Scholieren die het nut van school niet zien, roken of vapen vaker dan leeftijdsgenoten die daar anders over denken. Die samenhang is gevonden in Nederlandse, Belgische en Duitse grensregio’s. Dat blijkt uit onderzoek van Brigitte A.M. van der Zanden, Stephanie Wagner en Christian J.P.A. Hoebe onder ruim twintigduizend jongeren. Ook vrienden, uitgaan, ouderlijk toezicht en vrijetijdsbesteding hangen samen met middelengebruik.
Jongeren uit drie grensregio’s
De onderzoekers wilden weten welke individuele en omgevingsfactoren samenhangen met alcoholgebruik, roken, vapen en cannabisgebruik onder jongeren in grensgebieden. Zulke regio’s vormen een bijzondere omgeving, omdat bewoners te maken kunnen krijgen met verschillende wetten, prijzen, gewoonten en sociale normen.
In september 2023 vulden 25.632 scholieren een anonieme onlinevragenlijst in. Voor de analyse werden de volledig ingevulde vragenlijsten van 20.461 jongeren van 13 tot en met 17 jaar gebruikt. Zij zaten op honderd middelbare scholen in de Euregio Maas-Rijn en Rijn-Maas-Noord. De uiteindelijke groep bestond uit 9.576 scholieren uit Nederland, 2.682 uit België en 8.203 uit Duitsland.
De vragen gingen onder meer over alcohol, roken, vapen en cannabis. Daarnaast vroegen de onderzoekers naar stress, prestatiedruk, schoolbeleving, pesten, vrienden, ouderlijk toezicht, de thuissituatie en activiteiten buiten school.
Wie school zinloos vindt, rookt of vapet vaker
In alle drie de landen vonden de onderzoekers een samenhang tussen school zinloos vinden en roken of vapen. De oddsratio bedroeg 1,77 in Nederland, 1,50 in België en 1,30 in Duitsland. Voor cannabis werd dit verband gevonden in Nederland en Duitsland, met oddsratio’s van respectievelijk 1,35 en 1,45. Alleen in Nederland hing school zinloos vinden ook samen met meer bingedrinken, met een oddsratio van 1,46.
Deze uitkomsten betekenen niet dat een negatieve kijk op school het middelengebruik veroorzaakt. Het onderzoek is op één moment uitgevoerd en brengt alleen statistische verbanden in beeld. Het is daardoor ook mogelijk dat middelengebruik de schoolbeleving beïnvloedt of dat andere, niet gemeten factoren bij beide een rol spelen.
Vrienden en late avonden springen eruit
De sterkste verbanden werden gevonden rond vrienden en uitgaan. Scholieren van wie de meeste of vrijwel alle vrienden alcohol dronken, hadden in alle drie de landen duidelijk hogere odds op bingedrinken, roken of vapen en cannabisgebruik.
Bij bingedrinken liepen de oddsratio’s uiteen van 9,11 in Duitsland tot 11,23 in België. Voor roken of vapen varieerden ze van 3,90 tot 7,55 en voor cannabis van 4,55 tot 6,45. Ook jongeren die in de voorafgaande week op minstens drie avonden na tien uur niet thuis waren, gebruikten vaker middelen. De samenhang was in alle landen zichtbaar bij bingedrinken, roken of vapen en cannabisgebruik.
De onderzoekers benadrukken dat de sterkte van sommige verbanden per land verschilde. De richting ervan was doorgaans wel hetzelfde.
Verschillen in schoolbeleving
Duitse scholieren meldden het vaakst dat zij veel stress ervoeren door bijvoorbeeld school, huiswerk, hun thuissituatie of persoonlijke problemen. Dat gold voor 63,6 procent van de Duitse deelnemers, tegenover 56,5 procent van de Belgische en 51,2 procent van de Nederlandse scholieren.
Ook pesten werd in de Duitse grensregio vaker gemeld. Van de Duitse scholieren zei 26,8 procent in de voorgaande drie maanden op school te zijn gepest. In België was dat 14,5 procent en in Nederland 13,9 procent. Uit de multivariabele analyse bleek echter niet dat pesten, los van de andere onderzochte factoren, significant samenhing met de drie vormen van middelengebruik.
