Dat blijkt uit een nieuw werkdocument van de OESO over de opleiding, begeleiding en het behoud van tweedeloopbaanleraren. Het onderzoek is uitgevoerd door Jan Maarse, Charlotte Kohlloffel, Sophia de Berardinis en José Manuel Torres voor het Centre for Educational Research and Innovation van de OESO.
De onderzoekers combineren internationale literatuur met gegevens uit TALIS 2024, waaraan ongeveer 280.000 leraren en schoolleiders uit 55 onderwijssystemen deelnamen. Voor hun eigen analyse gebruiken zij een bredere definitie dan in de officiële TALIS-publicatie. Zij rekenen leraren tot de zij-instromers wanneer zij onderwijs niet als eerste loopbaan kozen en minstens vijf jaar buiten het lesgeven hebben gewerkt.
Met die definitie behoort gemiddeld 19 procent van de leraren in de onderbouw van het voortgezet onderwijs tot deze groep. Onder recent begonnen leraren is dat 26 procent. Het aandeel loopt uiteen van 36 procent in IJsland tot minder dan 5 procent in Japan, Turkije en Zuid-Korea. De onderzoekers spreken van een betekenisvolle en groeiende aanwezigheid, maar merken op dat met gegevens uit één meetjaar geen ontwikkeling door de tijd kan worden vastgesteld.
De belangstelling voor zij-instroom hangt volgens het rapport samen met drie ontwikkelingen. Veel landen kampen al langere tijd met problemen bij het werven van leraren. Tegelijk zijn loopbanen minder lineair geworden en wisselen werknemers vaker van beroep. Daarnaast wordt de leerlingpopulatie diverser, terwijl lerarenteams die ontwikkeling niet altijd weerspiegelen.
Nederland registreert zij-instromers apart
Nederland behoort tot de kleine groep onderwijssystemen die zij-instromers afzonderlijk in de officiële statistieken registreren. Van de 28 onderzochte landen en onderwijssystemen konden er slechts vijf deze groep apart identificeren: Nederland, Hongarije, Japan en de Franse en Vlaamse Gemeenschap van België.
In veel andere landen wordt wel vastgelegd welke opleiding of bevoegdheid iemand heeft, maar niet of diegene eerder een andere loopbaan had. Daardoor is moeilijk te volgen hoeveel zij-instromers binnenkomen, welke route zij volgen en hoelang zij in het beroep blijven.
Nederland behoort ook tot de landen met een formele route naar een volledige onderwijsbevoegdheid. Volgens het rapport waren er in het studiejaar 2018/2019 in Nederland 384 routes naar het leraarschap, waarvan 74 speciaal voor zij-instromers.
Bij die beoordeling wordt onder meer gekeken naar pedagogische en didactische vaardigheden, klassenmanagement, professioneel handelen, samenwerking en het vermogen om op het eigen handelen te reflecteren. Kandidaten die geschikt worden bevonden, ontvangen een geschiktheidsverklaring. Schoolbesturen kunnen voor opleiding en begeleiding van een zij-instromer maximaal 25.000 euro subsidie krijgen.
Eerdere ervaring is niet automatisch bruikbaar
Volgens de onderzoekers vraagt de opleiding van zij-instromers om maatwerk. Zij noemen onder meer praktijkervaring vooraf, stage, een combinatie van theorie en praktijk, intensieve begeleiding, flexibele opleidingsvormen, een geschiktheidsbeoordeling en financiële ondersteuning.
Eerder opgedane kennis en vaardigheden kunnen van waarde zijn, maar zijn niet automatisch bruikbaar in het onderwijs. Ervaring uit een beroep dat dicht bij een schoolvak ligt, is gemakkelijker over te dragen dan ervaring uit een heel andere werkomgeving.
Een voormalig ingenieur kan bijvoorbeeld technische kennis gebruiken bij het geven van natuurkunde. Dat betekent nog niet dat ervaring als ingenieur rechtstreeks toepasbaar is op klassenmanagement, leerlingbegeleiding of contact met ouders. Zij-instromers kunnen volgens de aangehaalde literatuur overschatten hoeveel van hun eerdere deskundigheid in de klas bruikbaar is.
