Voortgezet onderwijs

Informatie over baankansen stuurt vmbo-leerlingen naar kansrijkere opleidingen

Vmbo-leerlingen schatten de baankansen en salarissen van hun favoriete beroepen vaak te rooskleurig in. Gerichte arbeidsmarktinformatie helpt hen later opleidingen met betere vooruitzichten te kiezen. Dat blijkt uit een groot veldexperiment van Bart de Koning, Robert Dur en Didier Fouarge onder ruim 28.000 vmbo-leerlingen.

Zij volgden 28.186 leerlingen van 243 vmbo-scholen en konden een deel van hen via gegevens van DUO tot zeven jaar na het experiment blijven volgen.

Eerst kiezen, daarna de feiten

Het onderzoek vond plaats binnen Qompas, een veelgebruikt digitaal programma voor loopbaanoriëntatie in het vmbo. Leerlingen uit het tweede, derde en vierde leerjaar maakten daarin eerst een uitgebreide interessetest. Op basis van hun antwoorden kregen zij twintig beroepen te zien die volgens het programma bij hun interesses en vaardigheden pasten.

Daaruit kozen zij vijf beroepen waarin ze het meest geïnteresseerd waren. Vervolgens moesten ze die beroepen op volgorde zetten en aangeven hoe zij de baankansen en het bruto-uurloon inschatten.

Daarna werd het experiment zichtbaar. Een deel van de scholen vormde de controlegroep en kreeg geen extra arbeidsmarktinformatie. Andere leerlingen kregen voor hun vijf gekozen beroepen informatie over de verwachte baankansen. Een derde groep kreeg daarnaast informatie over de mediane bruto-uurlonen. De gegevens over baankansen kwamen van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt van de Universiteit Maastricht; de loongegevens waren gebaseerd op Nederlandse arbeidsmarktgegevens.

Na een algemene video over werk moesten alle leerlingen opnieuw aangeven hoe zij de arbeidsmarktvooruitzichten beoordeelden en welke van de vijf beroepen hun voorkeur had.

Favoriete beroepen worden te gunstig ingeschat

Vooraf bleken leerlingen behoorlijk onnauwkeurig te zijn in hun verwachtingen. Zij overschatten zowel de baankansen als de uurlonen van beroepen waarin zij geïnteresseerd waren. Die overschatting was het sterkst bij het beroep dat bovenaan hun verlanglijst stond en nam af naarmate een beroep lager was gerangschikt.

Na het zien van de arbeidsmarktinformatie werden hun verwachtingen nauwkeuriger. Leerlingen die informatie over baankansen hadden gekregen, zaten daar vervolgens vaker goed mee. Wie daarnaast loongegevens had gezien, schatte ook de uurlonen beter in. De verbetering ontstond vooral doordat leerlingen eerdere overschattingen naar beneden bijstelden.

De onderzoekers zagen ook een klein maar duidelijk effect op de voorkeur voor beroepen. In de controlegroep veranderde 5,7 procent van de leerlingen direct na de interventie van favoriete beroepskeuze. In de verschillende informatiegroepen liep dat aandeel op tot maximaal 7,9 procent.

Leerlingen die van favoriet beroep wisselden, kozen bovendien vaker voor een beroep met betere vooruitzichten. Onder leerlingen die daadwerkelijk veranderden, verbeterde de beoordeling van de baankansen aanzienlijk en lag het uurloon van het nieuwe favoriete beroep bij de groepen die ook looninformatie hadden gekregen gemiddeld ruim een euro hoger.

Verschil blijft zichtbaar bij de mbo-keuze

Belangrijker is dat de informatie niet alleen effect had op wat leerlingen tijdens het experiment zeiden. In de administratieve gegevens van DUO zagen de onderzoekers ook verschillen in de opleidingen waarvoor leerlingen zich later daadwerkelijk inschreven.

Leerlingen die arbeidsmarktinformatie hadden gekregen, kozen bij hun eerste inschrijving in het mbo voor opleidingen die waren verbonden aan beroepen met betere arbeidsmarktperspectieven. Gemeten ten opzichte van het gemiddelde in de controlegroep lagen de verwachte baankansen maximaal 2,4 procent hoger. Het bijbehorende verwachte uurloon lag 1,1 tot 1,4 procent hoger.

