Onderwijsonderzoekers richten zich steeds vaker op het vervolgonderwijs en steeds minder op arbeidsintensieve studies waarin zij een interventie onderzoeken. Dat blijkt uit een analyse van internationale conferentiebijdragen tussen 2010 en 2024 door Izaak Dekker, Efthimia Smixioti en Martijn Meeter. De onderzoekers zien daarin aanleiding voor een ongemakkelijke vraag aan hun eigen vakgebied: bestudeert onderwijsonderzoek vooral wat relevant is voor de onderwijspraktijk, of ook wat voor onderzoekers het makkelijkst te organiseren is?
Dekker, verbonden aan de Hogeschool van Amsterdam, en Smixioti en Meeter, verbonden aan de Vrije Universiteit Amsterdam, analyseerden samenvattingen van grote onderwijsconferenties in Noord-Amerika, Europa en Azië. Hun studie verscheen in het European Educational Research Journal. Het onderzoek gaat dus niet specifiek over Nederland, maar over internationale trends in onderwijsonderzoek. Juist daardoor laat het zien welke thema’s, methoden en onderwijsniveaus in het internationale onderzoeksveld meer of minder aandacht krijgen.
De onderzoekers wilden een breder beeld geven dan eerdere studies. Die keken vaak naar één land, één deelgebied, onderwijspsychologie of artikelen in toonaangevende tijdschriften. Daarom combineren Dekker, Smixioti en Meeter twee benaderingen. Voor de inhoudelijke trends analyseerden zij 28.000 abstracts van de Amerikaanse AERA-conferentie en de Europese ECER-conferentie tussen 2010 en 2024. Voor de ontwikkeling van onderzoeksmethoden codeerden zij handmatig 3342 abstracts van vijf conferenties in Amerika, Azië en Europa, voor de jaren 2013, 2018 en 2023.
Minder onderzoek waarin onderzoekers zelf ingrijpen
Een belangrijk onderscheid in de studie is dat tussen interventieonderzoek en observationeel onderzoek. De onderzoekers gebruikten daarvoor een vooraf vastgesteld codeerschema. Een studie telde als interventiestudie wanneer onderzoekers, afgezien van design research, een onafhankelijke variabele manipuleerden. Daaronder vielen gerandomiseerde experimenten, quasi-experimenten met een controlegroep en pre-poststudies met één groep. De auteurs namen het begrip breed: ook mixed-method action research en andere vormen van evaluatie konden als interventieonderzoek worden gecodeerd, zolang er sprake was van een onderzochte ingreep.
Observationeel onderzoek vormde in hun schema een aparte hoofdcategorie. Die werd onderverdeeld in kwalitatief observationeel onderzoek, kwantitatief observationeel onderzoek, observationeel onderzoek met gemengde methoden en design research. Het verschil draait dus niet simpelweg om kwalitatief tegenover kwantitatief, maar om de vraag of onderzoekers een ingreep onderzoeken waarbij zij een variabele manipuleren, of dat zij onderzoek doen binnen een observationele opzet. Elk abstract kreeg één methodecode.
De verschuiving is fors. Over de onderzochte conferenties daalde het aandeel interventiestudies van 17 procent in 2013 naar 9 procent in 2023. Het aandeel kwalitatief observationeel onderzoek steeg juist van 30 naar 45 procent. Observationeel onderzoek met gemengde methoden nam licht toe, van 8 naar 10 procent. Binnen het interventieonderzoek bleef het aandeel experimentele studies ongeveer stabiel, rond de 40 procent. De daling zit dus vooral in het totale aandeel interventieonderzoek binnen het geheel aan conferentiebijdragen.
Tertiair onderwijs wordt dominant
Ook de onderwijsniveaus verschuiven. De onderzoekers onderscheiden primair onderwijs, secundair onderwijs en tertiair onderwijs. Elk abstract kreeg ook één aanduiding voor het onderwijsniveau. Onderzoek naar tertiair onderwijs nam tussen 2013 en 2023 toe met acht procentpunt en werd daarmee het meest onderzochte onderwijsniveau. Onderzoek naar primair onderwijs nam af, terwijl onderzoek naar secundair onderwijs ongeveer stabiel bleef. In 2023 ging 36 procent van de gecodeerde abstracts over tertiair onderwijs, tegenover 18 procent over primair onderwijs.
De onderzoekers plaatsen die uitkomst nadrukkelijk in perspectief. Wereldwijd ronden meer dan twee keer zoveel mensen primair onderwijs af als zich inschrijven voor tertiair onderwijs, schrijven zij. Toch wordt tertiair onderwijs in hun dataset twee keer zo vaak onderzocht als primair onderwijs.
Maatschappelijke thema’s winnen terrein
Inhoudelijk zien Dekker, Smixioti en Meeter een groeiende aandacht voor duurzaamheid, emoties, welzijn en mentale gezondheid. Het onderwerp “wereldwijde rampen”, waarin de coronapandemie en klimaatcrisis in de topicanalyse samenkwamen, nam na 2020 sterk toe op zowel AERA als ECER. Ook mentale gezondheid en welzijn werden op beide conferenties zichtbaarder.
De analyse van de onderzoekers zelf
In hun discussie proberen de auteurs de verschuivingen niet tot één verklaring terug te brengen. Zij gebruiken onder meer principal-agent-theorie om te begrijpen hoe financiering, publicatiedruk en onderzoeksmogelijkheden keuzes van onderzoekers kunnen beïnvloeden. Vanuit die theorie zou men kunnen verwachten dat onderzoekers bij beperkte tijd en middelen eerder kiezen voor observationele studies dan voor interventiestudies, en eerder voor tertiair onderwijs dan voor primair of secundair onderwijs, omdat deelnemers daar makkelijker toegankelijk zijn.
Tegelijkertijd zijn de onderzoekers voorzichtig. Het feit dat zulke trends zichtbaar zijn, bewijst volgens hen niet dat deze prikkels daadwerkelijk de oorzaak zijn. De keuzes van onderzoekers kunnen ook voortkomen uit epistemologische overtuigingen, verlies van methodologische capaciteit of inhoudelijke redenen om bepaalde benaderingen te kiezen. Ook maatschappelijke urgentie kan een rol spelen bij de groei van thema’s als klimaatverandering, mentale gezondheid, racisme, vluchtelingen en welzijn. Zonder direct bewijs over de motieven van onderzoekers is volgens de auteurs niet vast te stellen welk deel van de verschuiving door financiering, voorkeuren, opleiding of maatschappelijke ontwikkelingen wordt veroorzaakt.
Makkelijker te onderzoeken en binnen onze comfortzone vallen?
De auteurs zien daarin vooral aanleiding voor zelfonderzoek binnen het vakgebied. “Bestuderen we wat relevant is voor de onderwijspraktijk,” vragen zij zich af, “of kiezen we onderwerpen en methoden omdat die makkelijker te onderzoeken zijn of binnen onze comfortzone vallen?” Daarbij wijzen zij erop dat tertiair onderwijs voor onderzoekers makkelijker toegankelijk kan zijn dan primair of secundair onderwijs, onder meer omdat deelnemers eenvoudiger te bereiken zijn en geen toestemming van ouders nodig is.