Voortgezet onderwijs

Nederlands curriculum maakt weinig ruimte voor actiegericht duurzaamheidsonderwijs

Leerlingen uitleggen wat klimaatverandering en duurzaamheid betekenen, is niet genoeg, stelt onderwijswetenschapper Jelle Boeve-de Pauw van de Universiteit Utrecht. Duurzaamheidsonderwijs beklijft beter wanneer kinderen en jongeren zelf iets onderzoeken, de school uit gaan en daadwerkelijk actie ondernemen.

Die actiegerichte benadering is in Nederland echter niet expliciet in het curriculum opgenomen, zegt de onderzoeker van de Universiteit Utrecht in de podcast Education for Climate Talks. In het primair en voortgezet onderwijs betekent dat duurzaamheidsonderwijs verder kan gaan dan het schoolboek. Leerlingen kunnen onderzoeken wat er rond hun school speelt, buurtbewoners spreken, samenwerken met de gemeente of een lokaal bedrijf, en vervolgens zelf iets ondernemen.

Boeve-de Pauw is universitair docent wetenschapscommunicatie en -educatie aan het Freudenthal Instituut (UU) en doet al bijna twintig jaar onderzoek naar natuur- en duurzaamheidseducatie.

Wat leerlingen meekrijgen, verschilt sterk

Dat onderwijs ertoe doet, blijkt uit internationale vergelijkingen. PISA en vergelijkbare studies onder jongere leerlingen laten grote verschillen tussen onderwijssystemen zien: in wat jongeren weten over natuur en duurzaamheid, in hun houding daartegenover en in hun voornemen zich natuurvriendelijk te gedragen. “Dat alleen al laat zien dat onderwijssystemen daar een grote rol in spelen”, zegt Boeve-de Pauw.

Dat begint bij keuzes die op het hoogste niveau over het curriculum worden gemaakt. “Is het er überhaupt? Sommige landen hebben het helemaal niet. Is het een beetje verspreid over het hele curriculum? Is het een afzonderlijk onderwerp of is het geïntegreerd?”

Die keuzes bepalen ook wat leraren “moeten doen, waartoe ze worden uitgenodigd en welke vrijheidsgraden ze hebben”. Die ruimte doet ertoe: “Docenten zijn echt cruciaal bij het vertalen van leerdoelen die in curricula staan naar daadwerkelijk onderwijs en leren met leerlingen.”

Alleen weten wat klimaatverandering is, schiet tekort

Wat binnen scholen het beste werkt, is lastig aan te wijzen. Eén interventie die onder alle omstandigheden effectief is, kan Boeve-de Pauw niet noemen. Wel ziet hij steeds meer aanwijzingen voor de waarde van wat hij ‘actiegericht onderwijs’ noemt.

Natuurlijk moeten leerlingen de wetenschappelijke basis begrijpen, maar daarmee is een school er niet. “We weten ook dat iets weten niet betekent dat we erom geven. Het betekent evenmin dat we ernaar zullen handelen. Alleen die kennisbasis aanbieden brengt ons er dus niet. We moeten nadenken over vaardigheden en houdingen. We moeten nadenken over het ondernemen van actie.”

Wil een school dat leerlingen leren hoe zij zelf kunnen bijdragen, dan moet actie ondernemen onderdeel worden van het onderwijs zelf. Dat verschilt van lessen waarin leerlingen alleen lezen over wat anderen doen. “Als we leren over acties die iemand anders onderneemt, bijvoorbeeld aan de hand van voorbeelden in schoolboeken, afzetten tegen zelf actie ondernemen als leerling, begeleid door een docent, dan is die tweede vorm effectiever.”

Met leerlingen de school uit

Abstract hoeft dat niet te blijven. Hij beschrijft een aanpak die sterk verbonden is met de omgeving van de school. “Dat betekent de school uit gaan. Dat betekent met jongeren nadenken over wat voor hen belangrijk is.” Leerlingen kunnen die omgeving onderzoeken, spreken met de mensen die er wonen en nagaan welke kwesties voor hen van belang zijn. Daarna kan een school partijen in de buurt opzoeken. “Dat kunnen ngo’s zijn, kleine bedrijven of misschien mensen van de gemeente.”

Een duurzaamheidsvraagstuk wordt zo iets waarmee leerlingen zelf te maken krijgen, in plaats van een probleem uit de lesmethode. “Het gaat om echte mensen, echte dingen, echte bedrijven, echte problemen, gevolgd door echte actie van de kinderen zelf, waarbij ze de impact daarvan ervaren.” Juist die aanpak is veelbelovend voor het ontwikkelen van ‘actiecompetentie’: het vermogen om te bedenken wat je zelf kunt doen en je ook in staat te voelen om te handelen.

Niet ieder onderwijssysteem biedt leraren daarvoor dezelfde ruimte. Boeve-de Pauw noemt Spanje en het nieuwe Tsjechische curriculum als voorbeelden waar relatief veel ruimte bestaat voor actiegerichte elementen. In Duitsland kan deze manier van lesgeven juist spanningen oproepen. Ook Nederland is nog niet zover. “In het land waar ik lesgeef, Nederland, staat dit ook niet in het curriculum.”

Meten wat leerlingen daadwerkelijk leren

Wat kinderen en jongeren werkelijk aan duurzaamheidsonderwijs overhouden, staat centraal in IMP>ACT, het Europese Horizon-project waaraan Boeve-de Pauw leiding geeft. Het project is ongeveer halverwege en richt zich niet op individuele leraren, maar op organisaties die onderwijsprogramma’s ontwikkelen en op beleidsmakers.

De opbrengst van zulke programma’s wordt nu vaak oppervlakkig vastgesteld, constateert hij: aantallen betrokken leerlingen en gedownloade documenten, hooguit een tevredenheidsonderzoek. IMP>ACT wil verder gaan en kijkt daarbij nadrukkelijk niet naar de vraag of leerlingen klimaatwetenschap begrijpen. “We kijken of leerlingen het gevoel hebben dat ze weten wat ze kunnen doen, of ze geloven dat ze die dingen kunnen doen en of ze geloven dat het ertoe doet.”

Aan het project werken zes Europese universiteiten en zes organisaties uit beleid en praktijk mee, onder meer Keep Sweden Tidy en het Vlaamse Expertisecentrum voor Duurzaam Onderwijs. Samen ontwikkelen zij manieren om gegevens over onderwijseffecten te verzamelen en bruikbaar te maken. “Als onderzoekers hebben we de neiging onze eigen manieren van denken en praten te gebruiken. Maar om dit betekenisvol te maken voor de mensen die het echte werk doen in beleid en praktijk, is vertaling nodig: van concepten naar manieren van werken.”

Van leerling naar groene loopbaan

Tot slot trekt Boeve-de Pauw de lijn door naar jongeren die zelf een groene loopbaan kiezen. Ook daar draait zijn advies om het gevoel zelf verschil te kunnen maken. “Verbind je met wat écht belangrijk voor je is. Als je een groene carrière ingaat, raakt dat waarschijnlijk aan je identiteit, aan wie je bent en wat je in de wereld wilt bereiken. Dat is heel krachtig, maar het kan ook een beetje gevaarlijk zijn.” Verzamel daarom mensen om je heen met wie die ambitie gedeeld kan worden, adviseert hij, maar blijf nieuwsgierig naar wie anders denkt.

Daarmee sluit hij aan bij zijn eerdere lijn: leerlingen voorbereiden op een duurzame samenleving vraagt niet alleen dat scholen hun vertellen hoe de wereld in elkaar zit, maar ook dat ze ervaren zelf te kunnen handelen.

Ontdek meer onderwerpen