Opleiders en mentoren moeten daarom vaststellen wat iemand al kan en waar aanvullende scholing nodig blijft. De gerapporteerde scholingsbehoeften van beginnende zij-instromers verschillen volgens TALIS op de meeste onderdelen overigens weinig van die van andere beginnende leraren.
Ervaren werknemer en beginnend leraar
Na de overstap houden zij-instromers een dubbele positie. Zij hebben vaak jarenlange werkervaring, maar zijn als leraar nog beginners. Hun leeftijd en eerdere loopbaan kunnen bij collega’s en leidinggevenden de indruk wekken dat zij minder begeleiding nodig hebben.
Uit de besproken studies komt juist naar voren dat zij ondersteuning nodig hebben die rekening houdt met beide kanten van hun positie. Erkenning van eerdere ervaring is daarbij een terugkerende behoefte. Wanneer collega’s en schoolleiders die ervaring waarderen, voelen zij-instromers zich meer betrokken en erkend.
TALIS 2024 laat zien dat zij-instromers vaker deelnemen aan informele introductieactiviteiten en vaker een mentor krijgen dan leraren die onderwijs als eerste loopbaan kozen. Dat betekent volgens de onderzoekers niet automatisch dat de begeleiding goed aansluit. De vraag is vooral of mentoren en schoolleiders rekening houden met hun combinatie van professionele ervaring en beperkte leservaring.
Minder zeker over klassenmanagement
De route waarlangs iemand leraar wordt, blijkt volgens de besproken literatuur niet de belangrijkste verklaring voor verschillen in leerresultaten. De kwaliteit van de opleiding en de hoeveelheid opgebouwde leservaring wegen zwaarder.
Zij-instromers beoordelen hun eigen onderwijsvaardigheden gemiddeld ongeveer even positief als andere leraren. Een terugkerend verschil betreft klassenmanagement. Zij voelen zich minder zeker over het laten naleven van regels en het kalmeren van rumoerige of storende leerlingen.
Ook hebben zij vaker een tijdelijk contract en minder vaak een vaste aanstelling. Het verschil in verwachte loopbaanduur verdwijnt grotendeels wanneer rekening wordt gehouden met hun hogere leeftijd. Wel noemen zij vaker een niet-lesgevende functie binnen het onderwijs als mogelijke volgende stap.
De onderzoekers waarschuwen ervoor zij-instroom vooral als snelle oplossing voor personeelstekorten te gebruiken. Sterk verkorte opleidingen kunnen ertoe leiden dat leraren onvoldoende voorbereid voor de klas komen. Volgens de aangehaalde literatuur hangen inhoudelijk beperkte trajecten samen met meer uitval en zwakkere leerresultaten. De opleiding van zij-instromers moet daarom niet minder grondig zijn, maar anders worden ingericht.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor lerarenopleidingen laat het onderzoek zien dat zij-instromers een opleiding nodig hebben die aansluit bij hun eerdere ervaring, zonder ervan uit te gaan dat die ervaring pedagogische en didactische scholing kan vervangen. Een geschiktheidsonderzoek en een persoonlijk opleidingsprogramma kunnen helpen om bestaande kennis en resterende scholingsbehoeften in kaart te brengen.
Voor scholen en schoolleiders is van belang dat zij-instromers tegelijk ervaren professionals en beginnende leraren zijn. Erkenning van hun eerdere loopbaan kan hun integratie ondersteunen, maar begeleiding bij onder meer klassenmanagement en de dagelijkse schoolpraktijk blijft nodig.
Voor onderwijsbeleid maken de bevindingen duidelijk dat zij-instroom alleen kan worden gevolgd en beoordeeld wanneer deze leraren afzonderlijk worden geregistreerd. Nederland behoort tot de kleine groep landen die dat al doet en heeft daarnaast een wettelijk geschiktheidsonderzoek en een afzonderlijke route naar bevoegdheid.
Bron: Maarse, J., Kohlloffel, C., De Berardinis, S. & Torres, J.M. (2026). A second career in teaching: Exploring practices and evidence for training, supporting and retaining second-career teachers, OECD Education Working Papers, No. 347. DOI: https://doi.org/10.1787/37722003-en