Primair onderwijs

Google begrijpt niet hoe basisschoolkinderen informatie beoordelen

Kinderen zoeken steeds vaker online voor school, maar zoekmachines en lespraktijken sluiten daar nog onvoldoende op aan. Daardoor lopen vooral leerlingen zonder veel voorkennis, taalvaardigheid of steun van volwassenen vast, blijkt uit onderzoek van Diletta Micol Tobia, Monica Landoni, Hrishita Chakrabarti en Maria Soledad Pera. van de TU Delft.

Zij onderzochten hoe leerlingen in de bovenbouw van de basisschool en hun leerkrachten omgaan met zoekresultaten bij schoolopdrachten. Begrijpelijkheid van tekst is daarbij de enige factor waarover beide groepen het eens zijn, al leggen ze de lat op verschillende hoogte.

Zoekmachines en andere informatiesystemen zijn van oudsher ontworpen voor volwassen gebruikers. Dat is voor het onderwijs een probleem, omdat kinderen al vanaf jonge leeftijd online zoeken en dat steeds vaker doen als onderdeel van schoolwerk. Als relevante informatie wordt bepaald volgens volwassen maatstaven, sluiten zoekresultaten niet vanzelf aan bij wat kinderen begrijpen, nodig hebben of in de klas leren beoordelen.

Afzonderlijke gebruikersgroep, met eigen cognitieve ontwikkeling

De onderzoekers wilden daarom weten welke criteria kinderen en leraren gebruiken om te bepalen of online informatie relevant is, hoe die criteria zich tot elkaar verhouden en in hoeverre hun uitspraken overeenkomen met hun daadwerkelijke zoekgedrag. Zij plaatsen hun onderzoek in het bredere vraagstuk hoe informatiesystemen kunnen worden ontworpen voor kinderen als afzonderlijke gebruikersgroep, met eigen cognitieve ontwikkeling, beperkte digitale kennis en andere informatiebehoeften dan volwassenen.

Het onderzoek vond plaats op Italiaanstalige basisscholen en richtte zich op leerlingen van negen tot elf jaar. In totaal namen 22 leerkrachten en 34 leerlingen deel. De leerkrachten vulden een vragenlijst in met open vragen over de criteria die zij gebruiken wanneer zij online informatie zoeken voor schoolactiviteiten of voor hun leerlingen. De leerlingen namen deel aan twee klassikale zoeksessies met opdrachten die aansloten bij het curriculum: één individueel en één in groepsverband.

Tijdens die sessies maakten de onderzoekers observatieaantekeningen en gebruikten zij de hardop-denkenmethode, waarbij leerlingen hun overwegingen uitspraken terwijl zij zochten. Daarnaast analyseerden de onderzoekers een bestaand logboek van zoekopdrachten en klikgedrag van kinderen, samen met relevantiebeoordelingen die een basisschoolleerkracht eerder had gemaakt van 556 webpagina’s. Met statistische analyses brachten zij onder meer leesbaarheid, leestijd, subjectiviteit en emotionele toon van de gevonden bronnen in kaart.

Betrouwbaarheid van de bron en begrijpelijke taal

Uit de antwoorden van leerkrachten blijkt dat zij bij het beoordelen van bronnen vooral letten op aansluiting bij leerdoelen, betrouwbaarheid van de bron en begrijpelijke taal. Ook leeftijdsgeschiktheid, online veiligheid en bruikbaarheid in de les spelen een rol. Leerkrachten zeggen dus vooral te zoeken naar informatie die inhoudelijk klopt, past bij de opdracht en toegankelijk is voor hun leerlingen.

De daadwerkelijke beoordelingen laten echter een minder eenduidig beeld zien. Bronnen die leerkrachten als relevant beoordeelden, bevatten relatief veel subjectieve informatie. Dat is volgens de onderzoekers opvallend, omdat subjectiviteit vaak juist wijst op een lagere bronbetrouwbaarheid. Ook bleken de door leerkrachten geselecteerde bronnen qua leesbaarheid eerder te passen bij leerlingen in het voortgezet onderwijs dan bij leerlingen op de basisschool. Dat suggereert dat leerkrachten kunnen overschatten welk tekstniveau hun leerlingen aankunnen.

Kinderen hanteren andere criteria. Zij baseren hun oordeel sterk op voorkennis, vaak afkomstig van volwassenen die zij vertrouwen, zoals ouders, trainers of andere bekenden. Ook vertrouwdheid met de bron speelt een grote rol. Een bron wordt eerder geloofd als een kind die al kent. Verder letten kinderen op begrijpelijke taal en op visuele elementen zoals afbeeldingen en video’s.

Zij stoppen vaak bij het eerste resultaat

Een belangrijke bevinding is dat veel kinderen zoeken volgens het principe van de minste moeite. Zij stoppen vaak bij het eerste resultaat of bij een snel beschikbaar antwoord, zonder uitgebreid verder te kijken. In groepssituaties wordt relevantie bovendien een sociaal proces. Leerlingen bespreken met elkaar wat zij betrouwbaar vinden en komen gezamenlijk tot een oordeel. Relevantie is in de klas dus niet alleen een individuele afweging, maar ontstaat ook in overleg met klasgenoten.

Tegelijkertijd is er een verschil tussen wat kinderen zeggen dat zij doen en wat hun klikgedrag laat zien. Kinderen geven aan dat zij korte en directe informatie willen, maar klikken in de praktijk ook op langere teksten. Volgens de onderzoekers wijst dat op een kloof tussen hun uitgesproken voorkeur voor snelle antwoorden en hun feitelijke zoekgedrag.

