Voortgezet onderwijs

Hoogbegaafdheid zit vol hardnekkige beelden, maar veel daarvan zijn wetenschappelijk wankel

Hoogbegaafden zouden perfectionistisch, hoogsensitief, intens en sociaal-emotioneel kwetsbaar zijn. In de praktijk zijn zulke beelden wijdverbreid, maar de wetenschappelijke basis is vaak minder stevig dan gedacht. Sven Mathijssen liet in een online inspiratiesessie van de Radboud Universiteit zien hoe groot de kloof soms is tussen wat professionals herkennen en wat onderzoek daadwerkelijk aantoont.

Wie zich verdiept in hoogbegaafdheid, komt al snel terecht in een veld vol stellige uitspraken. Hoogbegaafde kinderen zouden intenser voelen, sneller overprikkeld raken, perfectionistischer en sociaal-emotioneel kwetsbaarder zijn dan andere kinderen. In onderwijspraktijken, oudergesprekken en professionele trainingen klinken die begrippen vaak vanzelfsprekend. Juist daarom is het ongemakkelijk dat de wetenschappelijke onderbouwing ervan geregeld dunner is dan het debat doet vermoeden.

Praktijkervaring, anekdotes en wetenschappelijk bewijs gaan door elkaar lopen

Dat was de kern van de lezing van Sven Mathijssen, plaatsvervangend hoofdopleider bij de Radboud International Training on High Ability (RITHA), tijdens een online inspiratiesessie van de Radboud Universiteit. Mathijssen is psycholoog, was vijf jaar hoofdredacteur van het populairwetenschappelijke tijdschrift Talent en promoveerde aan Tilburg University op onderzoek naar mensfiguurtekeningen in relatie tot hoogbegaafdheid. In zijn lezing probeerde hij niet de praktijk weg te zetten als onwetenschappelijk, maar liet hij zien hoe ingewikkeld het wordt zodra praktijkervaring, anekdotes en wetenschappelijk bewijs door elkaar gaan lopen.

“Je duikt het internet in en het blijkt een enorm doolhof van mensen die elkaar tegenspreken”, zei Mathijssen aan het begin van zijn lezing. “Sommige zaken lijken niet onderbouwd. Dingen die wel onderbouwd zijn, raken de praktijk niet helemaal. Sommige zaken zijn super genuanceerd, maar daardoor misschien wel onbegrijpelijk. En andere zaken zijn hartstikke duidelijk, maar hartstikke stellig, en dan vraag je je af: is het wel zo zwart-wit?”

Nominaties voor hoogbegaafdheid door leraren of door ouders

Dat doolhof begint al bij de vraag wie in onderzoek eigenlijk als hoogbegaafd wordt aangemerkt. Mathijssen wees op een studie van Carol Carmen uit 2013, die 104 artikelen over hoogbegaafdheid analyseerde. Daaruit bleek dat onderzoekers heel verschillende selectiecriteria gebruikten. In veel studies werd een IQ-score gehanteerd, maar de precieze grens verschilde. Andere onderzoekers selecteerden deelnemers op basis van prestatietests, schoolresultaten of nominaties door leraren of ouders.

Dat lijkt misschien een methodologisch detail, maar volgens Mathijssen raakt het aan de basis van het onderzoeksveld. “Kortom, dat is heel divers”, zei hij. “En dat kan een probleem zijn als je onderzoek wilt doen naar een construct dat wel dezelfde naam heeft, maar eigenlijk over heel andere mensen gaat.” Samen met Carmen werkt Mathijssen inmiddels aan een replicatiestudie om te kijken of het veld sinds 2013 methodologisch sterker is geworden. Een geruststellend antwoord kon hij nog niet geven. “Nou ja, dat is nog maar even de vraag. We hopen later dit jaar met meer resultaten te kunnen komen.”

Een van de meest hardnekkige zorgen rond hoogbegaafdheid is dat versnellen slecht zou zijn voor de sociale en emotionele ontwikkeling van kinderen. Ouders en scholen aarzelen vaak om een kind een klas te laten overslaan, uit angst dat het sociaal klem komt te zitten of emotioneel overvraagd raakt. Juist omdat die angst al zo lang bestaat, is er veel onderzoek naar gedaan, vooral in de Verenigde Staten. Matthijssen verwees naar omvangrijke overzichtswerken als A Nation Deceived en A Nation Empowered.

