Primair onderwijs

Ouders islamitische basisscholen: godsdienstonderwijs kan burgerschap versterken

Ouders van kinderen op islamitische basisscholen zien godsdienstonderwijs vooral als een middel om hun kinderen een islamitische identiteit en een moreel kompas mee te geven. Het kan volgens hen ook bijdragen aan burgerschap, al ontstaan spanningen rond politieke deelname, gendergelijkheid en religieuze keuzevrijheid. Dat blijkt uit onderzoek van Kamel Essabane, Carl Sterkens en Paul Vermeer van de Radboud Universiteit.

De onderzoekers hielden vijf focusgroepgesprekken met veertien ouders – tien vrouwen en vier mannen – van kinderen op vijf islamitische basisscholen, verspreid over Nederland en aangesloten bij drie koepelorganisaties. Zij wilden weten wat ouders van islamitisch godsdienstonderwijs verwachten, welke waarden hun kinderen daar zouden moeten leren en in hoeverre dit onderwijs kan bijdragen aan burgerschapsvorming. Ook vroegen zij waar ouders spanningen zien tussen islamitische overtuigingen en democratisch burgerschap.

Eerst een islamitische identiteit

In alle gespreksgroepen bestond overeenstemming over het belangrijkste doel van godsdienstonderwijs: kinderen moeten een islamitische identiteit ontwikkelen. Ouders noemden daarbij onder meer kennis van het geloof, religieuze zelfverzekerdheid en goed gedrag. Een ouder verwoordde dat als volgt: “Als je werkelijk een sterke islamitische identiteit en de juiste kennis hebt, volgt daar automatisch uit dat je ook mensen met een ander geloof respecteert, omdat dit besloten ligt in je religie.”

Ouders verwachten van scholen dat zij kinderen niet alleen leren hoe islamitische gebruiken luiden, maar ook waarom moslims bepaalde keuzes maken. Een moeder: “Dat besef van waarom ik moslim ben, is ongelooflijk belangrijk. In die acht jaar op de basisschool moeten ze dat echt internaliseren.”

Veel ouders voelen zich thuis niet voldoende toegerust om de geschiedenis, theologie en voorschriften van de islam goed uit te leggen, en zien daarin een taak voor de school.

Minder aandacht voor andere religies

De ouders geven de voorkeur aan een combinatie van onderwijs in de islam, gericht op geloofsbeleving en identiteitsontwikkeling, en onderwijs over de islam, gericht op kennis van de religie, de geschiedenis en verschillende interpretaties.

Ook andere religies kregen weinig aandacht. Een moeder zei: “Ik vind wel dat ze moeten leren dat er religies in de wereld bestaan. Christendom, jodendom, boeddhisme, atheïsme. Niet inhoudelijk, maar gewoon dat het bestaat.”

Binnen de islam moet volgens verschillende ouders wel duidelijk worden dat meerdere stromingen bestaan, zonder dat alle religieuze waarheidsaanspraken als gelijkwaardig worden gepresenteerd.

Niet oordelen, maar wel grenzen stellen

De waarden die ouders het vaakst noemden, waren niet oordelen, respect en autonomie. Zij willen dat kinderen leren anderen niet te veroordelen, ook wanneer hun gedrag volgens de islam niet is toegestaan. Dat spanningsveld kwam onder meer naar voren bij homoseksualiteit. Een vader vertelde dat hij zijn kinderen leert dat volgens zijn geloof een man en een vrouw voor elkaar zijn geschapen, maar dat zij homoseksuele mensen met respect moeten behandelen. “Je denkt niet dat je beter bent dan iemand anders. Je richt je op jezelf en op het zijn van een oprechte moslim.”

Een moeder vertelde dat haar kinderen vroegen of hun niet-gelovige grootmoeder minderwaardig was. “Ik zei: zo werkt het niet. Dat is niet de juiste manier om erover te denken. Hun grootmoeder is een heel goed mens die veel goede dingen doet.” Toen haar kinderen vroegen of hun oma vanwege haar ongeloof naar de hel zou gaan, antwoordde zij: “Ik ben Allah niet. Ik weet het niet.”

Autonomie zien ouders vooral als de mogelijkheid om binnen een islamitisch kader tot een overtuigde keuze te komen. Een moeder vertelde hoe zij reageerde toen haar dochter geen hoofddoek meer wilde dragen. “Ik heb de belangrijkste punten uitgelegd, maar ik liet haar praten en zei: het is jouw keuze. Ik steun het niet, maar het is jouw beslissing.” Haar dochter ging na enkele jaren uit eigen beweging opnieuw een hoofddoek dragen. “Dat proces, voor de islam kiezen, moet een kind zelf ervaren.”

