Adviseur talen en leesbevordering Sanne de Boer legde uit dat digitale geletterdheid voor het eerst een vaste plaats krijgt in de kerndoelen. Het gaat onder meer om mediawijsheid, informatievaardigheden, computational thinking en ICT-basisvaardigheden. Scholen mogen zelf bepalen hoe zij het onderwijs vormgeven, maar moeten alle leerlingen dezelfde basis aanbieden.
Volgens Smit is dat onderwijs hard nodig, maar moet het verder gaan dan leren omgaan met apparaten en programma’s. Hij deed vijf jaar onderzoek in het onderwijs, in bibliotheken en in een buurthuis naar de manier waarop verschillende groepen de digitalisering ervaren. “En ik kan u vertellen: die ervaringen zijn zeer divers. Dat is heel belangrijk om mee te nemen in hoe wij nadenken over digitale geletterdheid, basisvaardigheden en specifiek de relatie tussen geletterdheid enerzijds en digitale geletterdheid anderzijds.”
Kerndoelen zijn ‘een stukje van de puzzel’
Smit noemt de nieuwe kerndoelen “een heel mooi fundament”. Ze geven scholen een kader om met digitale geletterdheid en digitale inclusie aan de slag te gaan. Tegelijkertijd waarschuwde hij voor te hoge verwachtingen.
“Het is belangrijk om te begrijpen dat het niet de heilige graal gaat zijn”, zei hij. “Het is een stukje van een puzzel. Ik ben heel blij dat het er is en dat het een kader biedt, maar het is naar mijn mening nog lang niet genoeg.”
Scholen moeten volgens hem vooral oog hebben voor de manier waarop sociale ongelijkheid doorwerkt in de digitale wereld. Leerlingen beginnen niet allemaal vanuit dezelfde positie. Hun woonsituatie, apparatuur, internetverbinding en sociale netwerk bepalen mede wat zij met digitale technologie kunnen doen.
Daarom zou het onderwijs volgens Smit minder uitsluitend naar technische vaardigheden en meer naar de leefwereld van leerlingen moeten kijken. “Juist los gaan staan van het technische en ons meer richten op het menselijke”, zei hij. Scholen hoeven daarbij niet altijd digitale apparaten te gebruiken. Door met leerlingen te praten over sociale media, smartphoneverboden en hun dagelijkse ervaringen kan al veel worden geleerd.
Smartphoneverbod pakt niet voor iedereen hetzelfde uit
Dat verschil in leefwereld wordt zichtbaar in het debat over een smartphone- en socialemediaverbod. Volgens Smit wordt vaak aangenomen dat zo’n verbod voor alle jongeren dezelfde gevolgen heeft. Uit onderzoek blijkt volgens hem dat dit niet zo is.
Een leerling met een eigen computer, actuele software, behulpzame ouders en een stabiele internetverbinding kan baat hebben bij een smartphoneverbod. Voor een jongere die een slaapkamer deelt met meerdere broers of zussen, een oude laptop heeft en niet voortdurend bij de ouders terechtkan, kan de smartphone juist onmisbaar zijn.
“De smartphone is daar vaak het enige middel waarmee ze een klein stukje privacy hebben in een druk huishouden, waarbij ze hun eigen identiteit kunnen ontplooien”, zei Smit. “Het is ook een toegangspoort tot de bredere sociale wereld. Daar kan het smartphoneverbod en het socialemediaverbod een heel andere consequentie hebben.”
Zijn advies aan scholen is daarom om leerlingen bij zulke beslissingen te betrekken. “Vraag wat het met hen zou doen, hypothetisch misschien, als morgen de smartphone zou worden weggetrokken en ze die niet meer zouden mogen gebruiken. Daar kun je al zoveel kennis en inzichten uit halen.”
Een digitale hoepel voor burgers
Buiten het onderwijs stelt de samenleving steeds hogere digitale eisen. Mensen moeten kunnen omgaan met DigiD, online bankieren en digitale overheidsdiensten. Ook moeten zij zich blijven aanpassen aan nieuwe technologie.
“Je bent nooit digitaal geletterd genoeg”, zei Smit. “Er komt een nieuwe technologie, AI of iets anders, en je moet jezelf weer aanpassen. Dat gebeurt allemaal heel geleidelijk en bijna natuurlijk. Maar voelt het ook zo natuurlijk voor veel mensen?”