De vergelijking tussen leerkrachten en leerlingen laat zien dat begrijpelijkheid voor beide groepen doorslaggevend is. Toch bedoelen zij daar niet precies hetzelfde mee. Leerkrachten zoeken naar teksten die ook toegankelijk zijn voor leerlingen zonder veel voorkennis van het onderwerp. Kinderen zoeken meestal binnen een onderwerp dat al in de klas is behandeld. Daardoor kunnen zij soms teksten begrijpen die op papier boven hun leesniveau lijken te liggen, omdat zij de belangrijkste begrippen al kennen.

Bronnen met subjectieve informatie

Over betrouwbaarheid maken beide groepen zich in theorie zorgen. In de praktijk selecteren zowel leerkrachten als leerlingen echter vaker bronnen met subjectieve informatie dan bronnen met overwegend feitelijke informatie. Kinderen blijken niet altijd goed toegerust om feitelijke informatie van meningen te onderscheiden. Dat geldt volgens de onderzoekers niet alleen voor leerlingen: ook bij de beoordelingen van leerkrachten kwamen subjectieve bronnen relatief vaak als relevant naar voren.

Ook gemak speelt bij beide groepen een rol, maar op verschillende manieren. Voor leerkrachten gaat het om de vraag of een bron makkelijk bruikbaar of aanpasbaar is voor de les. Voor kinderen gaat het vooral om de snelheid waarmee zij een antwoord kunnen vinden. Die verschillende vormen van bruikbaarheid kunnen botsen: wat voor een leerkracht geschikt lesmateriaal lijkt, vraagt van een leerling mogelijk meer aandacht en inspanning dan die bereid is te investeren.

Relevantie in de basisschoolklas

Volgens de onderzoekers laat dit zien dat relevantie in de basisschoolklas niet kan worden teruggebracht tot één simpele maatstaf. Wat als relevant geldt, ontstaat uit het samenspel van de cognitieve en emotionele ontwikkeling van kinderen, de onderwijsdoelen van leerkrachten en de sociale dynamiek in de klas. Online zoeken is in het onderwijs daarom niet alleen een technische vaardigheid, maar ook een leerproces waarin kinderen moeten leren omgaan met taalniveau, betrouwbaarheid, voorkennis, snelheid en overleg met anderen.

De onderzoekers stellen dat bestaande informatiesystemen deze meervoudige en contextafhankelijke aard van relevantie onvoldoende weerspiegelen. Zoekmachines en andere informatiesystemen zijn gebouwd op definities van relevantie die vooral zijn afgeleid van volwassen gebruikers. Daardoor sluiten zij niet vanzelf aan bij kinderen die nog leren zoeken, beoordelen en begrijpen.

Herdefiniëring van relevantie

Het onderzoek pleit daarom voor een herdefiniëring van relevantie voor kinderen in onderwijscontexten. Daarbij hoort volgens de onderzoekers ook de ontwikkeling van datasets die worden beoordeeld door onderwijsexperts die rekening houden met leeftijd, begripsniveau en leerdoelen. Zulke beoordelingen zijn nodig om informatiesystemen beter te laten aansluiten bij kinderen in de klas.

Daarnaast benadrukken de onderzoekers dat onderscheid nodig is tussen wat kinderen aantrekkelijk vinden en wat hun begrip daadwerkelijk ondersteunt. Afbeeldingen, vertrouwde bronnen of snelle antwoorden kunnen helpen om informatie toegankelijk te maken, maar zijn niet automatisch voldoende om goed begrip of kritisch bronnengebruik te bevorderen. Juist daar ligt volgens het onderzoek een belangrijke opdracht voor onderwijs en technologie: kinderen ondersteunen bij online zoeken op een manier die past bij hun ontwikkeling, zonder hun zoekervaring te versmallen of hun zelfstandigheid te beperken.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor basisscholen laat dit onderzoek zien dat online zoeken niet vanzelf een geschikte leeractiviteit is. Leerlingen beoordelen zoekresultaten anders dan volwassenen en hebben begeleiding nodig bij tekstbegrip, bronbetrouwbaarheid en het herkennen van subjectieve informatie.

Voor leerkrachten is vooral relevant dat hun eigen oordeel over geschikte bronnen niet altijd overeenkomt met wat leerlingen daadwerkelijk begrijpen of gebruiken. Bronnen die didactisch bruikbaar lijken, kunnen qua leesniveau te moeilijk zijn of te veel subjectieve informatie bevatten.

Voor ontwikkelaars van zoekmachines en educatieve platforms maakt het onderzoek duidelijk dat relevantie voor kinderen anders moet worden beoordeeld dan relevantie voor volwassenen. Systemen die in het onderwijs worden gebruikt, moeten rekening houden met leeftijd, voorkennis, begrijpelijkheid, klascontext en de begeleiding door leerkrachten.

Bron: Tobia, D. M., Chakrabarti, H., Pera, M. S. & Landoni, M. (2026). All That Matters: Revisiting Children’s Concept of Relevance in Primary School Context, in Advances in Information Retrieval, ECIR 2026, LNCS 16485, Springer Nature Switzerland. DOI: https://doi.org/10.1007/978-3-032-21324-2_23

Ontdek meer onderwerpen

ict