In de onderzochte landen hangen de uitkomsten van PISA en PIAAC duidelijk met elkaar samen. Die samenhang is sterker voor wiskunde en rekenvaardigheid dan voor lezen en geletterdheid. De onderzoeken leveren echter niet in alle landen hetzelfde beeld op.
Vaardigheden op verschillende leeftijden
PISA meet hoe goed vijftienjarige scholieren kennis en vaardigheden kunnen toepassen. PIAAC onderzoekt de vaardigheden van volwassenen tussen de 16 en 65 jaar. Beide onderzoeken richten zich onder meer op lezen en rekenen, maar doen dat bij verschillende bevolkingsgroepen, in een andere omgeving en met andere soorten opdrachten.
De onderzoekers wilden nagaan in hoeverre de nationale resultaten van beide onderzoeken met elkaar overeenkomen. Eerder onderzoek met gegevens uit de eerste cyclus van PIAAC wees al op een sterke samenhang, maar liet ook verschillen tussen landen zien. Voor de nieuwe, tweede cyclus van PIAAC was zo’n vergelijking nog niet uitgevoerd.
De analyse laat niet zien hoe de vaardigheden van afzonderlijke personen zich ontwikkelen. PISA en PIAAC worden onafhankelijk van elkaar afgenomen en volgen doorgaans niet dezelfde deelnemers. De vergelijking vindt plaats op het niveau van landen en samengestelde geboortegroepen.
Drie manieren van vergelijken
De onderzoekers bekeken de relatie tussen PISA en PIAAC vanuit drie invalshoeken. Eerst vergeleken zij resultaten die ongeveer in hetzelfde jaar waren verzameld. Daarbij werden de PIAAC-gegevens beperkt tot 16- tot 19-jarigen en werden mensen uitgesloten die in het buitenland waren geboren en op hun vijftiende of later naar het onderzochte land kwamen. Zo sloot deze groep beter aan bij de PISA-populatie.
Daarnaast vergeleken de onderzoekers geboortegroepen. Zij bekeken bijvoorbeeld hoe een land in PISA 2018 presteerde en vergeleken dat met de prestaties in PIAAC van mensen die rond dezelfde jaren waren geboren. Het ging daarbij niet om dezelfde personen, maar om deelnemers uit dezelfde generatie.
Ten slotte onderzochten zij veranderingen door de tijd. Daarbij werd nagegaan of stijgende of dalende PISA-scores in een land samengingen met vergelijkbare veranderingen in PIAAC. Alle vergelijkingen waren gebaseerd op statistieken op landniveau. Alleen verbanden die volgens de gekozen maatstaf voldoende betrouwbaar konden worden geschat, werden gerapporteerd.
Sterkere samenhang bij rekenen
Bij de vergelijking van PISA 2022 met PIAAC 2023 waren gegevens uit 31 landen en economieën beschikbaar. De samenhang tussen de gemiddelde PISA-score voor lezen en de PIAAC-score voor geletterdheid bedroeg 0,53. Voor wiskunde en rekenvaardigheid was dit 0,74.
De samenhang was doorgaans sterker aan de bovenkant van de verdeling dan aan de onderkant. Dit patroon kwam het duidelijkst naar voren bij lezen en geletterdheid. De resultaten van de hoogst scorende groepen verschilden tussen beide onderzoeken dus minder sterk dan die van de laagst scorende groepen.
Verband neemt af naarmate de tijd verstrijkt
Ook bij de vergelijking van geboortegroepen vonden de onderzoekers een duidelijke samenhang. Deze werd doorgaans zwakker naarmate er meer tijd zat tussen deelname aan PISA en de meting van de overeenkomstige geboortegroep in PIAAC.
De relatie was bijvoorbeeld sterker voor de PISA-groep uit 2018, die in PIAAC rond het twintigste levensjaar werd onderzocht, dan voor de groep uit 2012, die bij de PIAAC-meting ongeveer 26 jaar oud was. Een vergelijking van de PISA-groep uit 2009 met beide PIAAC-cycli liet een vergelijkbaar patroon zien. De resultaten zeggen niet welke ervaringen na de schooltijd deze verschillen hebben veroorzaakt.