Wie vastloopt, moet bovendien zelf weten waar hulp te vinden is. Dat kan een bibliotheek, cursus of hulploket zijn. Op systeemniveau ziet Smit een fundamenteler probleem. “Eigenlijk hebben wij als samenleving, als politiek, een digitale hoepel gecreëerd waar mensen eerst doorheen moeten springen om überhaupt gebruik te kunnen maken van de rechten die zij als burger van Nederland hebben.”
Volgens de cijfers die hij tijdens zijn presentatie noemde, hebben ongeveer 3 miljoen mensen beperkte basisvaardigheden. Bij beperkte digitale vaardigheden gaat het om 3 tot 4,5 miljoen mensen.
‘Digitaal geletterder dan onze overheid’
Smit zag in zijn onderzoek dat mensen die als laaggeletterd worden beschouwd vaak creatieve digitale oplossingen bedenken. Een deelnemer deelde zijn adres bijvoorbeeld door in Google Maps een schermafbeelding te maken en die via WhatsApp te versturen. Zo hoefde hij geen adres met letters en cijfers uit te typen.
“Dit is zijn manier om zijn adresgegevens te delen, op een heel visuele manier”, vertelde Smit. In het dagelijks leven werkte dat goed. De problemen begonnen wanneer dezelfde persoon met de overheid moest communiceren en een pdf moest downloaden of een ingewikkeld webformulier moest invullen.
“In de ogen van deze participanten is het interessant dat zij stellen dat zij digitaal geletterder zijn dan onze overheid”, zei Smit. “Zij hebben nieuwe, creatieve en innovatieve manieren aangeleerd om te interacteren en communiceren. De overheid blijft steken in hoe we dertig jaar geleden communiceerden.”
Ook volgde hij in Oost-Groningen mensen met een migratieachtergrond die in kringloopwinkels meubels met Google Lens scanden. Zij vergeleken de prijs vervolgens op Marktplaats en verkochten geschikte aankopen door. “Deze mensen worden gecategoriseerd als laaggeletterd en als mensen met beperkte basisvaardigheden”, zei Smit. “Zij waren in deze context veel digitaal vaardiger dan ik.”
Geletterdheid en digitale geletterdheid moeten daarom niet na elkaar worden aangeleerd, maar naast elkaar staan. “Laat ze elkaar versterken. Gebruik digitale middelen om geletterdheid te bevorderen en andersom.”
Meer dan een laptop en een cursus
Smit waarschuwde voor de gedachte dat digitale achterstanden eenvoudig kunnen worden opgelost met apparatuur en een training. “We denken vaak: geef mensen een laptop, geef jongeren een cursusje digitale vaardigheden, en dan komt het wel goed. Maar ook hier is die sociale context enorm belangrijk. Enkel toegang verschaffen en enkel leren hoe ze het moeten gebruiken, is lang niet genoeg.”
De kern van digitale geletterdheid is volgens hem dat mensen daadwerkelijk kunnen deelnemen aan de samenleving. Dat vraagt om ondersteuning die aansluit bij wat iemand nodig heeft. “Als we ons richten op de persoon, het sociale netwerk daaromheen en de context, kunnen we veel sterker toewerken naar het ideaal van mee kunnen doen.”
Boektokker Paula liet tijdens het gesprek zien hoe de digitale en geletterde wereld elkaar kunnen versterken. Op BookTok delen jongeren video’s over boeken en lezen. Smit keerde zich daarom tegen de simpele tegenstelling tussen boeken en beeldschermen. “Vaak is die discussie: scherm slecht, boek goed. Terwijl ik juist denk dat dit een heel mooi middel is om boeken en die geletterde wereld via het scherm te promoten.”
Voor bibliotheken ziet hij een rol als bruggenbouwer. De Boer wees er eerder al op dat de kerndoelen sterk raken aan de expertise van bibliotheken. Smit sloot daarbij aan: “Ik denk dat de bibliotheek een van de weinige ruimtes in de samenleving is waarin je naar binnen kunt lopen zonder dat je iets hoeft te kopen of te doen. Je kunt er gewoon zitten en zijn.”
Juist daar kunnen scholen, bibliotheken en jongeren volgens hem samen onderzoeken wat digitale geletterdheid in verschillende levens werkelijk betekent.