Voortgezet onderwijs

Moslimleerlingen scoren lager als de ramadan volledig in de lesperiode valt

Wanneer de ramadan volledig samenvalt met de lesperiode in het laatste schooljaar, wordt het verschil in centrale-examenprestaties tussen leerlingen met een moslimachtergrond en Nederlandse leerlingen zonder migratieachtergrond groter. Bij zowel de eerste als de tweede generatie verklaart deze overlap ongeveer een vijfde van het gemiddelde verschil in examencijfers tussen beide groepen. Dat blijkt uit onderzoek van Mery Ferrando en Teodora Tsankova van Tilburg University.

De onderzoekers bestudeerden of de inrichting van de Nederlandse schoolkalender gevolgen heeft voor leerlingen met andere religieuze gebruiken. De kalender houdt rekening met christelijke feestdagen, terwijl scholen tijdens een groot deel van andere religieuze periodes gewoon geopend zijn.

Tijdens de ramadan onthouden veel moslims zich tussen zonsopgang en zonsondergang van eten en drinken. Maaltijden, gebeden en sociale bijeenkomsten vinden vaak in de avond en vroege ochtend plaats. Daardoor kunnen slaap- en studiepatronen veranderen.

De onderzoekers konden in de administratieve gegevens niet zien welke leerlingen daadwerkelijk vastten. Uit de Survey Integratie Minderheden blijkt wel dat 75,6 procent van de ondervraagde moslims van 16 tot en met 18 jaar naar eigen zeggen iedere dag vast tijdens de ramadan. In totaal zegt 95,4 procent vaak of altijd te vasten.

Examenresultaten van ruim 1,47 miljoen leerlingen

Voor het onderzoek zijn administratieve gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek gekoppeld aan de resultaten van centrale examens. De analyse omvat ruim 1,47 miljoen leerlingen in het laatste jaar van het vmbo, de havo of het vwo.

Een leerling geldt in het onderzoek als iemand met een moslimachtergrond wanneer die leerling zelf of minstens één ouder is geboren in een land waar meer dan de helft van de bevolking moslim is. Het gaat dus om een indeling op basis van het geboorteland en niet om de vastgestelde religie of het vastengedrag van individuele leerlingen.

De Nederlandse vergelijkingsgroep bestaat uit leerlingen die zelf in Nederland zijn geboren en van wie beide ouders eveneens in Nederland zijn geboren.

Ramadan valt ieder jaar op een ander moment

De onderzoekers maakten gebruik van het feit dat de ramadan ieder jaar ongeveer elf dagen naar voren schuift ten opzichte van de gregoriaanse kalender. Daardoor valt de vastenmaand het ene jaar grotendeels in een schoolvakantie en het andere jaar grotendeels in de lesperiode.

Daarnaast kent Nederland drie vakantieregio’s: Noord, Midden en Zuid. De vakantieroosters van deze regio’s lopen niet altijd gelijk. Hierdoor kan de overlap tussen de ramadan en de lesperiode binnen hetzelfde schooljaar per regio verschillen.

De onderzoekers berekenden welk deel van de ramadan vóór het begin van de centrale examens binnen de lesperiode viel. De analyse loopt van schooljaar 2006/2007 tot en met 2014/2015. Vanaf 2015 begon de ramadan samen te vallen met de herkansingen in juni en vanaf 2018 ook met de reguliere centrale examens in mei. Door die latere jaren niet mee te nemen, konden de onderzoekers zich richten op mogelijke gevolgen tijdens de voorafgaande onderwijsperiode.

Ongeveer een vijfde van het bestaande verschil

Om examenresultaten uit verschillende groepen te kunnen vergelijken, zetten de onderzoekers de cijfers om naar één gemeenschappelijke meetschaal. Op die schaal bedraagt de geschatte daling bij volledige overlap 0,12 standaarddeviatie voor eerstegeneratieleerlingen met een moslimachtergrond en 0,09 standaarddeviatie voor de tweede generatie.

Deze cijfers betekenen niet dat hun examencijfers met 12 en 9 procent dalen. Een standaarddeviatie is ook niet rechtstreeks om te rekenen naar een aantal punten op de Nederlandse cijferschaal. In dit onderzoek komen de twee uitkomsten overeen met respectievelijk ongeveer 20 en 19 procent van het gemiddelde verschil in examenprestaties tussen deze leerlingen en de Nederlandse vergelijkingsgroep.

