Primair onderwijs

Wat DNA ons vertelt over pestgedrag en vriendschappen op school

Waarom wordt het ene kind gepest en het andere niet? En waarom heeft het ene kind moeite om aansluiting te vinden, terwijl het andere moeiteloos deel uitmaakt van een vriendengroep? Volgens Radboud-onderzoeker Fenja Schlag spelen genetische factoren daarbij een rol, naast de omgeving.

Aan de Radboud Universiteit in Nijmegen verdedigde Fenja Schlag woensdag haar proefschrift, Understanding social behaviour during childhood and adolescence: a genetic investigation. In haar onderzoek staat een vraag centraal die voor ouders en leraren herkenbaar is: waarom verschillen kinderen zo sterk in hun sociale gedrag? En welke rol speelt genetica daarin?

Thuis anders dan op school

In haar proefschrift onderzoekt Schlag de genetische basis van sociaal gedrag in de kindertijd en adolescentie. Centraal staan twee kenmerken: laag pro-sociaal gedrag – bijvoorbeeld weinig delen of samenwerken – en problemen in de omgang met leeftijdsgenoten. Zij analyseert in hoeverre verschillen tussen kinderen in deze kenmerken samenhangen met veelvoorkomende variaties in het DNA, en hoe die genetische factoren zich verhouden tot cognitieve vaardigheden, taalontwikkeling en verschillende ontwikkelingsstoornissen zoals ADHD, autisme, depressie en schizofrenie.

Daarbij kijkt zij niet alleen naar genetische invloeden, maar ook naar verschillen tussen leeftijden en sociale contexten, zoals beoordelingen door ouders versus leerkrachten. De kernvraag is steeds: worden verschillende vormen van sociaal gedrag door dezelfde genetische factoren beïnvloed, of gaat het om onderscheiden genetische patronen?

Kinderen gedragen zich niet in elke omgeving hetzelfde

In haar openingswoord begon Schlag niet met genetica, maar met het belang van sociale interacties zelf. “Voor ieder van ons zijn sociale interacties uiterst belangrijk,” zei zij. “We voelen ons beter wanneer we deel uitmaken van sociale groepen en wanneer iemand ons helpt. Als sociale interacties niet goed verlopen, kan dat ons welzijn sterk beïnvloeden.”

Daarmee plaatste zij haar genetisch onderzoek nadrukkelijk in een bredere ontwikkelingscontext. Sociaal gedrag is volgens haar geen randverschijnsel, maar een kernonderdeel van de ontwikkeling van kinderen. “Om sociale interacties succesvol te laten verlopen, vertonen we al vanaf jonge leeftijd sociaal gedrag,” legde zij uit. Dat begint vroeg in de kindertijd en vormt een wezenlijk onderdeel van hoe kinderen zich ontwikkelen.

Sociaal gedrag is universeel

Tegelijk is sociaal gedrag volgens haar zowel universeel als variabel. “Sociaal gedrag is universeel, maar al in de kindertijd verschillen we van elkaar in de mate en de manier waarop we sociaal gedrag uiten.” Sommige kinderen zoeken actief contact, anderen spelen liever alleen. En dat gedrag is niet statisch: “Tijdens onze ontwikkeling verandert ook de manier waarop we sociaal gedrag uiten.” Jonge kinderen interacteren vooral via spel; oudere kinderen worden zich meer bewust van regels en sociale verwachtingen.

Die contextafhankelijkheid speelt ook een rol in haar genetische analyses. In een van haar studies onderzocht Schlag de genetische overlap tussen ADHD en sociaal gedrag. Daaruit bleek dat de genetische overlap groter was bij sociaal gedrag dat door leraren werd gerapporteerd dan bij gedrag dat door ouders werd beoordeeld. Met andere woorden: de samenhang tussen genetische factoren die met ADHD in verband worden gebracht en sociaal gedrag was sterker zichtbaar in de schoolrapportages dan in de thuissituatie.

Pesten en kwetsbaarheid

Een belangrijk onderdeel van het proefschrift van Schlag gaat over zogenoemde ‘peerproblemen’: moeilijkheden in de omgang met leeftijdsgenoten, zoals buitensluiting of conflicten. Schlag maakte in haar onderzoek onderscheid tussen laag pro-sociaal gedrag, bijvoorbeeld weinig delen of samenwerken, en peerproblemen, die betrekking hebben op het moeilijk aansluiting vinden bij anderen.

In haar genetische analyses bleek dat ADHD, autisme en depressie een grotere genetische overlap vertonen met peerproblemen dan met laag pro-sociaal gedrag. Dat wijst erop dat genetische varianten die samenhangen met deze aandoeningen sterker overlappen met relationele problemen dan met kenmerken als weinig delen of samenwerken.

