Leraren die culturele verschillen waarderen én overeenkomsten tussen culturen benadrukken, bereiken niet automatisch dat leerlingen positiever over diversiteit denken. Bij leerlingen met een Nederlandse achtergrond hing deze combinatie juist samen met iets meer steun voor aanpassing aan de Nederlandse cultuur. Dat blijkt uit onderzoek van Lian van Vemde, Lisette Hornstra en Jochem Thijs van de Universiteit Utrecht en Minke Krijnen van de Universiteit Leiden.
Drie manieren om naar diversiteit te kijken
De onderzoekers onderscheiden drie overtuigingen die leraren over diversiteitsonderwijs kunnen hebben.
De eerste is dat culturele verschillen actief moeten worden erkend en gewaardeerd. Een leraar kan leerlingen met uiteenlopende achtergronden bijvoorbeeld uitnodigen om vanuit hun eigen ervaringen aan een les bij te dragen.
De tweede overtuiging draait om het benadrukken van overeenkomsten tussen culturen. Leraren kunnen leerlingen rechtstreeks wijzen op wat mensen met verschillende achtergronden gemeen hebben of hen dat tijdens gezamenlijke activiteiten zelf laten ontdekken.
De derde overtuiging is dat leerlingen vertrouwd moeten raken met de Nederlandse cultuur. Daarbij kan het gaan om normen en waarden, zoals tolerantie en gelijkwaardigheid, maar ook om deelname aan nationale tradities.
Eerdere onderzoeken bekeken zulke overtuigingen meestal afzonderlijk. Van Vemde en haar collega’s onderzochten juist hoe verschillende overtuigingen in combinatie samenhangen met de houding van leerlingen.
Ruim zestienhonderd basisschoolleerlingen
Aan het begin van het onderzoek deden 1.634 leerlingen uit 78 klassen en 33 basisscholen mee. Zij zaten in groep 5 tot en met 8. Per klas nam één leraar deel. De gegevens werden verzameld tussen september 2021 en juni 2022.
Om voldoende cultureel diverse scholen te bereiken, benaderden de onderzoekers scholen in gemeenten waar destijds minstens 15 procent van de inwoners een niet-westerse migratieachtergrond had. In het voorjaar namen nog 1.414 leerlingen uit 66 klassen deel. Twaalf leraren en daarmee hun klassen waren uitgevallen, bijvoorbeeld door zwangerschapsverlof of een overstap naar een andere werkplek.
De leerlingen werden op basis van de achtergrond van hun ouders ingedeeld. Uiteindelijk waren er gegevens over 807 leerlingen met een Nederlandse achtergrond en 802 leerlingen met een migratieachtergrond. De onderzoekers analyseerden beide groepen afzonderlijk.
Wat vinden leerlingen van elkaar?
In het najaar vulden de leraren een vragenlijst in over hun opvattingen over diversiteitsonderwijs. De leerlingen beantwoordden in het najaar en het voorjaar vragen over kinderen met een Nederlandse familieachtergrond en kinderen van wie de familie uit een ander land kwam.
Zij gaven aan in hoeverre zij deze kinderen eerlijk, aardig en leuk om mee te spelen vonden. Daarnaast kregen ze vragen over het behoud van de eigen cultuur door immigranten en over aanpassing aan de Nederlandse cultuur.
De onderzoekers hielden rekening met de houding die leerlingen aan het begin van het schooljaar hadden. Waar dat nodig was, namen zij ook kenmerken als leeftijd, geslacht en leerjaar mee in de analyses.
Geen eenvoudig verband
Geen van de drie overtuigingen van leraren hing op zichzelf significant samen met veranderingen in de houding van leerlingen. Meer waardering van culturele verschillen door een leraar ging dus niet zonder meer samen met een positievere houding tegenover kinderen met een migratieachtergrond of met meer steun voor het behoud van de eigen cultuur.
Bij combinaties van overtuigingen kwamen wel enkele verbanden naar voren. Wanneer leraren zowel culturele verschillen wilden erkennen als overeenkomsten tussen culturen belangrijk vonden, waren leerlingen met een Nederlandse achtergrond aan het einde van het schooljaar meer gericht op aanpassing aan de Nederlandse cultuur.
