Voortgezet onderwijs

Wetenschappers over thuisonderwijs: eens over toezicht, oneens over sociale ontwikkeling

“Compleet in strijd met kinderrechten.” Zo oordeelde kinderrechtenonderzoeker Marieke Hopman (Universiteit Maastricht) over de vrijstelling van de leerplicht. Sjoerd Karsten, emeritus hoogleraar onderwijswetenschappen, noemde de vermeende schade van thuisonderwijs aan de sociale ontwikkeling juist “een hardnekkige mythe”. Tijdens een rondetafelgesprek in de Tweede Kamer verschilden zij sterk van mening, maar waren ze het eens over de noodzaak van toezicht.
Marieke Hopman en Sjoerd Karsten

“Compleet in strijd met kinderrechten.” Zo scherp oordeelde kinderrechtenonderzoeker Marieke Hopman over de leerplichtwet en de vrijstelling daarvan. Sjoerd Karsten, emeritus hoogleraar onderwijswetenschappen, zette daar een al even stellige observatie tegenover: dat thuisonderwijs de sociale ontwikkeling van kinderen zou schaden, is volgens hem “een hardnekkige mythe”. Tijdens een rondetafelgesprek in de Tweede Kamer kwamen de twee onderzoekers tot vrijwel tegengestelde conclusies. Over één punt waren zij het wel eens: een vrijstelling van de leerplicht zonder toezicht is onverantwoord.

Kinderen misten vriendjes

Hopman begon met een bekentenis. Toen ze in 2015 onderzoek startte naar het recht op onderwijs, met aandacht voor thuisonderwijs, thuiszitters en Roma-kinderen, stond ze er positief tegenover. “Ik vond het wel een aantrekkelijke optie. Ik had toen zelf nog geen kinderen. Ik dacht zelfs dat ik dat later misschien zelf ook wel zou willen.” Mede door haar eigen, niet altijd positieve schoolervaringen begon ze naar eigen zeggen “heel open” aan het onderzoek.

Ze bestudeerde rechtszaken en sociale media en sprak met ouders en kinderen. Omdat deelname vrijwillig is, komen kinderen bij wie het helemaal misgaat zelden in zo’n onderzoek terecht, tekende ze aan. Toch stuitte ze op gevallen waarin het naar Nederlandse maatstaven wel degelijk misging.

Haar beeld kantelde vooral door de gesprekken met kinderen. Die kinderen waren niet per se negatief, maar misten het sociale deel van school. “Eigenlijk zeiden al die kinderen die ik heb gesproken dat ze minder vriendjes hadden, of dat ze dat misten. Dat ze soms eenzaam waren.”

Naarmate kinderen ouder worden, valt er thuis bovendien veel weg: scheikundeproefjes, gymles, groepsopdrachten, presentaties, debatten en de “confrontatie met leraren die niet je moeder zijn – meestal zijn het de moeders”. “Dat is allemaal bijna onmogelijk thuis.”

‘Grove schending van het recht van het kind’

Haar kernboodschap was juridisch. Ze herinnerde de Kamerleden aan de woorden van D66-Kamerlid Paul van Meenen in een debat in 2016: het recht op onderwijs komt het kind toe, “niet de ouder, niet wie dan ook, maar het kind”. “Dat is nu echt in gebreke in de Nederlandse wetgeving”, stelde Hopman. “Al heel lang.” Door de vrijstelling hoeven ouders hun kind niet naar school te sturen, en daarna kijkt de overheid niet meer naar dat kind om. “Dat is zeer kwalijk en echt een grove schending van het recht van het kind op onderwijs.”

Op een vraag van PRO-Kamerlid Fatihya Abdi noemde ze de leerplichtwet en de vrijstelling daarvan “compleet in strijd met kinderrechten”. De wortels liggen rond 1900, toen ouders hun kinderen naar school moesten sturen in plaats van ze in de fabriek te laten werken. De plicht lag bij de ouders, en daaruit kwamen ook de uitzonderingen voort. “Dat is nu totaal achterhaald. Want nu denken we dat kinderen ook zelf rechten hebben.” Een recht op onderwijs kent de Nederlandse wet volgens haar niet eens.

Ouders willen over het algemeen het beste voor hun kind, erkende Hopman. Hun gemoedsbezwaren zijn “heel belangrijk, maar die komen niet boven het recht van het kind”. Zo werden Jehova’s getuigen die een bloedtransfusie voor hun kind weigerden, tijdelijk uit de ouderlijke macht gezet.

