De Utrechtse onderzoekers Sybolt Friso, Saro Lozano Parra, Marije van Braak, Cok Bakker en Rick de Graaff, zeggen dat het niet mogelijk is om over de vorming van leerlingen als zelfstandige personen te spreken zonder ook de rol van de leraar als persoon in diezelfde situaties mee te nemen. Wie leerlingen uitnodigt om zich te laten zien, doet dat zelf ook.
Biesta onderscheidt drie hoofddoelen van onderwijs: het aanleren van kennis en vaardigheden, het inleiden in bestaande tradities en gebruiken, en het ondersteunen van leerlingen bij het ontwikkelen van een eigen manier van in de wereld staan. Dat laatste noemt hij subjectificatie. Het gaat daarbij niet om het aanleren van een specifieke houding of mening, maar om het oefenen met vrijheid. Leerlingen worden uitgedaagd om initiatief te nemen, hun eigen positie te bepalen en tegelijk rekening te houden met de reacties van anderen.
Wat zegt mijn reactie over wie ik als leraar wil zijn?
Volgens de auteurs blijft in deze benadering onderbelicht wat dit betekent voor leraren zelf. In veel beschrijvingen lijkt het alsof de leraar vooral ruimte schept of corrigeert, terwijl het proces zich bij de leerling voltrekt. Het nieuwe artikel stelt dat dit een onvolledig beeld is. In elke situatie waarin een leerling zich laat zien, verschijnt ook de leraar als persoon. Dat roept vragen op die niet alleen pedagogisch, maar ook persoonlijk en professioneel van belang zijn. Hoe kom ik hier over? Wat heb ik in gang gezet? Wat zegt mijn reactie over wie ik als leraar wil zijn?
Het artikel is vooral theoretisch van aard, maar wordt geïllustreerd met een korte, gefilmde klassensituatie uit een Engelse les op een Nederlandse middelbare school. De scène duurt ongeveer een halve minuut. De klas is rumoerig na een gymles. De lerares probeert de aandacht te trekken, maar slaagt daar aanvankelijk niet in. Uiteindelijk roept zij luid “HEY!” en klapt in haar handen. De klas valt direct stil. Na een korte stilte zegt zij: “that was very much unlike me.” Daarna begint de les.
Een bepaalde sfeer
De onderzoekers analyseren deze situatie vanuit het idee dat mensen steeds opnieuw iets nieuws kunnen beginnen in hun handelen. Leerlingen die blijven praten, nemen een besluit: ze gaan niet in op de oproep van de lerares. Daarmee zetten zij een bepaalde sfeer neer. Dat krijgt betekenis doordat de lerares het als storend ervaart en ingrijpt. Haar luide uitroep onderbreekt wat er gaande is en maakt duidelijk dat zij dit gedrag niet passend vindt in deze situatie.
Maar ook de lerares zet op dat moment iets nieuws in gang. Haar eerdere pogingen om de klas stil te krijgen worden genegeerd. De uitroep is een duidelijke wending in het verloop van de les. Dat de klas onmiddellijk stilvalt, laat zien dat haar ingreep effect heeft. Tegelijkertijd wijst haar opmerking dat dit “niet zoals ik ben” was op een moment van zelfreflectie. Zij merkt dat zij zichzelf op een manier heeft laten zien die niet vanzelfsprekend voelt. Daarmee wordt ook zij geconfronteerd met de gevolgen van haar eigen optreden.
Volgens de auteurs ligt hier de kern van hun betoog. De vorming van leerlingen als zelfstandige personen vindt plaats in concrete interacties waarin ook de leraar zich als persoon laat zien. Het is niet zo dat de leraar alleen voorwaarden schept en dat het wezenlijke proces zich bij de leerling afspeelt. De wisselwerking is wederzijds. Wat de leraar doet, heeft invloed op hoe leerlingen zich opstellen. Wat leerlingen doen, heeft invloed op hoe de leraar zichzelf ervaart en positioneert.