Versnellen heeft geen negatieve gevolgen

De uitkomst daarvan is volgens hem duidelijker dan veel scholen denken. “Consistent blijkt uit dat onderzoek dat versnellen in ieder geval geen negatieve gevolgen heeft voor de sociale en emotionele ontwikkeling van kinderen die versneld zijn”, zei Mathijssen. Hij voegde daar direct een belangrijke nuance aan toe. “In de regel. Er zijn altijd individuen aan te wijzen voor wie dat absoluut niet goed was, want er zijn heel veel factoren die altijd meespelen. Maar in de regel denken dat versnellen slecht is, lijkt wetenschappelijk gezien niet terecht.” Nederlands onderzoek van Lianne Hoogeveen wijst volgens Mathijssen in dezelfde richting.

Ook het beeld van de hoogbegaafde perfectionist blijkt minder stevig dan vaak wordt aangenomen. In de praktijk wordt perfectionisme vaak genoemd als kenmerk van hoogbegaafdheid, zeker in het onderwijs. Daarbij gaat het meestal niet om gezond streven naar kwaliteit, maar om de verlammende variant: kinderen die niet durven beginnen, vastlopen door faalangst of alleen genoegen nemen met perfect werk.

Niet significant is hier een beetje creatief boekhouden

Mathijssen verwees naar een meta-analyse naar perfectionisme bij mensen met kenmerken van hoogbegaafdheid. De onderzoekers vonden wel enige aanwijzingen dat leerlingen met kenmerken van begaafdheid hoger scoorden op perfectionistisch streven, maar dat verschil was niet significant. “Hoewel niet significant is hier een beetje creatief boekhouden”, zei Mathijssen. “De eigenlijke conclusie is: leerlingen met kenmerken van begaafdheid zijn niet perfectionistischer. Zowel niet op perfectionistische zorgen als op perfectionistisch streven.”

Een recentere Belgische studie van Jeroen Lavrijsen en collega’s kwam tot een iets ander beeld. Daarin werd wel een significant effect gevonden voor perfectionistisch streven, maar niet voor perfectionistische zorgen. Juist dat laatste is volgens Mathijssen relevant, omdat de onderwijspraktijk vaak vooral spreekt over de schadelijke of verlammende kanten van perfectionisme. “Als we spreken over perfectionisme bij hoogbegaafdheid in de context van school, dan hebben we het vaak over de verlammende effecten van perfectionisme”, zei hij. “Terwijl dat dus niet blijkt uit wetenschappelijk onderzoek.”

Populaire theorie

Een derde begrip dat in het hoogbegaafdheidsveld veel rondgaat, is intensiteit. Daarmee wordt vaak verwezen naar de theorie van de Poolse psychiater Kazimierz Dąbrowski en zijn zogenoemde overexcitabilities: verhoogde gevoeligheden op psychomotorisch, zintuiglijk, intellectueel, verbeeldend en emotioneel vlak. Die theorie is in de praktijk populair, maar ook hier vroeg Mathijssen zich af hoe sterk de empirische basis is.

Een meta-analyse laat zien dat mensen met kenmerken van hoogbegaafdheid gemiddeld hoger scoren op verschillende vormen van overexcitability. Maar dat betekent niet dat alle claims overeind blijven. De psychomotorische variant, door Mathijssen kort samengevat als “de bewegelijkheid”, liet geen significant effect zien. Bij de emotionele en zintuiglijke variant werd wel een effect gevonden, maar dat was klein.

Heel veel leraren kijken niet met een loep of een microscoop naar leerlingen

Daar zit volgens Mathijssen een belangrijk punt. Kleine effecten kunnen statistisch bestaan, maar zijn in de praktijk niet altijd goed zichtbaar. Hij verwees naar Jacob Cohen, een gezaghebbende statisticus, die stelde dat een verschil pas bij een middelmatig effect ook met het blote oog herkenbaar wordt. “Terwijl heel veel leraren in het onderwijs niet met een loep of een microscoop naar leerlingen kijken als ze zeggen dat ze emotionele en sensorische overprikkeling zien”, aldus Mathijssen.