Sociale vaardigheden lastig te toetsen

Een principieel tegenstander is Hopman niet. Voor een kind dat in het ziekenhuis ligt, kan thuisonderwijs “beter dan geen onderwijs” zijn. Ze noemde het “uiteindelijk een politieke keuze”, in een land waar ouders al kosteloos onderwijs binnen hun eigen overtuiging kunnen kiezen of zelf een school kunnen stichten.

Rekenen, lezen en schrijven kun je toetsen, de omgang met ongeschreven sociale normen veel minder, legde Hopman VVD-Kamerlid Arend Kisteman uit. “Hoe toets je of een kind daadwerkelijk leert: hoe ga ik ermee om dat het kind dat gisteren mijn vriendje was, morgen ineens niet meer met me wil spelen?”

Toen PVV-Kamerlid Annette Raijer tegenwierp dat uit brieven die zij ontving juist bleek dat thuisonderwijskinderen heel sociaal zijn, hield Hopman voet bij stuk. Op de goede bedoelingen van ouders wilde ze niets afdingen, maar ouders weten niet altijd wat het beste is voor hun kind. “Dat vind ik heel vervelend om te zeggen, maar zo is het wel.”

‘Hardnekkige mythe’

Waar Hopman zich vooral baseerde op wat kinderen haar vertelden, wees Karsten op experimenteel onderzoek. Hij is volgens hem samen met Henk Blok een van de weinige Nederlandse onderwijsonderzoekers die zich uitvoerig met thuisonderwijs hebben beziggehouden. Met enige ironie stelde hij vast dat hij zijn studenten blijkbaar niet indoctrineert: Hopman studeerde bij hem.

Op een vraag van FVD-Kamerlid Pepijn van Houwelingen verwees Karsten naar een artikel van Blok met meerdere studies, “ook experimentele onderzoeken. Dat is wat anders dan dat je mensen bevraagt of het goed gaat.” In Amerikaanse sociaalpsychologische experimenten bleken thuis onderwezen kinderen “gezeglijker” en opener tegenover andere kinderen. Dat thuisonderwijs de socialiserende functie van het onderwijs niet zou kunnen vervullen, noemde Karsten “een mythe, een hardnekkige mythe”.

Zijn eigen broer kreeg thuisonderwijs en werd volgens Karsten uiteindelijk socialer dan hijzelf, al weet hij niet of dat daardoor kwam. Ook schoolonderwijs is volgens hem lang niet altijd op orde. “Eén op de vijf scholen krijgt een onvoldoende. Moeten wij dan onze kinderen naar dat onvoldoende onderwijs sturen?”

Keurmerk als alternatief toezicht

Toch kwam Karsten uit bij hetzelfde punt als Hopman. Waar een vrijstelling geldt, ontbreekt toezicht, stelden hij en Blok al eerder vast. Daarom ontwikkelden ze zelf een toetsingskader, in de hoop dat de staat het zou overnemen. Daaruit groeide de Stichting Keurmerk Thuisonderwijs, waarvan Karsten lid is van de raad van toezicht.

De stichting heeft volgens hem 270 keurmerken afgegeven. Hij vond het “heel triest en jammer” dat de onderwijsinspectie daar nooit aandacht aan heeft besteed. De stichting komt bij gezinnen thuis en geeft een keurmerk voor drie jaar. Dekt het onderwijsplan die periode niet, dan geldt het één jaar. “Kom nog eens terug. Je begint wel aardig, maar er moet perspectief zijn.”

Ouders met een keurmerk hebben volgens Karsten meestal een didactische opleiding of iets vergelijkbaars. Voor thuisonderwijs kiezen is “geen lichtzinnige stap”. Wel erkende hij dat deze ouders zich vrijwillig melden en dus geen willekeurige groep vormen.

Ik ben tenslotte ook een verlicht intellectueel

Karsten ziet thuisonderwijs vooral als oplossing voor kinderen die baat hebben bij een-op-eenonderwijs. Geloof als uitweg spreekt hem minder aan. “Ik ben tenslotte ook een verlicht intellectueel. Dus ik denk daar anders over. Maar ik heb respect voor de mensen die het doen, vanuit hun levensovertuiging. Maar dat moet niet te ver gaan.”

Hoeveel vertrouwen ouders verdienen, daarover verschillen de twee wezenlijk. Hopman hecht meer aan de eenzame kinderen uit haar onderzoek dan aan positieve brieven van ouders. Karsten erkent dat thuisonderwijs kan ontsporen, maar houdt de Kamer ook de andere kant voor. “Ik zeg niet dat het niet kan, maar op school kan het ook grondig misgaan. Echt grondig.”

Ontdek meer onderwerpen