Nederlandse scholieren noemden school het vaakst zinloos: 21,3 procent was het met die stelling eens. In België ging het om 18,0 procent en in Duitsland om 14,9 procent. Tegelijkertijd zei 95,3 procent van de Nederlandse jongeren bij iemand terecht te kunnen met problemen. Dat aandeel bedroeg 91,6 procent in België en 89,0 procent in Duitsland.
Toezicht en georganiseerde activiteiten
Ouderlijk toezicht hing juist samen met minder middelengebruik. Jongeren van wie de ouders gewoonlijk of altijd wisten waar zij waren, hadden in alle drie de landen lagere odds op bingedrinken, roken of vapen en cannabisgebruik. Ook duidelijke regels thuis hingen in de drie landen samen met minder bingedrinken.
Sporten en andere georganiseerde activiteiten vertoonden eveneens verschillende beschermende verbanden. Welke activiteit en welke deelnamefrequentie samenhing met minder gebruik, verschilde per land en middel. Sportdeelname hing niet in alle analyses uitsluitend met minder gebruik samen: enkele niveaus van deelname aan een sportclub gingen juist samen met meer bingedrinken.
Ook prestatiedruk liet geen eenvoudig patroon zien. Druk vanuit ouders hing in Duitsland samen met meer roken of vapen. Breder gemeten prestatiedruk vanuit de jongere zelf of anderen hing in Nederland en Duitsland bij sommige uitkomsten juist samen met minder gebruik.
Wetgeving verklaart niet alle verschillen
Het gebruik verschilde op onderdelen tussen de landen. Wekelijks roken kwam het vaakst voor in de Duitse grensregio: 9,4 procent, tegenover 5,5 procent in België en 4,7 procent in Nederland. Wekelijks vapen werd gemeld door 11,3 procent van de Duitse, 10,5 procent van de Nederlandse en 7,8 procent van de Belgische scholieren.
Bingedrinken in de vier weken voor het onderzoek kwam voor bij 22,9 procent van de Belgische, 21,7 procent van de Nederlandse en 20,7 procent van de Duitse deelnemers. Recent cannabisgebruik varieerde van 3,7 procent in België tot 4,6 procent in Nederland en 4,9 procent in Duitsland.
Volgens de onderzoekers zijn deze verschillen niet volledig te verklaren door nationale regels. Dezelfde sociale factoren kwamen in de drie grensregio’s grotendeels terug, al verschilden de verbanden soms in sterkte. Zij stellen daarom dat preventie naast wetgeving ook rekening moet houden met de dagelijkse omgeving van jongeren: thuis, op school, onder vrienden en tijdens hun vrije tijd.
De onderzoekers waarschuwen dat de resultaten niet mogen worden gezien als bewijs voor specifieke effecten van wonen bij de grens. Er was geen vergelijkingsgroep uit regio’s die niet aan een landsgrens liggen. Ook werd niet vastgelegd hoe dicht jongeren bij de grens woonden of hoe vaak zij de grens overstaken.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor scholen laten de resultaten zien dat schoolbeleving onderdeel is van de sociale omgeving waarin middelengebruik voorkomt. Aandacht voor leerlingen die school als zinloos ervaren, kan daarom worden meegenomen in een bredere preventieve aanpak. Het onderzoek bewijst niet dat een andere schoolbeleving het middelengebruik vermindert.
Voor ouders en verzorgers is vooral het verband met toezicht relevant. Weten waar jongeren zijn en duidelijke regels stellen hing in meerdere analyses samen met minder middelengebruik. Ook de vriendengroep en vaak laat van huis zijn kwamen naar voren als belangrijke factoren.
Voor gemeenten en gezondheidsorganisaties ondersteunen de bevindingen een aanpak waarin scholen, ouders, jeugdorganisaties en andere partijen uit aangrenzende regio’s samenwerken. De onderzoekers noemen onder meer het delen van gegevens en middelen en het ontwikkelen van gezamenlijke preventieactiviteiten.
Bron: Van der Zanden, B.A.M., Wagner, S. & Hoebe, C.J.P.A. (2026). Associations between individual and environmental factors and adolescent substance use in the border regions of the Netherlands, Belgium, and Germany, Frontiers in Public Health, 14:1858516. DOI: https://doi.org/10.3389/fpubh.2026.1858516