Ook hoogsensitiviteit wordt vaak gekoppeld aan hoogbegaafdheid. Toch is ook daar het wetenschappelijk bewijs beperkt. Matthijssen wees erop dat het onderzoek naar deze relatie nog jong is en dat er nog maar een klein aantal studies beschikbaar is. Véronique De Gucht en collega’s deden in Nederland onderzoek bij volwassenen en vonden dat mensen met kenmerken van hoogbegaafdheid juist lager scoorden op sensory processing sensitivity. Wel scoorden zij hoger op positieve gevoeligheid, zoals esthetische waarneming. De lagere score op negatieve gevoeligheid voor prikkels kon deels worden verklaard door de persoonlijkheidstrek neuroticisme.

De vijfde stelling die Mathijssen besprak, raakt misschien het meest aan de dagelijkse zorgen van ouders en professionals: hoogbegaafden zouden vaak sociaal-emotionele problemen hebben. Daarvoor is in de literatuur wel meer steun te vinden, maar de vraag is waar die problemen vandaan komen. Mathijssen verwees naar een literatuurstudie waaruit blijkt dat sociaal-emotionele problemen doorgaans niet voortkomen uit hoogbegaafdheid op zichzelf, maar uit een mismatch tussen het individu en de omgeving.

Negatieve impact op je sociale en emotionele gesteldheid

“Als je in een omgeving zit waar je niet in je behoeften wordt voorzien, waar je je niet gehoord voelt, dan heeft dat een grote negatieve impact op je sociale en emotionele gesteldheid”, zei Mathijssen. “Dat gaat eigenlijk voor heel veel mensen op.” Daarmee verschoof hij de aandacht van het kind naar de context. Niet de hoogbegaafdheid zelf is dan het probleem, maar een omgeving die onvoldoende aansluit bij wat iemand nodig heeft.

Juist daar ligt volgens de Radboud-onderzoeker de opdracht voor professionals. Zij moeten niet kiezen tussen wetenschap en praktijk, maar voortdurend schakelen tussen algemene kennis en individuele situaties. Hij verwees naar Stijn Smeets, die drie perspectieven op kennis onderscheidt: het wetenschappelijke perspectief, het pragmatische perspectief en het ervaringsgerichte perspectief. Elk perspectief heeft zijn eigen waarde. Wetenschap zoekt naar generaliseerbare regels, de praktijk naar wat werkt, en ervaringskennis naar betekenis voor het individu.

Het gaat mis wanneer die perspectieven met elkaar worden verward. Anekdotes kunnen waardevol zijn, maar zijn geen wetenschappelijk bewijs. Omgekeerd kan een wetenschappelijke bevinding gemiddeld kloppen, terwijl die voor een specifiek kind in een specifieke situatie niet opgaat. “De wetenschap en de praktijk worden soms gepresenteerd als gescheiden werelden, terwijl ze onlosmakelijk met elkaar verbonden zouden moeten zijn.”

Niet een discussie over wie er gelijk heeft, maar tot een open dialoog

In de vragenronde werd duidelijk hoe gevoelig die spanning blijft. Een deelnemer wees op studies van Aron en Van Hoof, waaruit een verband van wel 87 procent tussen hoogbegaafdheid en hoogsensitiviteit zou blijken. Matthijssen antwoordde dat hij die studies niet in peer-reviewed tijdschriften had kunnen terugvinden en ze daarom niet had meegenomen. Dat betekende volgens hem niet dat ervaringen uit de praktijk onbelangrijk zijn, maar wel dat ze zorgvuldig moeten worden gewogen.

“Ik bedoel absoluut niet te zeggen dat de wetenschap gelijk heeft en de waarheid in pacht, en dat de praktijk zich daar maar naar moet schikken”, zei de Nijmeegse onderzoeker. “Ik vind het juist heel belangrijk: als er zo’n verschil is tussen wat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt en wat in de praktijk wordt gezien, dan moet dat vragen oproepen en leiden tot gesprek. En ik hoop op een open dialoog. Dus juist niet als discussie over wie er gelijk heeft, maar vooral: waar zit het in, en hoe gaan we verder? Want het gaat uiteindelijk om individuen waar we mee moeten werken.”

Ontdek meer onderwerpen