Primair onderwijs

Leerkrachten op Bonaire omarmen meertaligheid, maar het Nederlands blijft de koloniale norm

De meeste leerkrachten op Bonaire beoordelen meertaligheid als een kans voor hun leerlingen, niet als een probleem. Maar in een Nederlandse gemeente waar ongeveer zestig procent van de inwoners dagelijks drie of meer talen gebruikt, blijft het onderwijs sterk ingericht rond het Nederlands als taal van lesmateriaal, toetsing en doorstroom. Dat blijkt uit onderzoek van Joana Duarte en Aya Ezzedinne van de Rijksuniversiteit Groningen onder 346 leraren in het primair, voortgezet en beroepsonderwijs op Bonaire.
Slavenhuisjes Bonaire

Bonaire is een bijzondere gemeente van Nederland met een uitgesproken meertalige samenleving. Papiamentu, een op Spaans en Portugees gebaseerde creolentaal, is de belangrijkste thuistaal van een groot deel van de bevolking en speelt een centrale rol in lokale identiteit en dagelijks leven. Tegelijk heeft het Nederlands institutioneel gezag als taal van onderwijs en toetsing, terwijl het voor veel leerlingen geen thuistaal is. Ook Engels en Spaans worden op het eiland veel gebruikt. Ongeveer zestig procent van de inwoners gebruikt dagelijks drie of meer talen.

Rol van Papiamentu als instructietaal blijft beperkt

Die talige werkelijkheid komt maar beperkt terug in het onderwijs. Het Bonairiaanse onderwijs is historisch sterk op het Nederlands gericht. Papiamentu is wel formeel erkend en ingevoerd als schoolvak, maar de rol van de taal als instructietaal blijft beperkt en verschilt per school. In het primair onderwijs wordt Papiamentu doorgaans gebruikt in de voorschoolse periode, tot kinderen ongeveer zes jaar zijn.

Daarna worden leerlingen meestal in het Nederlands gealfabetiseerd en neemt het Nederlands steeds sterker de rol van instructietaal over. In het voortgezet onderwijs is Papiamentu vooral een apart vak, met beperkte lestijd, gegeven door daarvoor aangestelde vakdocenten. Het wordt niet systematisch gebruikt als taal in andere vakken.

Taalhoudingen van leraren in de Caribische delen van het Koninkrijk

Duarte en Ezzedinne onderzochten welke opvattingen leraren op Bonaire hebben over de meertaligheid van hun leerlingen en over de vier belangrijkste talen in het onderwijs op het eiland: Papiamentu, Nederlands, Engels en Spaans. Volgens de onderzoekers ontbrak empirisch onderzoek naar taalhoudingen van leraren in de Caribische delen van het Koninkrijk, terwijl juist leraren een sleutelrol spelen in de manier waarop taalbeleid uiteindelijk in de klas vorm krijgt.

Voor het onderzoek werd een online vragenlijst verspreid onder leraren van alle instellingen voor basis-, voortgezet en beroepsonderwijs op Bonaire. De enquête was beschikbaar in het Papiamentu en het Nederlands en bestond uit 108 vragen. Voor dit onderzoek analyseerden de onderzoekers twee onderdelen over taalhoudingen, met zowel gesloten vragen op een vijfpuntsschaal als open vragen. Van de 346 respondenten vulde 38,4 procent de Papiamentstalige versie in en 61,6 procent de Nederlandstalige versie. De gegevens werden verzameld tussen november 2023 en maart 2024.

Meertaligheid als onderwijskans

Uit de kwantitatieve analyse blijkt dat leraren meertaligheid overwegend positief beoordelen. Op de schaal ‘meertaligheid als onderwijskans’ was de gemiddelde score 3,78 op een schaal van vijf. De schaal ‘meertaligheid als obstakel’ kwam duidelijk lager uit, met een gemiddelde van 2,52. Daarmee zien leraren meertaligheid in grote meerderheid eerder als iets dat onderwijs kan ondersteunen dan als een probleem.

Toch zijn er duidelijke verschillen tussen groepen leraren. Leraren met Nederlands als thuistaal zagen meertaligheid significant vaker als belemmering dan collega’s met Papiamentu als thuistaal. Dat verschil was volgens de onderzoekers groot. Daarmee bestaat er naast een breed gedeelde positieve houding ook een duidelijke groep waarin meer eentalige of tekortgerichte opvattingen blijven bestaan.

Engels en Nederlands werden eveneens positief beoordeeld

Ook de opvattingen over afzonderlijke talen verschillen. Papiamentu werd van de vier talen het meest positief beoordeeld, met een gemiddelde score van 4,18 op vijf. Die positieve houding was bovendien relatief breed gedeeld. Wel scoorden Nederlandstalige leraren ook hier lager dan Papiamentstalige collega’s. Engels en Nederlands werden eveneens positief beoordeeld, maar vaker gekoppeld aan academische doorstroom, werk en internationale kansen. Spaans werd vooral pragmatisch gewaardeerd, als nuttige taal voor de regionale arbeidsmarkt. Bij Spaans vonden de onderzoekers geen significante verschillen tussen taalgroepen.