Tijdens de verdediging stelde onderzoeker Jaap Nieuwenhuis van de Rijksuniversiteit Groningen de vraag of peerproblemen wel geschikt zijn voor genetisch onderzoek, omdat het om relationeel gedrag gaat. Sommige vragen in de gebruikte vragenlijst, gaan immers over hoe andere kinderen iemand beoordelen, bijvoorbeeld of andere kinderen iemand niet aardig vinden. Ook wees hij erop dat schoolomgevingen onderling kunnen verschillen.

Schlag erkende dat peerproblemen een wederkerig karakter hebben, maar hield vast aan de genetische analyse ervan. “Ik denk dat er kwetsbaarheden zijn die genetisch overgeërfd worden en je gevoeliger maken om bijvoorbeeld het doelwit van pesten te worden,” zei zij. Tegelijk benadrukte zij dat de omgeving van belang blijft. “Er kunnen ook beschermende factoren in de omgeving zijn waardoor sommige kinderen minder kwetsbaar zijn, zelfs als zij een bepaalde aanleg meebrengen.”

Buurt, school en generaties

Een ander punt van discussie betrof de vraag hoe genetische aanleg en omgeving zich tot elkaar verhouden over generaties heen. Nieuwenhuis schetste het scenario dat ouders met een bepaalde genetische aanleg vaker terechtkomen in specifieke buurten of scholen. Hun kinderen groeien vervolgens op in die omgeving en erven tegelijk genetische kenmerken van hun ouders.

Zij verwees daarbij naar verschillen tussen onderzochte groepen kinderen. In het Amerikaanse ABCD-cohort – een grote langlopende studie waarin kinderen op meerdere locaties in de Verenigde Staten worden gevolgd – vond zij nauwelijks significante zogenoemde SNP-erfelijkheid voor sociaal gedrag. SNP’s zijn veelvoorkomende kleine variaties in het DNA; met SNP-erfelijkheid wordt bedoeld welk deel van de verschillen tussen mensen statistisch kan worden verklaard door zulke genetische variaties. Volgens Schlag kan de grote variatie tussen regio’s en schooldistricten in de Verenigde Staten invloed hebben op de mate waarin zulke genetische effecten zichtbaar worde

Ontwikkeling in de tijd

Tijdens de verdediging kwam ook de vraag aan bod of genetische verbanden met sociaal gedrag veranderen naarmate kinderen ouder worden. In haar toelichting zei Schlag daarover: “Voor drie van de vijf psychische aandoeningen samen vonden we dat de genetische overlap met sociaal gedrag toenam naarmate kinderen ouder werden.” Daarmee maakte zij duidelijk dat die genetische samenhang niet in elke levensfase even sterk is.

Tegelijk werd haar gevraagd of het onderzoek zich niet vooral zou moeten richten op problemen die een leven lang aanhouden. “Uiteindelijk zijn we toch het meest geïnteresseerd in problemen die iemands hele leven doortrekken, zo vroeg Christel Middeldorp hoogleraar aan het Amsterdam UMC aan de promovendus.

Schlag nuanceerde dat standpunt. Zij wees erop dat sociaal gedrag zich ontwikkelt en dat het zinvol kan zijn om naar verschillende ontwikkelingsfasen te kijken. “Ik denk dat het mooi zou zijn om ook naar verschillende kwetsbaarheidsvensters te kijken, waar je gerichter zou kunnen ingrijpen,” zei zij. Daarmee onderstreepte zij dat genetische verbanden met sociaal gedrag kunnen verschillen per leeftijdsfase en dat die variatie zelf onderdeel is van het onderzoek.

Genen en omgeving

Een terugkerend thema in het proefschrift is dat genetische en omgevingsfactoren niet los van elkaar functioneren. In haar analyses vond Schlag dat genetische factoren en niet-genetische factoren binnen bepaalde domeinen met elkaar samenhangen. Dat wijst erop dat genetische en omgevingsinvloeden elkaar beïnvloeden en niet onafhankelijk van elkaar opereren.

Hoewel het deel van de verschillen in sociaal gedrag dat kon worden verklaard door veelvoorkomende DNA-variaties relatief klein was, werd tijdens de verdediging gevraagd hoe zulke lage percentages zich verhouden tot de waarde van het onderzoek. Schlag verwees naar de genetische correlaties die zij vond tussen verschillende kenmerken. “De genetische correlaties die wij observeren en de verschillen daarin zijn robuuste signalen die laten zien dat het de moeite waard is om ook naar eigenschappen met lage erfelijkheid te kijken, maar dan in combinatie met andere kenmerken.”

Ontdek meer onderwerpen