Voortgezet onderwijs

Meisjes krijgen in Nederland hogere taalcijfers dan jongens, zonder dat taalvaardigheid het verschil verklaart

Spijbelen, te laat komen en ruzie maken met docenten hangen samen met lagere cijfers, maar verklaren niet waarom jongens en meisjes verschillend scoren. Dat blijkt uit internationaal onderzoek van Isabel Raabe van de Universiteit van Zürich en Isa Steinmann van Oslo Metropolitan University onder ruim 18.000 leerlingen in Engeland, Duitsland, Nederland en Zweden. Voor wiskunde liggen de cijfers juist iets hoger bij jongens.

Dat blijkt uit een internationale studie onder ruim 18.000 leerlingen in Engeland, Duitsland, Nederland en Zweden. Onderzoekers Isabel Raabe van de Universiteit van Zürich en Isa Steinmann van Oslo Metropolitan University onderzochten hoe verschillen in cijfers tussen jongens en meisjes ontstaan en of gedrag op school en de verhouding tussen jongens en meisjes in een klas daarbij een rol spelen.

Cijfers verschillen, ook bij vergelijkbare vaardigheden

De onderzoekers richten zich op een al langer bekend verschijnsel. Meisjes krijgen op school vaak betere cijfers dan jongens, vooral voor taalvakken. Op gestandaardiseerde toetsen is zo’n algemeen voordeel van meisjes er niet. Bij lezen scoren meisjes doorgaans beter, maar bij wiskunde en natuurwetenschappen is het beeld veel gemengder.

Dat roept de vraag op wat schoolcijfers precies weerspiegelen. Een cijfer kan niet alleen afhangen van wat een leerling weet of kan, maar bijvoorbeeld ook van inzet, aanwezigheid en gedrag in de klas. De onderzoekers wilden daarom weten of verschillen in gedrag kunnen verklaren waarom jongens en meisjes verschillende cijfers krijgen.

Voor Nederland gebruikten zij gegevens van 4.201 leerlingen uit 201 klassen in het derde jaar van het voortgezet onderwijs. De leerlingen waren gemiddeld ongeveer veertien jaar oud. De gegevens zijn afkomstig uit een internationaal onderzoek dat tussen de schooljaren 2010/2011 en 2012/2013 werd uitgevoerd.

De leerlingen gaven onder meer aan hoe vaak zij ruzie maakten met een docent, zonder toestemming een les oversloegen of te laat op school kwamen. In Nederland, Engeland en Duitsland rapporteerden leerlingen zelf hun cijfers voor wiskunde en taal. Alleen in Zweden konden de onderzoekers officiële schoolcijfers gebruiken.

Nederlandse meisjes scoren hoger voor taal

In Nederland kregen jongens gemiddeld een 6,64 voor wiskunde en meisjes een 6,54. Voor taal was het verschil groter en in omgekeerde richting: meisjes kregen gemiddeld een 6,83 en jongens een 6,55.

De onderzoekers hielden vervolgens rekening met verschillen in onder meer cognitieve vaardigheid, taalvaardigheid, het opleidingsniveau van ouders en migratieachtergrond. Ook daarna kregen Nederlandse jongens voor wiskunde iets hogere cijfers dan meisjes. Het verschil was wel kleiner dan in Duitsland en ongeveer even groot als in Engeland. In Zweden werd voor wiskunde geen statistisch overtuigend verschil gevonden.

Voor taal was het patroon duidelijker. Meisjes kregen in alle vier de landen hogere cijfers dan jongens, ook wanneer rekening werd gehouden met vaardigheden en achtergrondkenmerken. In Nederland was dat verschil ongeveer even groot als in Engeland en kleiner dan in Duitsland en Zweden.

Spijbelen en te laat komen verklaren het verschil niet

Jongens rapporteerden in alle vier de landen vaker gedrag dat tegen schoolregels ingaat. Ook Nederlandse jongens zeiden vaker dat zij te laat kwamen, spijbelden of ruzie maakten met een docent dan Nederlandse meisjes.

Dat gedrag hing samen met lagere cijfers. Leerlingen die vaker dergelijk gedrag rapporteerden, kregen gemiddeld lagere cijfers voor zowel wiskunde als taal, ook wanneer rekening werd gehouden met hun vaardigheden en achtergrond. In Nederland was die samenhang wel zwakker dan in de andere onderzochte landen.

