Voortgezet onderwijs

Populistisch georiënteerde scholieren blijken in de praktijk minder populistisch dan gedacht

Populistische opvattingen onder scholieren betekenen niet automatisch dat jongeren vinden dat de meerderheid altijd haar zin moet krijgen. Onder Nederlandse 15- en 16-jarigen kiezen leerlingen met sterkere populistische opvattingen bij een krappe meerderheid van 51 procent juist vaker voor overleg tussen meerderheid en minderheid. Pas wanneer de meerderheid groter wordt, verdwijnt dat verschil. Dat blijkt uit onderzoek van Jaap van Slageren van de Universiteit Utrecht en Matthijs Rooduijn van de Universiteit van Amsterdam.

De onderzoekers bestudeerden juist adolescenten omdat democratische opvattingen zich op deze leeftijd nog ontwikkelen en later relatief duurzaam kunnen blijken. Jongeren bevinden zich volgens hen in “vormende jaren”, waarin politieke en democratische houdingen nog minder vastliggen dan bij volwassenen. Het onderzoek werd uitgevoerd onder 1.157 leerlingen van 15 en 16 jaar op 34 Nederlandse scholen.

Wat moet er gebeuren bij 51 tegen 49?

De leerlingen kregen een fictieve Tweede Kamer te zien waarin een meerderheid vóór een niet nader omschreven wetsvoorstel stemde. Die meerderheid bedroeg afhankelijk van de leerling 51, 67 of 80 procent van de zetels.

Daarna moesten de scholieren kiezen wat er volgens hen moest gebeuren. De eerste mogelijkheid was eenvoudig: “De meerderheid beslist.” Daarnaast konden zij kiezen voor “De meerderheid en minderheid moeten er samen uitkomen”. Een derde mogelijkheid, waarbij de meerderheid moest doen wat de minderheid wilde, werd slechts door tien leerlingen gekozen; zij zijn buiten de verdere analyses gehouden.

Met die opzet wilden de onderzoekers niet alleen meten wat jongeren in abstracte zin van democratie vinden. Ze dwongen hen een keuze te maken tussen twee manieren van besluitvorming: de meerderheid laten beslissen of proberen overeenstemming te bereiken met de minderheid.

Daarnaast kregen de leerlingen vijf stellingen voorgelegd waarmee populistische opvattingen werden gemeten. Zo moesten ze aangeven in hoeverre ze het eens waren met uitspraken als “Niet politici, maar gewone mensen zouden de belangrijkste politieke beslissingen moeten nemen” en “Mensen die in de politiek werken, moeten altijd doen wat gewone mensen willen”.

Populistisch betekent niet automatisch: meerderheid beslist

Vooraf verwachtten Van Slageren en Rooduijn dat leerlingen met sterkere populistische opvattingen vaker zouden kiezen voor de meerderheid beslist. Populisme wordt in veel wetenschappelijke literatuur immers verbonden met het idee dat de wil van “het volk” zo rechtstreeks mogelijk in beleid moet worden omgezet en niet te veel moet worden beperkt door overleg, compromissen of minderheidsbelangen.

Die verwachting kwam niet uit. Over alle leerlingen samen vonden de onderzoekers geen significant verband tussen populistische opvattingen en een voorkeur voor meerderheidsbesluitvorming.

De omvang van de meerderheid bleek wel verschil te maken. Bij een uitslag van 51 tegen 49 kozen leerlingen met sterkere populistische opvattingen juist vaker voor overleg tussen meerderheid en minderheid dan leerlingen die minder populistisch scoorden.

Dat was precies het tegenovergestelde van wat de onderzoekers hadden verwacht. Bij grotere meerderheden veranderde het patroon. Bij 67 en 80 procent was er geen significant verschil meer tussen meer en minder populistische leerlingen in hun voorkeur voor meerderheidsbesluitvorming. Binnen de groep leerlingen met sterkere populistische opvattingen nam de steun voor het meerderheidsprincipe wel toe naarmate de meerderheid groter werd. Bij een grote meerderheid kozen zij gemiddeld vaker voor de meerderheid beslist dan voor consensus.

Verschillen tussen vmbo, havo en vwo

Omdat politieke opvattingen en het vermogen om abstracte democratische principes tegen elkaar af te wegen kunnen samenhangen met onderwijsniveau, hielden de onderzoekers ook rekening met de schoolsoort van leerlingen.

Havoleerlingen kozen iets minder vaak voor meerderheidsbesluitvorming dan vmbo-leerlingen. Dat verschil was statistisch significant. Tussen vwo- en vmbo-leerlingen werd geen significant verschil gevonden. De onderzoekers herhaalden hun belangrijkste analyses bovendien alleen onder vwo-leerlingen. Daarmee wilden zij nagaan of het resultaat overeind bleef binnen een groep waarvan gemiddeld een grotere politieke “sofisticatie” kan worden verwacht: het vermogen om verschillende abstracte politieke uitgangspunten op een samenhangende manier af te wegen.