De open antwoorden laten zien dat leraren de thuistaal van leerlingen vaak zien als basis voor het leren van andere talen. Tegelijk koppelen zij de waarde van meertaligheid geregeld aan het succesvol leren van Nederlands. De thuistaal wordt dan gewaardeerd, maar vooral omdat die kan helpen bij de overstap naar de taal die in het onderwijs de meeste macht heeft. Papiamentu wordt door veel leraren beschreven als taal van identiteit, verbondenheid en nabijheid, maar krijgt in de dagelijkse lespraktijk een beperktere rol.

Sommigen spreken zelf geen of onvoldoende Papiamentu

Een belangrijk deel van de leraren gaf aan zich onvoldoende voorbereid te voelen op meertalig onderwijs. Sommigen spreken zelf geen of onvoldoende Papiamentu. Anderen schrijven dat meertaligheid tijdens hun opleiding nauwelijks of niet aan bod kwam. Een leraar formuleerde dat als volgt: “Meertaligheid is tijdens mijn studie nooit aan bod gekomen. Destijds was ik me niet bewust van het belang van de thuistaal.” Leraren die zich wel vaardig voelen, hebben die kennis vaak opgebouwd door levenservaring, zelfstudie of werk in verschillende landen, niet door formele scholing.

De onderzoekers benadrukken dat dit gebrek aan voorbereiding niet moet worden gezien als weerstand tegen meertaligheid. Veel leraren willen de talen van hun leerlingen juist ruimte geven, maar missen taalvaardigheid, didactische handvatten, lesmateriaal of duidelijk beleid. Ook leraren die zich beter toegerust voelen, geven aan dat zij behoefte hebben aan verdere professionalisering.

Daarmee ontstaat volgens Duarte en Ezzedinne een spanning tussen positieve opvattingen en een onderwijsstructuur die in de praktijk sterk op het Nederlands blijft leunen. Leraren waarderen Papiamentu, erkennen de meertalige werkelijkheid van hun leerlingen en zien de voordelen van meertaligheid, maar werken binnen een systeem waarin Nederlands de vanzelfsprekende norm blijft voor onderwijs, toetsing en academisch succes.

Een institutionele ordening waarin het Nederlands dominant blijft

De onderzoekers concluderen dat de problemen rond meertalig onderwijs op Bonaire niet in de eerste plaats voortkomen uit weerstand van leraren. De kern ligt volgens hen in structurele beperkingen: onduidelijk taalbeleid, beperkte professionele voorbereiding, weinig materialen en een institutionele ordening waarin het Nederlands dominant blijft. Positieve houdingen van leraren zijn daarom noodzakelijk, maar niet genoeg.

Koloniale erfenissen

De bevindingen zijn volgens Duarte en Ezzedinne niet los te zien van de geschiedenis van het eiland. Koloniale taalhiërarchieën hebben het onderwijs op Bonaire blijvend gevormd, stellen zij, en het is die erfenis die verklaart waarom positieve houdingen van leraren alleen niet genoeg zijn. Zolang de institutionele structuren niet veranderen, blijft gelden wat de onderzoekers zelf concluderen: ‘koloniale erfenissen blijven voortbestaan doordat de dominantie van het Nederlands binnen onderwijsinstellingen vanzelfsprekend is geworden.

Voor inclusiever meertalig onderwijs is volgens de onderzoekers systemische verandering nodig. Dat vraagt om samenhangend taalbeleid, blijvende professionalisering van leraren en institutionele erkenning van thuistalen naast het Nederlands en andere internationale talen. Vervolgonderzoek zou volgens hen niet alleen enquêtes moeten gebruiken, maar ook moeten kijken naar wat er daadwerkelijk in de klas gebeurt. Ook de perspectieven van leerlingen en ouders zijn nodig om beter te begrijpen hoe de meertalige werkelijkheid van Bonaire zich verhoudt tot het taalgebruik op school.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor scholen op Bonaire laat dit onderzoek zien dat leraren meertaligheid meestal niet afwijzen. De belangrijkste spanning zit in het verschil tussen de meertalige leefwereld van leerlingen en een onderwijsstructuur waarin het Nederlands de dominante taal blijft voor instructie, toetsing en doorstroom.

Voor lerarenopleidingen en professionalisering maken de resultaten duidelijk dat positieve houdingen alleen niet genoeg zijn. Veel leraren geven aan dat zij tijdens hun opleiding weinig of niets leerden over meertalig onderwijs, terwijl zij in de klas dagelijks met Papiamentu, Nederlands, Engels en Spaans te maken hebben.

Voor taalbeleid in het onderwijs wijst het onderzoek op de noodzaak van meer samenhang. Papiamentu wordt breed gewaardeerd als taal van identiteit en verbondenheid, maar krijgt in de lespraktijk beperkt ruimte. Zonder duidelijk beleid, passend lesmateriaal en blijvende ondersteuning blijft de inzet van thuistalen afhankelijk van individuele leraren.

Bron: Duarte, J. & Ezzedinne, A. (2026). ‘Beyond Chambuká’: teachers’ language attitudes in the post-colonial education of the Caribbean Netherlands, Journal of Multilingual and Multicultural Development. DOI: https://doi.org/10.1080/01434632.2026.2661383

Ontdek meer onderwerpen