Primair onderwijs

Nederland blinkt niet uit in topscores, maar wel in gelijke kansen tussen jonge kinderen

Nederlandse vijfjarigen behoren in internationaal perspectief niet tot de absolute top als het gaat om taal- en rekenvaardigheden, maar het Nederlandse voorschoolse systeem valt volgens de OESO juist op door relatief kleine verschillen tussen kinderen. Vooral de beperkte kloof tussen kansarme en kansrijke kinderen springt eruit. Daarmee positioneert Nederland zich in de nieuwe OESO-studie Building Strong Foundations for Life minder als een land van uitzonderlijk hoge prestaties, en meer als een systeem dat ongelijkheid vroeg probeert te beperken.
OECD

De studie maakt gebruik van gegevens uit het International Early Learning and Child Well-being Study (IELS), waarin vijfjarigen uit verschillende landen en regio’s werden onderzocht op beginnende geletterdheid, gecijferdheid, zelfregulatie en sociaal-emotionele ontwikkeling. Nederland deed mee naast onder meer Engeland, Korea, Vlaanderen, Brazilië en Malta.

Bij de zogenoemde foundational learning-skills, de samengestelde maat voor vroege taal- en rekenontwikkeling, behaalt Nederland een score van 493 punten. Dat ligt net onder het internationale gemiddelde van 500. Landen als Korea en Engeland scoren hoger. Nederland bevindt zich daarmee in de middenmoot als gekeken wordt naar gemiddelde prestaties.

Toch ligt de nadruk in het OESO-rapport niet primair op die gemiddelden, maar juist op de spreiding tussen kinderen. Daar valt Nederland volgens de onderzoekers sterk op. De verschillen tussen hoog- en laagpresterende kinderen behoren in Nederland tot de kleinste van alle deelnemende landen. Alleen Vlaanderen en Korea laten vergelijkbare patronen zien. Vooral bij sociaal-emotionele ontwikkeling springt Nederland eruit: daar zijn de verschillen tussen kinderen volgens de OESO zelfs het kleinst van alle onderzochte jurisdicties.

De onderzoekers koppelen dat expliciet aan de manier waarop Nederland voorschoolse voorzieningen inzet. Anders dan in veel andere landen maken in Nederland juist kinderen uit sociaal-economisch kwetsbare gezinnen relatief vaak gebruik van voorschoolse educatie en kinderopvang. Volgens de studie namen achtergestelde kinderen gemiddeld langer deel aan formele opvang en educatie dan kinderen uit meer bevoorrechte gezinnen.

Verhoogd risico op onderwijsachterstanden

Ook de leeftijd waarop kinderen instromen laat een opvallend patroon zien. Van de kinderen uit kwetsbare groepen zat 49 procent al vóór het derde levensjaar in formele voorschoolse voorzieningen, tegenover 38 procent van de kinderen uit meer kansrijke gezinnen. De OESO wijst daarbij nadrukkelijk op het Nederlandse beleid rond voorschoolse educatie, waarbij gemeenten extra gesubsidieerde opvanguren aanbieden aan kinderen met een verhoogd risico op onderwijsachterstanden.

Daarmee onderscheidt Nederland zich van veel andere landen, waar juist hogere inkomensgroepen vaker en eerder gebruikmaken van formele kinderopvang en educatieve voorzieningen. De OESO beschrijft het Nederlandse systeem daarom als relatief sterk gericht op vroege compensatie van achterstanden.

Een ingewikkeld patroon in de Nederlandse gegevens

Tegelijkertijd signaleren de onderzoekers ook een ingewikkeld patroon in de Nederlandse gegevens. Kinderen die al zeer vroeg instromen in voorschoolse voorzieningen halen gemiddeld iets lagere scores op verschillende ontwikkelingsdomeinen. Volgens de OESO betekent dat waarschijnlijk niet dat vroege opvang schadelijk is, maar weerspiegelt dit vermoedelijk vooral dat juist kwetsbare kinderen relatief sterk vertegenwoordigd zijn in die vroege opvangprogramma’s.

Die nuance is belangrijk, omdat de studie nadrukkelijk waarschuwt tegen te eenvoudige conclusies over oorzaak en gevolg. De onderzoekers benadrukken dat sociale achtergrond, thuissituatie en taalomgeving sterk samenhangen met deelname aan voorschoolse voorzieningen én met ontwikkelingsuitkomsten.

Vooral op sociaal-emotioneel vlak valt dat op

Breder bekeken schetst de OESO daarmee een relatief consistent beeld van Nederland. Het land behoort niet tot de absolute internationale top in gemiddelde prestaties van jonge kinderen, maar weet verschillen tussen kinderen relatief klein te houden. Vooral op sociaal-emotioneel vlak valt dat op. Het Nederlandse systeem lijkt daardoor minder gericht op maximale uitschieters naar boven, en meer op het voorkomen van grote achterstanden op jonge leeftijd.

Dat sluit aan bij een bredere lijn in het rapport, waarin ongelijkheid in de vroege kinderjaren centraal staat. De OESO benadrukt dat verschillen in taalontwikkeling, zelfregulatie en sociaal-emotionele vaardigheden vaak al vóór de basisschool zichtbaar worden en later doorwerken in schoolloopbanen en maatschappelijke kansen. Juist daarom leggen veel landen steeds meer nadruk op vroege interventies, voorschoolse educatie en gerichte ondersteuning van kwetsbare gezinnen.

Binnen die internationale context positioneert Nederland zich volgens de studie vooral als een relatief egaliserend systeem. Niet omdat Nederlandse kinderen gemiddeld overal het hoogste scoren, maar omdat extreme verschillen tussen kinderen relatief beperkt blijven.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor gemeenten en voorschoolse voorzieningen laat de OESO-studie zien dat Nederland internationaal opvalt doordat kinderen uit kwetsbare gezinnen relatief vroeg en relatief lang deelnemen aan formele voorschoolse programma’s. Dat sluit aan bij het Nederlandse beleid waarin extra gesubsidieerde uren beschikbaar zijn voor kinderen met een verhoogd risico op onderwijsachterstanden.

Voor basisscholen en kinderopvangorganisaties is relevant dat Nederlandse vijfjarigen niet tot de internationale top behoren in vroege taal- en rekenvaardigheden, maar dat de verschillen tussen kinderen relatief klein zijn. Vooral bij sociaal-emotionele ontwikkeling is de spreiding in Nederland kleiner dan in de andere onderzochte landen en regio’s.

Voor beleidsmakers onderstreept het rapport dat vroege achterstanden al vóór de basisschool zichtbaar zijn. De Nederlandse cijfers wijzen niet op uitzonderlijk hoge gemiddelde prestaties, maar wel op een systeem waarin gerichte voorschoolse deelname van kwetsbare kinderen een duidelijke plaats heeft. Tegelijk blijft voorzichtigheid nodig: de studie beschrijft samenhangen en bewijst niet dat deelname aan voorschoolse voorzieningen op zichzelf de gemeten uitkomsten veroorzaakt.

Bron: OECD (2026). Building Strong Foundations for Life: Results from the 2025 Early Learning and Child Well-being Study, OECD Publishing, Paris. DOI: https://doi.org/10.1787/02bf8efe-en

Ontdek meer onderwerpen