De vraag of islamitisch godsdienstonderwijs op Nederlandse basisscholen bijdraagt aan burgerschapsvorming ligt al jaren onder het vergrootglas. Aanleiding vormen terugkerende publieke controverses over de inhoud van lesmateriaal, waarin volgens critici boodschappen zouden voorkomen die botsen met democratische waarden zoals gelijkheid, tolerantie en vrijheid.
Homoseksualiteit als afkeurenswaardig
Zo kregen islamitische lesboeken in 2019 brede aandacht omdat ze passages bevatten waarin bepaalde groepen als ‘ongelovigen’ of ‘vijanden van de islam’ werden aangeduid, en waarin zware straffen, waaronder de doodstraf, werden genoemd voor onder meer afvalligheid en homoseksualiteit. Ook een lesboek over seksuele vorming leidde tot discussie, waarbij media concludeerden dat homoseksualiteit als afkeurenswaardig werd gepresenteerd, terwijl de onderwijsinspectie uiteindelijk geen strijd met de democratische rechtsorde vaststelde.
Deze terugkerende discussie staat niet op zichzelf. In Nederland is burgerschapsonderwijs de afgelopen decennia wettelijk aangescherpt, onder meer in 2006 en 2021, mede in reactie op politieke en maatschappelijke debatten over islam, integratie en radicalisering. Tegelijkertijd hebben scholen op grond van artikel 23 van de Grondwet grote vrijheid om hun onderwijs zelf in te richten, inclusief de inhoud van religieus onderwijs. Dat betekent dat islamitische basisscholen zelf bepalen welke methodes zij gebruiken en hoe zij burgerschap daarin verwerken.
Aansluiten of juist botsen met de doelen van burgerschapsonderwijs
Tegen deze achtergrond onderzochten wetenschappers van de Radboud Universiteit in hoeverre de twee meest gebruikte methodes voor islamitisch godsdienstonderwijs in Nederland bijdragen aan burgerschapsvorming. Het gaat om Al Amana en Worden wie je bent, die samen in 2025 op ongeveer 85 procent van de islamitische basisscholen werden gebruikt. De centrale vraag is in hoeverre deze methodes aansluiten bij, of juist botsen met de doelen van burgerschapsonderwijs in een democratische samenleving.
Voor het onderzoek werden leerboeken en handleidingen voor groep 7 en 8 geanalyseerd, de leeftijd waarop leerlingen volgens de onderzoekers het meest in aanraking komen met burgerschapselementen. In totaal ging het om twaalf documenten.
De analyse werd uitgevoerd met behulp van een theoretisch kader dat vier dimensies van burgerschap onderscheidt: identiteit, juridische positie, participatie en rechten. Daarnaast keken de onderzoekers naar didactische aanpak, zoals de manier waarop waarden worden overgedragen en of leerlingen worden gestimuleerd tot reflectie en actieve deelname.
De islam is superieur
De resultaten laten zien dat beide methodes in zekere mate bijdragen aan burgerschapsvorming, maar dat geen van beide het volledige potentieel daarvan benut. Al Amana legt sterk de nadruk op een islamitische identiteit en biedt weinig ruimte voor meervoudige identiteiten. Andere religies komen wel aan bod, maar binnen een kader waarin de islam als superieur wordt gepositioneerd.
De methode besteedt beperkt aandacht aan deelname aan de bredere samenleving en legt vooral nadruk op morele kwaliteiten van een goede moslim, zonder die expliciet te verbinden aan burgerschap in een democratische context. Ook de behandeling van rechten blijft grotendeels binnen een religieus kader en wordt niet systematisch gekoppeld aan universele mensenrechten.
Overdracht van waarden en kennis
Daarnaast is de didactische aanpak van Al Amana vooral gericht op overdracht van waarden en kennis. Leerlingen worden gestimuleerd om informatie te onthouden en te reproduceren, terwijl ruimte voor kritische reflectie of discussie beperkt blijft.
De methode Worden wie je bent biedt meer aanknopingspunten voor burgerschapsvorming. Deze methode erkent dat leerlingen meerdere identiteiten en rollen hebben, en behandelt alle vier de dimensies van burgerschap. Zo wordt aandacht besteed aan leven in een diverse samenleving en aan omgang met verschillen tussen mensen. Tegelijkertijd wordt die diversiteit vaak ook gepresenteerd als een uitdaging.
Verhouding tussen religieuze regels en democratische rechtsprincipes wordt slechts beperkt uitgewerkt
Op het gebied van participatie en rechten legt deze methode nadruk op zorg voor anderen, maatschappelijke betrokkenheid en verantwoordelijkheid. Leerlingen worden vaker uitgenodigd om na te denken over waarden en deze met elkaar te bespreken. Toch blijven ook hier beperkingen zichtbaar. De verhouding tussen religieuze regels en democratische rechtsprincipes wordt slechts beperkt uitgewerkt, en actieve en kritische deelname aan de samenleving wordt niet systematisch gestimuleerd.
De onderzoekers concluderen dat integratie van islamitisch godsdienstonderwijs en burgerschapsonderwijs mogelijk is, maar niet vanzelfsprekend. Beide methodes bevatten elementen die burgerschapsvorming ondersteunen, maar laten ook zien dat belangrijke onderdelen, met name participatie en rechten, onvoldoende worden uitgewerkt.
Burgerschapsonderwijs is in Nederland mede gevormd door politieke discussies over islam en integratie
De analyse maakt ook duidelijk dat deze uitkomsten samenhangen met de bredere maatschappelijke context waarin islamitisch onderwijs opereert. Burgerschapsonderwijs is in Nederland mede gevormd door politieke discussies over islam en integratie, en wordt soms ervaren als een instrument dat van moslims vraagt zich aan te passen aan dominante maatschappelijke normen. Tegelijkertijd functioneren islamitische scholen binnen een pluralistische samenleving waarin zij hun eigen religieuze identiteit combineren met wettelijke verplichtingen rond burgerschap.
Volgens de onderzoekers laat het onderzoek zien dat islamitisch godsdienstonderwijs verschillende manieren kan hebben om zich tot burgerschap te verhouden. Sommige benaderingen leggen de nadruk op religieuze identiteit, andere proberen religieuze en maatschappelijke rollen te combineren. In alle gevallen blijkt dat de verbinding tussen religieus onderwijs en burgerschapsvorming niet eenduidig is en afhankelijk blijft van keuzes in inhoud en didactiek.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor leerlingen biedt een expliciete verbinding tussen islamitisch godsdienstonderwijs en burgerschapsvorming de mogelijkheid om persoonlijke waarden te koppelen aan maatschappelijke verantwoordelijkheid. Zo kunnen moslimse leerlingen democratische waarden vanuit hun eigen religieuze kader verkennen, in plaats van burgerschap te ervaren als iets dat van buitenaf wordt opgelegd.
Voor docenten zou een goed uitgewerkt curriculum dat alle vier de burgerschapsdimensies behandelt en nadrukkelijk inzet op waardeverheldering en -communicatie meer houvast bieden bij het bespreken van gevoelige onderwerpen rond religie, identiteit en samenleving.
Voor islamitische scholen biedt de integratie van burgerschap in het godsdienstonderwijs een kans om de verhouding tussen islam en democratische waarden zichtbaar te maken — juist in een context waarin die verhouding regelmatig ter discussie staat.
Bron: Essabane, K., Sterkens, C. & Vermeer, P. (2026). The contested contribution of Islamic religious education to citizenship education: an analysis of Dutch primary school textbooks, British Journal of Renaissance Education. DOI: https://doi.org/10.1080/01416200.2026.2637512