Meerdere identiteiten mogelijk

Veel ouders vinden dat een sterke islamitische identiteit kan samengaan met andere identiteiten: hun kinderen kunnen zich tegelijk moslim, Nederlands en Marokkaans of Turks voelen. “Je wordt een soort mengeling”, zei een moeder. “Je neemt het beste uit beide culturen mee. Dat is misschien ook een verrijking. Alleen wat tegen de islam ingaat, nemen we niet uit een andere cultuur over.”

Niet alle ouders noemen zichzelf echter Nederlands, ook wanneer zij in Nederland zijn geboren of opgegroeid en de Nederlandse nationaliteit hebben. Een ouder schreef dat toe aan uitsluiting: “Als je geen blauwe ogen en blond haar hebt, identificeer je jezelf niet gemakkelijk als Nederlands.”

Deelname zolang het geloof vooropstaat

De meeste ouders vinden deelname aan de Nederlandse samenleving vanzelfsprekend. “Binnen het systeem waarin we leven moet je deelnemen en betrokken zijn”, zei een ouder. “Je bent gewoon een actieve burger. Maar wanneer je in een situatie terechtkomt waarin je moet kiezen, moet je altijd het pad kiezen dat Allah behaagt.”

Politieke participatie riep bij enkele ouders twijfel op. Een moeder noemde politiek “een beetje gevaarlijk”, omdat een burgemeester volgens haar mogelijk besluiten moet uitvoeren die een moslim niet kan steunen. Een andere ouder zei: “Ik ben voor politiek, maar de islam heeft een eigen politiek systeem. Daar sta ik achter.”

Discussie over werkende vrouwen

Ook genderrollen leverden spanning op. Sommige ouders twijfelen of vrouwen beroepen mogen uitoefenen waarin zij met mannen samenwerken of alleen moeten reizen. Een moeder vertelde dat zij haar dochter voorhoudt dat zij alles kan worden, ook piloot, terwijl haar zoons tegenwierpen dat hun zus dan zonder mannelijke begeleiding zou moeten reizen. “Dan denk ik: waarom niet? Dat kan ze. Haar vader zou eventueel met haar mee kunnen reizen.”

Volgens de onderzoekers laten dergelijke gesprekken zien dat ouders traditionele religieuze opvattingen en de zelfstandigheid van dochters met elkaar proberen te verenigen. Tegelijkertijd staan sommige deelnemers terughoudend tegenover gendergelijkheid, politieke participatie en lhbti-rechten wanneer die volgens hen botsen met islamitische voorschriften.

Kleine en mogelijk behoudende groep

De onderzoekers benadrukken dat het onderzoek is gebaseerd op slechts veertien ouders, waardoor de resultaten niet zonder meer gelden voor alle ouders met kinderen op islamitische scholen. Omdat deelname vrijwillig was, zijn relatief uitgesproken of behoudende ouders mogelijk oververtegenwoordigd. Ook kunnen deelnemers in de groepsgesprekken terughoudend zijn geweest om elkaar tegen te spreken.

Niettemin laten de gesprekken volgens de onderzoekers zien dat ouders islamitisch godsdienstonderwijs niet als een alternatief voor burgerschapsonderwijs beschouwen, maar juist als de basis van waaruit kinderen respectvol en actief aan de Nederlandse samenleving kunnen deelnemen. Voorwaarde blijft wel dat burgerschap wordt behandeld vanuit islamitische begrippen, waarden en overtuigingen.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor islamitische basisscholen laat het onderzoek zien dat veel ouders burgerschapsvorming aanvaardbaar en wenselijk vinden wanneer die wordt verbonden met islamitische begrippen en morele waarden. Daarbij verwachten zij dat de school de islamitische identiteit van leerlingen versterkt en tegelijk respect voor mensen met andere overtuigingen bevordert.

Voor leraren godsdienst en burgerschap maken de gesprekken duidelijk dat onderwerpen als politiek, gender, homoseksualiteit en religieuze keuzevrijheid gevoelig kunnen liggen. Ouders wijzen zulke gesprekken niet noodzakelijk af, maar willen dat zij plaatsvinden binnen een herkenbaar islamitisch kader en zonder dat de waarheidsaanspraken van de islam worden gerelativeerd.

Voor schoolbesturen en beleidsmakers onderstreept het onderzoek het belang van overleg met ouders over leerdoelen, lesinhoud en docentenscholing. De kleine onderzoeksgroep maakt het niet mogelijk de uitkomsten te veralgemeniseren, maar laat wel zien welke overeenkomsten en spanningen in gesprekken over islamitisch godsdienstonderwijs en burgerschap naar voren kunnen komen.

Bron: Essabane, K., Sterkens, C. & Vermeer, P. (2026). Shaping Young Muslim Citizens: Exploring Parental Views on Islamic Religious Education in Relation to Citizenship Education in the Netherlands, Journal of Empirical Theology. DOI: https://doi.org/10.1163/15709256-bja10003

Ontdek meer onderwerpen