De onderzoekers konden ongeveer de helft van de leerlingen in de administratieve steekproef lang genoeg volgen om ook de afgeronde mbo-opleiding te bekijken. Ook daar bleef het verschil in baankansen zichtbaar. Leerlingen uit de informatiegroepen studeerden af aan opleidingen waarvan de verwachte baankansen maximaal 3,1 procent hoger lagen dan bij de controlegroep.

Voor het uurloon was dat beeld bij afstuderen anders. Het verschil bedroeg minder dan één procent en was statistisch niet significant. Volgens de onderzoekers past dat bij verschillen in de samenstelling van de groep leerlingen die binnen de onderzoeksperiode al was afgestudeerd; ook bij hun eerste opleidingskeuze was het looneffect al kleiner.

Vooral effect in het derde leerjaar

De onderzoekers bekeken ook of de interventie bij bepaalde groepen leerlingen beter werkte. Er waren relatief weinig verschillen naar sociaaleconomische achtergrond, geslacht, schooljaar waarin het experiment plaatsvond of het aantal profielen dat een school aanbood.

Het duidelijkste verschil zat in het moment waarop leerlingen de informatie kregen. Het effect was het sterkst bij leerlingen die in het derde leerjaar van het vmbo deelnamen, dus in het voorlaatste jaar voor het diploma. De onderzoekers waarschuwen wel dat dit niet automatisch betekent dat het derde leerjaar voor iedere school het beste moment is: scholen die juist dan met deze loopbaanoriëntatie werken, kunnen ook op andere punten verschillen van scholen die dat eerder of later doen.

De informatie had nauwelijks invloed op de profielkeuze binnen het vmbo. Ook vonden de onderzoekers geen effect op zittenblijven, de kans om door te stromen naar het mbo of de kans om binnen de onderzochte periode een mbo-diploma te halen. Het verschil zat vooral in welke mbo-opleiding leerlingen kozen.

Informatie kan eenvoudig worden toegevoegd

Volgens de onderzoekers laat het experiment zien dat arbeidsmarktinformatie over beroepen waarin leerlingen zelf al geïnteresseerd zijn, hun latere opleidingskeuze kan beïnvloeden. De interventie maakte gebruik van informatie die al beschikbaar was en kon binnen een bestaand loopbaanoriëntatieprogramma worden aangeboden.

De programmeerkosten bedroegen in totaal 39.600 euro, omgerekend 2,09 euro per behandelde leerling. De onderzoekers noemen de aanpak daarom relatief eenvoudig op te schalen. Vervolgonderzoek kan volgens hen uitwijzen of andere informatie, bijvoorbeeld over loonontwikkeling, flexibiliteit of werktevredenheid, eveneens invloed heeft en hoe zulke gegevens het beste aan leerlingen kunnen worden gepresenteerd.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor decanen en mentoren in het vmbo laat dit onderzoek zien dat concrete informatie over beroepen invloed kan hebben op de vervolgopleiding die leerlingen uiteindelijk kiezen. Het gaat daarbij niet alleen om algemene informatie over sectoren, maar juist om baankansen en lonen van beroepen waarvoor een leerling zelf al belangstelling heeft.

Voor scholen is vooral relevant dat de informatie binnen een bestaand programma voor loopbaanoriëntatie kon worden aangeboden. De interventie veranderde nauwelijks welke profielen leerlingen binnen het vmbo kozen, maar was later wel terug te zien in de arbeidsmarktperspectieven van hun mbo-opleiding.

Voor de timing van loopbaanoriëntatie wijst het experiment erop dat leerlingen in het derde leerjaar het sterkst op de informatie reageerden. De onderzoekers benadrukken echter dat hieruit niet zonder meer volgt dat het derde leerjaar voor iedere school het optimale moment is.

Bron: De Koning, B.K., Dur, R. & Fouarge, D. (2026). Occupational Labor Market Information and Education Choices: Long-Run Evidence from a Field Experiment, 29 juli 2026.

Ontdek meer onderwerpen