Het onderzoek laat daarmee niet alleen iets zien over kinderjournalistiek, maar ook over politieke vorming op school. Het debat werd klassikaal bekeken en het NOS Jeugdjournaal wordt op schooldagen vaker in de klas gebruikt. De studie maakt duidelijk dat zulke media politieke onderwerpen onder de aandacht van kinderen kunnen brengen, maar dat daarmee nog niet vanzelf politieke kennis ontstaat.
Politieke orientaties ontstaan al op jonge leeftijd
Aanleiding voor het onderzoek was het gebrek aan kennis over de rol die nieuwsmedia spelen bij de politieke betrokkenheid van kinderen. Voor volwassenen is uitgebreid onderzocht hoe nieuws en verkiezingsdebatten politieke kennis, standpunten en houdingen beïnvloeden, maar voor kinderen ontbrak zulk onderzoek vrijwel volledig. Omdat eerder onderzoek aanwijzingen geeft dat politieke oriëntaties al op jonge leeftijd ontstaan en langdurig kunnen doorwerken, wilden de onderzoekers weten of een televisiedebat speciaal voor kinderen iets teweegbrengt bij deze groep.
Het NOS Jeugdjournaal zond op 19 november 2023 een speciaal verkiezingsdebat uit voor kinderen, met zes lijsttrekkers. Tijdens het debat werden de partijleiders aan de kijkers voorgesteld, kwamen voor kinderen relevante onderwerpen als armoede en onderwijs aan bod, en deden de politici mee aan activiteiten waarmee hun standpunten en persoonlijkheid zichtbaar werden gemaakt.
Direct nadat ze op school naar het debat hadden gekeken
De onderzoekers kozen voor een zogenoemd within-subjectsexperiment met een voor- en nameting. In totaal vulden 133 kinderen van 8 tot en met 12 jaar, afkomstig van vier basisscholen, drie dagen voor het debat een vragenlijst in. Direct nadat zij het debat op school hadden gekeken, vulden zij opnieuw dezelfde vragenlijst in. De vragenlijst bevatte vragen over politieke kennis, interesse, intern politiek zelfvertrouwen, politiek vertrouwen, de houding tegenover politici en de mate waarin kinderen partijstandpunten correct konden plaatsen.
Voor het meten van het ervaren belang van onderwerpen werden zowel thema’s opgenomen die in het debat aan bod kwamen als thema’s die niet werden besproken. De besproken onderwerpen waren armoede, de oorlog in Gaza en onderwijs. De niet-besproken onderwerpen waren klimaat, wonen en gezondheidszorg.
De analyses laten zien dat het debat een agenda-settingeffect had. Kinderen vonden de besproken onderwerpen na het kijken belangrijker in verhouding tot de niet-besproken onderwerpen. Afzonderlijk beoordeeld stegen alle onderwerpen, zowel besproken als niet-besproken, licht in ervaren belang, maar geen van de afzonderlijke thema’s bereikte statistische significantie.
Wilders was populair
De houding van kinderen tegenover de politici werd over de hele linie positiever na het debat. Wanneer de politici afzonderlijk worden bekeken, was alleen de stijging in de beoordeling van Geert Wilders statistisch significant. De onderzoekers merken daarbij op basis van informele observaties in de klas op dat Wilders tijdens het debat meerdere verwijzingen naar populaire cultuur maakte die bij de kinderen aansloegen. Het onderzoek meldt niet welke verwijzingen specifiek. Ook bleek dat kinderen een politicus achteraf positiever beoordeelden naarmate zij vonden dat die politicus het goed had gedaan in het debat.
Op de overige gemeten aspecten van politieke betrokkenheid had het debat geen significante effecten. De politieke kennis van de kinderen veranderde niet, al was die kennis vooraf al relatief hoog. De nauwkeurigheid waarmee kinderen partijstandpunten konden plaatsen nam evenmin toe.
