerder onderzoek juist vaak in de omgekeerde richting, van de minderheidstaal naar de meerderheidstaal. Dat kan betekenen dat de taak niet volledig overeenkomt met het taalgebruik van kinderen buiten de onderzoekssetting.
Ook wijzen de onderzoekers op de omvang van de steekproef. Vooral de afzonderlijke taalgroepen waren relatief klein. Daarnaast kan het tellen van fouten bij het nazeggen van zinnen een te grove maat zijn om subtiele verschillen in verwerking zichtbaar te maken. Andere onderzoeksmethoden, bijvoorbeeld met reactietijden, oogbewegingen of andere gevoeligere maten, kunnen mogelijk verschillen laten zien die in deze taak niet naar voren kwamen.
Volgens de auteurs biedt de studie daarmee vooral een eerste experimentele aanwijzing dat grammaticale beperkingen bij taalmenging mogelijk een kleinere rol spelen dan sommige theorieën voorspellen. Het onderzoek laat niet zien dat taalmenging probleemloos is in alle situaties, maar wel dat jonge meertalige kinderen in deze taak niet aantoonbaar slechter presteerden wanneer zij gemengde zinnen moesten herhalen. Dat is relevant voor het beeld van taalmenging bij jonge kinderen. Het gebruik van twee talen binnen één zin hoeft op basis van deze studie niet te worden gezien als een teken dat kinderen hun talen door elkaar halen of dat hun taalontwikkeling verstoord verloopt.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor ouders van meertalige kinderen laat dit onderzoek zien dat taalmenging niet automatisch hoeft te wijzen op verwarring of een verstoorde taalontwikkeling. De kinderen in deze studie maakten bij het herhalen van taalgemengde zinnen niet aantoonbaar meer fouten dan bij volledig Nederlandse zinnen.
Voor pedagogisch medewerkers en leerkrachten is vooral relevant dat het mengen van talen binnen één zin in deze taak geen duidelijke extra moeilijkheid opleverde. Het onderzoek ondersteunt daarmee een voorzichtige omgang met zorgen over taalmenging: het verschijnsel kan onderdeel zijn van normale meertalige ontwikkeling.
Voor scholen en beleidsmakers sluit het onderzoek aan bij een bredere discussie over meertaligheid in het onderwijs. Die kwam afgelopen najaar ook terug in schriftelijke vragen van NSC-Kamerleden Rosanne Hertzberger en Nicolien van Vroonhoven over het Onderwijsraadadvies Talige diversiteit benutten. Zij vroegen of er voldoende wetenschappelijke basis is voor het benutten van meertaligheid en of zulke aanpakken “bewezen effectief” zijn.
Voor taalprofessionals onderstreept de studie dat vervolgonderzoek nodig blijft. De onderzoekers wijzen erop dat alleen wisselingen van Nederlands naar de andere taal zijn onderzocht, dat de steekproef relatief klein was en dat foutenaantallen mogelijk niet gevoelig genoeg zijn om subtiele verwerkingsverschillen zichtbaar te maken.
Bron: Snijders, V., Oudgenoeg-Paz, O., van Witteloostuijn, M. & Blom, E. (2026). Effects of Shared Word Order on Intrasentential Language Mixing in English-Dutch, Polish-Dutch, and Turkish-Dutch Bilingual Children, Behavioral Sciences, 16(6), 839. DOI: https://doi.org/10.3390/bs16060839