Spanning, frictie, stilte of verrassing
De onderzoekers maken daarbij duidelijk dat zij iets anders bedoelen dan de vraag hoe vaardig of effectief een leraar optreedt. Het gaat hun niet in de eerste plaats om didactische technieken of om het professionele profiel dat iemand in de loop van de tijd opbouwt. Het gaat om de betekenis van concrete momenten waarin iets op het spel staat en waarin niet vooraf vaststaat hoe het verder zal gaan. Zulke momenten kunnen gepaard gaan met spanning, frictie, stilte of verrassing. Juist daar wordt zichtbaar hoe leraar en leerlingen zich tot elkaar verhouden.
Tegelijkertijd benadrukken de auteurs dat niet elke klassensituatie automatisch zo’n betekenisvol moment is. Er moet sprake zijn van een herkenbaar initiatief, van anderen die daarop reageren en van een situatie waarin iets merkbaar verandert. Pas dan kan worden gesproken van een gebeurtenis waarin de vorming van leerlingen en de betrokkenheid van de leraar als persoon samenkomen.
Voor de praktijk zien de onderzoekers mogelijkheden om leraren bewuster te maken van deze dimensie van hun werk. Het analyseren van videofragmenten, het nabespreken van rollenspellen of het bijhouden van reflectieverslagen kan helpen om stil te staan bij vragen die in de dagelijkse drukte vaak onderbelicht blijven. Niet alleen: werkte dit? Maar ook: wat gebeurde hier eigenlijk tussen mij en mijn leerlingen?
Bestaande ongelijkheden versterken
Tegelijkertijd wijzen zij op een spanningsveld. Leerlingen krijgen ruimte om initiatief te nemen, maar de leraar heeft de positie om te bepalen wat wordt erkend en hoe erop wordt gereageerd. Die machtsverhouding kan in sommige situaties bestaande ongelijkheden versterken. Verdere studie naar concrete klasseninteracties moet laten zien hoe leraren met die spanning omgaan.
De centrale conclusie van het artikel is dat de betrokkenheid van de leraar als persoon geen bijkomstigheid is, maar wezenlijk voor wat onderwijs beoogt wanneer het leerlingen wil helpen hun eigen positie in de wereld te vinden. Wie dat serieus neemt, moet ook erkennen dat onderwijs altijd een onvoorspelbare en soms ongemakkelijke onderneming is – niet alleen voor leerlingen, maar ook voor leraren.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor leraren onderstreept dit onderzoek dat ogenschijnlijk gewone momenten in de klas meer zijn dan kwesties van orde houden of uitleg geven. In onverwachte wendingen, correcties of stiltes wordt zichtbaar hoe een leraar zich als persoon verhoudt tot leerlingen. Dat vraagt niet alleen om vakbekwaamheid, maar ook om reflectie op de eigen rol en houding.
Voor lerarenopleiders biedt het artikel aanknopingspunten om gesprekken over professionaliteit te verdiepen. Niet alleen de vraag wat werkt staat centraal, maar ook wat een bepaalde reactie betekent voor de relatie tussen leraar en leerling en voor de manier waarop een leraar zichzelf in de klas positioneert.
Voor schoolleiders en beleidsmakers vormt het onderzoek een herinnering dat onderwijs meer is dan meetbare opbrengsten. De manier waarop leraren en leerlingen zich in concrete situaties tot elkaar verhouden, maakt wezenlijk deel uit van wat onderwijs tot onderwijs maakt.
Bron: Friso, S., Lozano Parra, S., Van Braak, M., Bakker, C. & De Graaff, R. (2026). The professional significance of subjectification: exploring the interactional presence of the teacher-as-a-self through the pedagogy of subjectification, Teaching and Teacher Education, 175, 105449. DOI: https://doi.org/10.1016/j.tate.2026.105449