Het ging om een samenspel tussen de twee overtuigingen. De afzonderlijke verbanden binnen groepen leraren die veel of weinig nadruk legden op culturele overeenkomsten waren niet significant.
Nadruk op de Nederlandse cultuur
Ook de combinatie van waardering voor culturele diversiteit en nadruk op de Nederlandse cultuur hing samen met de houding van leerlingen.
Bij leraren die relatief weinig nadruk legden op de Nederlandse cultuur, ging meer waardering voor culturele diversiteit samen met een positievere houding tegenover kinderen met een migratieachtergrond. Bij leraren die veel belang hechtten aan de Nederlandse cultuur, ontbrak dat verband.
Leerlingen steunden het behoud van de eigen cultuur door immigranten het minst wanneer hun leraar zowel culturele diversiteit als de Nederlandse cultuur sterk benadrukte. Onder leraren die veel waarde hechtten aan culturele diversiteit, hing één punt hoger op de zevenpuntsschaal voor nationale cultuur samen met 0,17 punt minder steun voor cultuurbehoud op een vijfpuntsschaal.
Verschillen waren klein
De overtuigingen van leraren verklaarden bij elkaar maximaal 1 procent van de totale verschillen in de onderzochte houdingen. Ook waren de verschillen tussen klassen klein. De meeste verschillen bestonden tussen leerlingen binnen dezelfde klas.
Binnen die beperkte variatie op klassenniveau namen de overtuigingen van leraren volgens de onderzoekers wel een relatief groot deel voor hun rekening. Bij leerlingen met een migratieachtergrond vonden zij geen significante verbanden.
De onderzoekers hebben geen sluitende verklaring voor de gevonden combinaties. Mogelijk ervaren leerlingen waardering voor culturele diversiteit en nadruk op de Nederlandse cultuur als tegenstrijdige boodschappen. Ook kan het gelijktijdig benadrukken van verschillen en overeenkomsten ertoe leiden dat leerlingen culturele aanpassing als een oplossing zien. De auteurs presenteren dit nadrukkelijk als mogelijke verklaringen die nog verder moeten worden onderzocht.
Overtuigingen zijn nog geen gedrag
Het onderzoek laat niet zien wat leraren daadwerkelijk in hun klas deden. Alleen hun overtuigingen werden gemeten. Verder waren de gebruikte categorieën breed en konden sociaal wenselijke antwoorden niet helemaal worden uitgesloten. Het onderzoek besloeg bovendien één schooljaar.
De onderzoekers concluderen daarom vooral dat afzonderlijke overtuigingen weinig zeggen over veranderingen in de houding van leerlingen. Wie de rol van leraren wil begrijpen, moet volgens hen kijken naar combinaties van overtuigingen én naar de manier waarop leraren die in hun dagelijkse onderwijs toepassen.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor leraren laat het onderzoek zien dat één overtuiging over diversiteit niet vanzelf tot een andere houding bij leerlingen leidt. Het kan wel zinvol zijn om na te denken over de combinatie van boodschappen die leerlingen in de klas meekrijgen.
Voor schoolteams is het relevant om te bespreken hoe aandacht voor culturele verschillen, overeenkomsten tussen culturen en de Nederlandse cultuur met elkaar wordt verbonden. De onderzoekers wijzen daarbij op het belang van een herkenbare en samenhangende aanpak.
Voor lerarenopleidingen en professionalisering kunnen de resultaten aanleiding zijn voor kritische zelfreflectie, individueel of in teamverband. Daarbij blijft de belangrijke kanttekening dat de gevonden verbanden klein waren en het handelen van leraren niet rechtstreeks is onderzocht.
Bron: Van Vemde, L., Hornstra, L., Krijnen, M. A. & Thijs, J. (2026). Conflicting effects of compatible teacher diversity beliefs on primary school students’ diversity attitudes, Journal of School Psychology, 119, 101612. DOI: https://doi.org/10.1016/j.jsp.2026.101612