Toch lost dat de puzzel van de cijferverschillen niet op. Toen de onderzoekers het gedrag meenamen in hun analyses, veranderde het verschil tussen jongens en meisjes nauwelijks. Dat gold voor alle vier de landen.

Met andere woorden: jongens vertonen gemiddeld vaker gedrag dat samenhangt met lagere cijfers, maar juist dat hogere niveau van spijbelen, te laat komen en ruzie maken verklaart niet waarom jongens en meisjes verschillende cijfers krijgen.

In Nederland geen zwaardere straf voor meisjes

De onderzoekers bekeken ook of hetzelfde gedrag bij jongens en meisjes even sterk samenhangt met hun cijfers. Daar kwamen verschillen tussen landen naar voren.

In Duitsland en Zweden hing dit gedrag sterker samen met lagere wiskundecijfers bij meisjes dan bij jongens. In Zweden gold dat ook voor taal. De onderzoekers spreken daarom voorzichtig van aanwijzingen dat meisjes in die landen bij vergelijkbaar gedrag zwaarder kunnen worden geraakt in hun cijfers.

Voor Nederland vonden zij dat niet. Hier hing gedrag als spijbelen, te laat komen en ruzie maken met docenten voor jongens en meisjes ongeveer even sterk samen met lagere cijfers.

Omdat het om observationeel onderzoek gaat, kan niet worden vastgesteld waardoor de gevonden verbanden ontstaan. Lagere cijfers kunnen bijvoorbeeld rechtstreeks samenhangen met gedrag in de beoordeling, maar leerlingen die lessen missen of minder deelnemen kunnen ook minder leren. De studie kan tussen zulke verklaringen niet onderscheiden.

Meer meisjes in de klas maakt geen verschil

Ook de verhouding tussen jongens en meisjes in een klas bleek geen verklaring te bieden. In geen van de vier landen vonden de onderzoekers dat leerlingen hogere of lagere cijfers kregen wanneer er relatief veel meisjes in hun klas zaten.

Evenmin werd het verschil in cijfers tussen jongens en meisjes groter of kleiner naarmate de samenstelling van de klas veranderde. Zelfs in Engeland, waar door het grotere aantal scholen of klassen met alleen jongens of alleen meisjes meer variatie bestond, werd zo’n verband niet gevonden.

De onderzoekers concluderen daarmee dat verschillen in cijfers vooral vakspecifiek zijn. Meisjes krijgen hogere cijfers voor taal en jongens doorgaans hogere cijfers voor wiskunde, ook wanneer rekening wordt gehouden met vaardigheden en achtergrond. Gedrag op school hangt duidelijk samen met cijfers, maar verklaart die verschillen tussen jongens en meisjes niet.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor docenten laat het onderzoek zien dat gedrag als spijbelen, te laat komen en ruzie maken met docenten samenhangt met lagere cijfers. De onderzoekers benadrukken daarom dat docenten helder moeten hebben wat een cijfer precies moet meten en zich bewust moeten zijn van mogelijke vooroordelen bij de beoordeling.

Voor scholen is relevant dat de verschillen tussen jongens en meisjes niet verdwijnen wanneer rekening wordt gehouden met hun vaardigheden, achtergrond en gedrag. Ook de verhouding tussen jongens en meisjes in een klas bood in deze studie geen verklaring voor de gevonden cijferverschillen.

Voor de beoordeling van leerlingen wijzen de onderzoekers erop dat cijfers belangrijke gevolgen hebben voor verdere onderwijskansen. Zij vinden daarom dat cijfers zoveel mogelijk moeten weerspiegelen wat leerlingen daadwerkelijk hebben geleerd, en dat docenten alert moeten zijn op mogelijke verschillen in de manier waarop hetzelfde gedrag van jongens en meisjes wordt beoordeeld.

Bron: Raabe, I. J. & Steinmann, I. (2026). Gender Gaps in School Grades: Resistance Behavior and Class Compositions in England, Germany, The Netherlands, and Sweden, Journal of Youth and Adolescence. DOI: https://doi.org/10.1007/s10964-026-02384-z

Ontdek meer onderwerpen