HvA-onderzoeker Teegelbeckers voerde een groot deel van zijn onderzoek uit in het mbo. Juist daar voelen studenten zich volgens hem vaak niet gehoord door de politiek. “Ze hebben ook weinig zelfvertrouwen in hun eigen politieke en democratische vaardigheden”, vertelde hij in zijn lekenpraatje. “Hierdoor laten ze hun stem minder vaak horen, zijn ze minder goed vertegenwoordigd en is er ongelijkheid tussen mensen met een academische achtergrond en een meer praktische achtergrond.”
Bloed en zuurstof van de democratie
Democratie is volgens Teegelbeckers meer dan een politiek systeem van verkiezingen, volksvertegenwoordigers en grondwettelijke vrijheden. Om haar levend te houden, is ook een democratische cultuur nodig van burgers die de democratie ondersteunen, eraan willen deelnemen en haar vreedzaam maar kritisch durven bevragen. “Zo’n democratische cultuur is als het ware het bloed en de zuurstof die door het lichaam van de democratie lopen en de democratie doen leven”, zei hij.
Welke werkvormen docenten maatschappijleer en burgerschap daarvoor het beste kunnen inzetten, was volgens hem echter nog nauwelijks onderzocht. Zijn proefschrift, Teaching for Democracy: Exploring Teaching Methods that Work, bestaat uit vier studies.
Voor de eerste analyseerde hij 51 bestaande onderzoeken. Daarin onderscheidde hij vijf didactische werkvormen, die allemaal effectief bleken. Vooral simulaties leken veelbelovend. Studenten nemen daarin bijvoorbeeld de rol van Kamerlid aan en onderhandelen over oplossingen voor ingewikkelde politieke vraagstukken.
Vervolgens interviewde Teegelbeckers twintig ervaren docenten over hun lessen. Met die inzichten ontwikkelde hij voor het mbo twee reeksen van elk acht lessen. De ene reeks draaide voornamelijk om instructie, de andere om simulaties.
Simulaties winnen het direct na de lessen
In een experiment gaf een deel van de docenten de instructielessen en een ander deel de simulatielessen. Een controlegroep kreeg geen van beide reeksen. Studenten vulden voor de lessen, direct erna en twee maanden later een vragenlijst in over hun democratische competenties en waarden.
De hoofdverwachting was dat simulaties beter zouden werken dan instructie. Direct na de lessen bleek dat inderdaad het geval. Studenten uit de simulatiegroep scoorden beter op kennis over politiek en democratie en op politiek zelfvertrouwen. Ze wezen sterker af dat één groep de baas zou moeten zijn, stonden meer open voor andere opvattingen en waren meer bereid tot samenwerking.
Simulaties zorgden er overigens niet voor dat studenten meer gingen hechten aan inspraak van diverse groepen in de samenleving. Ook de studenten die instructielessen kregen, presteerden beter dan de controlegroep. “Al met al laat dit het beeld zien dat simulaties over het algemeen effectiever zijn dan instructie”, concludeerde Teegelbeckers in zijn lekenpraatje.
Waar eindigt onderwijs en begint beïnvloeding?
Hoogleraar Matthijs Rooduijn (UvA) wees erop dat Teegelbeckers met zijn onderwijs democratische waarden als pluralisme, tolerantie en minderheidsrechten wil versterken. Tegelijkertijd zijn opvattingen over democratie steeds meer gepolitiseerd. Links benadrukt vaker individuele rechten en de controle op de macht, uiterst rechts eerder de wil van de meerderheid.
“Waar ligt voor jou de grens tussen democratieonderwijs aan de ene kant en politieke of normatieve beïnvloeding aan de andere kant?”, vroeg Rooduijn.
Teegelbeckers verwees naar onderzoek waaruit blijkt dat mensen autoritaire leiders vaker steunen wanneer zij niet openstaan voor andere opvattingen en minderheidsrechten niet accepteren. Het stimuleren van zulke waarden kan burgers volgens hem waakzamer maken. “Het kan eraan bijdragen dat burgers de democratie niet alleen maar voor lief nemen, maar denken: er worden minderheidsrechten beperkt of er wordt niet naar een oppositie geluisterd.”
‘In hoeverre is er echt empirische evidentie?’
De scherpste discussie ging over de bewijskracht van het onderzoek. De hoogleraar vakdidactiek geschiedenis van de UvA constateerde dat bij de meting twee maanden na afloop alleen nog een hogere score zichtbaar was op openheid voor samenwerking tussen meerderheid en oppositie. “In hoeverre is er nou echt empirische evidentie voor de uitspraak dat de ervaringsgerichte aanpak effectiever is?”, vroeg zij.
Teegelbeckers gaf dat toe. “Als we kijken naar de retentiemeting, klopt het inderdaad dat de resultaten weinig significante effecten laten zien. Het was een relatief korte interventie van ongeveer acht lessen. We zien vaker bij onderwijsexperimenteel onderzoek dat effecten niet lang blijven.”
“Na de lessen is het effectief; op de lange termijn is het niet effectief”, vatte hij samen. Vervolgonderzoek moet duidelijk maken hoe de opbrengsten langer kunnen beklijven, bijvoorbeeld door simulaties niet als een losse reeks van acht lessen aan te bieden, maar als onderdeel van een volledig curriculum.
Schaal die in een voetnoot verdween
Emeritus bijzonder hoogleraar Anne Bert Dijkstra (UvA) prees de zorgvuldige onderzoeksopzet, met twee controlegroepen. Daarna vroeg hij naar een schaal waarmee steun voor democratische rechten en vrijheden werd gemeten, zoals de vrijheid van meningsuiting en de gelijkwaardigheid van mensen. Een voetnoot vermeldde alleen dat die schaal was weggelaten vanwege een “different theoretical focus”.
Wat levert dat op?
“Kunt u me helpen bij het verwerken van mijn teleurstelling?”, vroeg Dijkstra. “Heeft u de analyses wel uitgevoerd rond deze schaal? En dan maakt u ons allemaal nieuwsgierig: wat levert dat op?” Teegelbeckers moest hem teleurstellen: de schaal liet geen effect zien. Hij had haar weggelaten omdat de lessen niet specifiek over die onderwerpen gingen.
Volgens Dijkstra raakte dat antwoord aan een breder probleem. Het onderzoek ging vooral over de verticale kant van burgerschap: hoe burgers in een democratie besluiten nemen. De horizontale kant — hoe mensen vanuit democratische beginselen met elkaar omgaan — kreeg minder aandacht. Teegelbeckers beaamde dat hij zich in de acht lessen bewust had beperkt tot democratische besluitvorming. Zo wilde hij voorkomen dat ze “mile wide, inch deep” zouden worden.
Dijkstra stelde daarop voor een erratum toe te voegen bij de aanbeveling waarin Teegelbeckers beleidsmakers oproept vooral in te zetten op ervaringsgericht leren. “Is de basis daarvoor vooralsnog niet te dun?”
Teegelbeckers beperkte zijn conclusie vervolgens tot wat hij daadwerkelijk had onderzocht. “Als het gaat om het leren over democratische besluitvorming, is het inderdaad relevant om ervaringsgericht leren toe te passen. Als het gaat om de andere aspecten die ook heel belangrijk zijn in een democratie, is meer onderzoek nodig.”
Daar gaat hij zelf mee verder: in een postdoc past Teegelbeckers zijn voorliefde voor simulaties toe op onderwijs over de rechtsstaat. “Je proefschrift zal de basis worden van veel meer onderzoek naar deze urgente thematiek”, voorspelde copromotor Hessel Nieuwelink in zijn laudatio.