De negatieve uitkomsten waren zichtbaar bij zowel jongens als meisjes. De verschillen tussen jongens en meisjes waren niet groot genoeg om statistisch onderscheid te kunnen maken.

Grotere verschillen bij lagere inkomens en in het vmbo

De geschatte daling was groter bij leerlingen uit huishoudens met een inkomen beneden de mediaan. Bij leerlingen uit huishoudens met een hoger inkomen weken de uitkomsten niet aantoonbaar van nul af.

Ook waren de verschillen het grootst in het vmbo. Voor eerstegeneratieleerlingen met een moslimachtergrond bedroeg de geschatte daling daar ongeveer 0,15 standaarddeviatie. In de havo waren de uitkomsten kleiner. In het vwo lag de schatting voor tweedegeneratieleerlingen dicht bij nul.

De negatieve uitkomsten waren alleen statistisch aantoonbaar op scholen met een bovengemiddeld aandeel leerlingen met een moslimachtergrond. Volgens de onderzoekers kan dit samenhangen met verschillen in de naleving van de ramadan. Ook de samenstelling van de leerlingenpopulatie kan een rol spelen. Het onderzoek maakt geen onderscheid tussen deze mogelijke verklaringen.

Uitkomsten blijven overeind bij extra controles

De resultaten veranderden weinig wanneer de onderzoekers alleen landen meenamen waar minstens 85 of 95 procent van de bevolking moslim is. Ook afzonderlijke analyses van leerlingen met een Turkse of Marokkaanse achtergrond leverden negatieve uitkomsten op.

Daarnaast vergeleken de onderzoekers scholen in de buurt van de grenzen tussen de vakantieregio’s. Zo konden zij leerlingen vergelijken die geografisch dicht bij elkaar wonen, maar met verschillende vakantieroosters te maken hebben. Ook in deze analyses waren de uitkomsten overwegend negatief, al verschilden de omvang en de statistische zekerheid per grensgebied en generatie.

Minder effectieve leertijd als mogelijke verklaring

De resultaten passen volgens de onderzoekers bij een verlies aan effectieve leertijd tijdens de ramadan. Leerlingen zouden minder onderwijs kunnen volgen of tijdens de lessen minder kunnen leren. De onderzoekers beschikten echter niet over gegevens waarmee zij aanwezigheid, concentratie of leerprestaties tijdens afzonderlijke lessen rechtstreeks konden meten.

Een aanvullende analyse ondersteunt deze verklaring, maar bewijst haar niet. Een schooljaar dat ongeveer één maand, of 21,5 lesdagen, langer duurt, hangt voor eerste- en tweedegeneratieleerlingen met een moslimachtergrond samen met respectievelijk 0,13 en 0,04 standaarddeviatie hogere examencijfers ten opzichte van de Nederlandse vergelijkingsgroep.

Ook hier gaat het om een gestandaardiseerde vergelijking en niet om een stijging van 13 of 4 procent. De analyse laat vooral zien dat extra onderwijstijd voor deze groepen sterker samenhangt met betere examenprestaties dan voor de vergelijkingsgroep.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor scholen laten de resultaten zien dat perioden waarin de ramadan met de lesperiode samenvalt, gepaard kunnen gaan met grotere verschillen in examenprestaties. De onderzoekers noemen aanvullende onderwijsondersteuning tijdens zulke perioden als een mogelijke praktische aanpak.

Voor schoolleiders en docenten zijn vooral de uitkomsten voor het vmbo en voor leerlingen uit huishoudens met een lager inkomen relevant. Bij deze groepen waren de geschatte verschillen het grootst. Het onderzoek stelt niet vast welke vorm van ondersteuning het effectiefst is.

Voor beleidsmakers stellen de auteurs dat volledige afstemming van de schoolkalender op alle religieuze gebruiken in een diverse samenleving moeilijk uitvoerbaar is. Zij beschouwen extra ondersteuning wanneer religieuze gebruiken met lestijd samenvallen als een praktischer mogelijkheid.

Bron: Ferrando, M. & Tsankova, T. (2026). The School Calendar and Ramadan: Evidence on High-Stakes Exam Performance. Tilburg University, manuscript van 1 september 2026.

Ontdek meer onderwerpen