Veranderingen lopen niet gelijk op
De samenhang tussen ontwikkelingen in PISA en PIAAC was veel zwakker. Landen waar de PISA-resultaten stegen of daalden, vertoonden niet automatisch dezelfde ontwikkeling in PIAAC. Sommige berekende verbanden waren licht negatief.
Volgens de onderzoekers zijn veranderingen door de tijd minder nauwkeurig vast te stellen dan verschillen tussen landen op één meetmoment. Ook kunnen de uitzonderlijke omstandigheden rond PISA 2022, waaronder de gevolgen van de coronapandemie voor deelname en toetsomstandigheden, de vergelijking hebben beïnvloed.
Nederland wijkt af bij geletterdheid
Enkele landen weken herhaaldelijk af van het algemene patroon. Nieuw-Zeeland, Polen en de Verenigde Staten behaalden in PIAAC gemiddeld lagere scores dan op grond van hun PISA-resultaten zou worden verwacht. Finland, Noorwegen en Slowakije behaalden juist hogere PIAAC-scores.
Voor Nederland deed dit patroon zich alleen voor bij lezen en geletterdheid. De Nederlandse PIAAC-resultaten waren gunstiger dan de PISA-resultaten en de internationale samenhang zouden doen verwachten. Dit verschil was vooral zichtbaar onder de lager scorende deelnemers.
Verschillen hebben meerdere mogelijke oorzaken
PISA en PIAAC verschillen onder meer in de gebruikte opdrachten. PISA bevat bijvoorbeeld meer open vragen die door beoordelaars worden nagekeken, terwijl PIAAC bij geletterdheid geen schriftelijke open antwoorden gebruikt.
Ook de onderzochte groepen en de steekproeven verschillen. PISA toetst vijftienjarigen die onderwijs volgen, terwijl PIAAC een bredere volwassen bevolking onderzoekt. Verder vindt PISA plaats op school en PIAAC bij mensen thuis. De toetsduur, de volgorde van de onderdelen en de motivatie van deelnemers kunnen eveneens van invloed zijn.
Daarnaast kunnen vaardigheden zich na de leerplicht verder ontwikkelen of afnemen door vervolgonderwijs, scholing, werk en het gebruik van vaardigheden. Op basis van de huidige vergelijking kan echter niet worden vastgesteld welke factor de verschillen in een bepaald land veroorzaakt.
Mogelijkheden voor een sterkere koppeling
De ontwikkelcycli van PISA en PIAAC komen rond 2033 samen. De onderzoekers noemen drie manieren om de relatie tussen beide onderzoeken beter te bestuderen: een systematische vergelijking van de meetkaders en toetsvragen, het gebruik van gedeelde opdrachten om de scoreschalen met elkaar te verbinden en het afnemen van beide onderzoeken bij dezelfde personen of geboortegroepen.
Deze mogelijkheden kunnen worden gecombineerd. Het doel is volgens de onderzoekers niet om één uniform beeld van de ontwikkeling van vaardigheden te maken. Een sterkere koppeling kan vooral helpen verduidelijken of verschillen voortkomen uit de manier van meten, uit veranderingen in vaardigheden of uit onderwijs- en arbeidsmarktcontexten. PISA en PIAAC blijven onderzoeken met verschillende doelgroepen en verschillende doeleinden.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor onderwijs- en arbeidsmarktbeleid betekent dit dat verschillen tussen PISA en PIAAC niet zonder meer kunnen worden uitgelegd als winst of verlies van vaardigheden. Ook verschillen in doelgroepen, toetsvormen en afnameomstandigheden kunnen een rol spelen.
Voor onderzoekers en analisten is van belang dat de vergelijkingen op landniveau zijn gemaakt. De onderzochte geboortegroepen bestaan niet uit dezelfde personen, waardoor geen individuele ontwikkeling kan worden vastgesteld.
Voor de ontwikkelaars van PISA en PIAAC biedt de samenloop van beide ontwikkelcycli rond 2033 mogelijkheden om meetkaders en vragen te vergelijken, gedeelde opdrachten te gebruiken en deelnemers of geboortegroepen in beide onderzoeken te betrekken.
Bron: Avvisati, F., Meierkord, A. & Reinertsen, N. (2026). Towards a stronger link between PISA and PIAAC: Two assessments, one story? OECD Education Working Papers, No. 349, OECD Publishing. DOI: https://doi.org/10.1787/95e96165-en