Als mogelijke verklaring wijzen de onderzoekers op de inhoud en vorm van het debat. Politici bespraken stellingen in tweetallen en neigden daarbij naar consensus, terwijl hun verkiezingsprogramma’s op die thema’s wel degelijk van elkaar verschilden. Zo was voor kinderen niet altijd zichtbaar waar de partijen inhoudelijk uit elkaar liepen. De onderzoekers schrijven dat de politici het jonge publiek leken te willen plezieren en dat de moderatoren die spanning tussen debatuitspraak en verkiezingsprogramma niet nadrukkelijk aan de orde stelden.
Een debat volstaat niet om meer te leren over de politiek
Voor scholen is dat een relevante uitkomst. Het NOS Jeugdjournaal wordt op schooldagen ook in de klas bekeken, maar het onderzoek laat zien dat zo’n verkiezingsdebat vooral onderwerpen op de agenda zet en politici bekender maakt. Wie leerlingen ook wil leren hoe partijen van elkaar verschillen, kan niet volstaan met alleen kijken naar het debat.
Politieke interesse, intern politiek zelfvertrouwen en politiek vertrouwen stegen evenmin significant. De onderzoekers noemen als mogelijke verklaring dat interesse en vertrouwen bij deze groep gemiddeld al redelijk hoog waren, waardoor er weinig ruimte was voor verdere groei. Ook vermoeden zij dat zulke diepere oriëntaties meer en langer mediagebruik vereisen dan één enkel debat.
Meer leren over het politieke en democratische systeem
Bij politiek zelfvertrouwen lag het gemiddelde juist relatief laag. Volgens de onderzoekers zou meer aandacht voor wat kinderen zelf kunnen doen rond politieke onderwerpen mogelijk kunnen helpen. Media zoals het NOS Jeugdjournaal zouden daarin een rol kunnen spelen door kinderen te laten zien hoe leeftijdsgenoten met politici in gesprek gaan en hoe zij meer leren over het politieke en democratische systeem.
De onderzoekers wijzen erop dat de studie geen controlegroep had, mede door de korte voorbereidingstijd na de val van het kabinet. Ook kan de klassensituatie invloed hebben gehad: in sommige groepen was het onrustig tijdens het kijken. Voor vervolgonderzoek pleiten zij daarom voor een controlegroep, een rustiger kijkomgeving en een extra meetmoment om te zien hoe lang de effecten aanhouden. Ook willen zij nader onderzocht zien of een speelse aanpak andere effecten heeft dan een debat dat sterker op kennisoverdracht is gericht.
Voor makers van kinderprogramma’s en voor scholen die zulke programma’s gebruiken, is de conclusie daarmee genuanceerd. Kinderdebatten kunnen kinderen helpen zien welke maatschappelijke onderwerpen belangrijk worden gevonden en kunnen politici dichterbij brengen. Maar als het doel ook is dat kinderen leren hoe partijen van elkaar verschillen, vraagt dat vermoedelijk om een andere vorm, met meer aandacht voor inhoudelijke standpunten, tegenspraak en uitleg.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor basisscholen laat dit onderzoek zien dat een verkiezingsdebat voor kinderen goed kan dienen als startpunt voor een klassengesprek over politiek en maatschappelijke onderwerpen. Het debat maakte besproken thema’s belangrijker in de ogen van kinderen, maar vergrootte hun politieke kennis niet aantoonbaar.
Voor leraren burgerschap is vooral relevant dat kinderen na het debat partijstandpunten niet beter konden plaatsen. Wie zulke uitzendingen gebruikt in de klas, zal dus aanvullende uitleg moeten geven over verschillen tussen partijen, verkiezingsprogramma’s en de werking van de democratie.
Voor makers van kinderprogramma’s maken de resultaten duidelijk dat een speelse aanpak politici dichterbij kan brengen, maar niet vanzelf leidt tot meer politieke kennis. Als kennisoverdracht een doel is, vraagt dat vermoedelijk om meer expliciete uitleg, scherpere contrasten tussen standpunten en een vorm die kinderen helpt begrijpen waar partijen inhoudelijk van elkaar verschillen.
Bron: Fransen, L. H. S., Tamboer, S. L., Van ’t Riet, J. P. & Kleemans, M. (2026). Investigating the Influence of Election Debates on Children’s Political Engagement: A Case Study of the Dutch Parliamentary Elections, Children & Society. DOI: https://doi.org/10.1111/chso.70052