Ook onder deze leerlingen bleek geen algemeen verband te bestaan tussen populistische opvattingen en een voorkeur voor de meerderheid beslist. Hetzelfde gold voor leerlingen die alle zes vragen over de Nederlandse politiek correct beantwoordden.

Juist bij populistische leerlingen telt de grootte van de meerderheid

Daarmee verwerpen de onderzoekers ook hun tweede verwachting. Zij hadden gedacht dat de grootte van de meerderheid juist weinig zou uitmaken voor populistische jongeren. Als de wil van de meerderheid doorslaggevend moet zijn, zou immers ook 51 procent voldoende moeten zijn.

Het tegenovergestelde gebeurde. Juist bij leerlingen met sterkere populistische opvattingen maakte het veel uit of een meerderheid klein of groot was. Bij leerlingen met weinig populistische opvattingen veranderde de voorkeur voor meerderheidsbesluitvorming nauwelijks wanneer de meerderheid groeide.

Volgens Van Slageren en Rooduijn lijken populistische jongeren bij een zeer kleine meerderheid dus eerder “consensusbouwers” dan uitgesproken meerderheidsdenkers. Die voorkeur voor consensus verdwijnt echter naarmate de meerderheid groter wordt.

De onderzoekers waarschuwen ervoor die uitkomst rechtstreeks naar echte politieke situaties te vertalen. Mensen met populistische opvattingen blijken volgens ander onderzoek vaker te overschatten hoeveel anderen hun eigen opvattingen delen. Daardoor kunnen zij bij kwesties die zij belangrijk vinden ook sneller denken dat hun standpunt door een grote meerderheid wordt gedragen.

Democratische opvattingen zijn op deze leeftijd nog in ontwikkeling

Juist daarom vinden de onderzoekers het belangrijk om democratische opvattingen onder jongeren afzonderlijk te bestuderen. Politieke houdingen zijn tijdens de adolescentie nog relatief veranderlijk, terwijl opvattingen die in deze periode ontstaan later wel kunnen beklijven.

Bovendien zijn jongeren volgens de onderzoekers nog minder sterk verbonden aan politieke partijen dan volwassenen. Daardoor kan beter worden onderzocht of populistische ideeën op zichzelf samengaan met bepaalde voorkeuren over democratische besluitvorming, zonder dat partijvoorkeuren en signalen van politieke leiders daar voortdurend doorheen lopen.

De onderzoekers denken dat juist die politieke signalen een belangrijke rol kunnen spelen. Hun resultaten wijzen er volgens hen op dat partij-identificatie en boodschappen van politieke elites van belang kunnen zijn voor de relatie tussen populistische opvattingen en steun voor meerderheidsbesluitvorming.

Vervolgonderzoek zou jongeren daarom niet alleen abstracte keuzes moeten voorleggen, maar ook concrete politieke kwesties. Ook zouden onderzoekers duidelijker onderscheid kunnen maken tussen meerderheidsbesluitvorming, overleg en consensus, en kunnen testen wat er gebeurt bij nog grotere meerderheden, bijvoorbeeld 90 procent.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor docenten die met leerlingen over democratie spreken laat het onderzoek zien dat populistische opvattingen niet zonder meer betekenen dat leerlingen vinden dat een meerderheid altijd moet beslissen. Bij een verhouding van 51 tegen 49 kozen juist leerlingen met sterkere populistische opvattingen vaker voor een oplossing waarbij meerderheid en minderheid er samen uitkomen.

Voor burgerschapsonderwijs is vooral relevant dat de omvang van een meerderheid verschil maakt. Een discussie over democratische besluitvorming kan daardoor iets anders opleveren wanneer leerlingen moeten nadenken over 51 tegen 49 dan wanneer vier op de vijf mensen hetzelfde willen.

Voor scholen onderstreept het onderzoek dat democratische opvattingen tijdens de adolescentie nog in ontwikkeling zijn. De onderzoekers pleiten daarom voor meer onderzoek naar hoe jongeren concrete politieke kwesties beoordelen en hoe hun opvattingen zich tijdens deze vormende jaren verder ontwikkelen.

Bron: Van Slageren, J. & Rooduijn, M. (2026). ‘The people = majority?’ Examining the relationship between populist attitudes and majoritarian decision-making preferences among adolescents, Journal of Elections, Public Opinion and Parties. DOI: https://doi.org/10.1080/17457289.2026.2716740

Ontdek meer onderwerpen