Primair onderwijs

Leerlingen in de leidersrol kunnen pesten versterken of juist tegengaan

Wie in een klas populair is, bepaalt vaak ook wat normaal is. Wordt pesten aangemoedigd of juist afgeremd? Tijdens haar promotieverdediging aan de Rijksuniversiteit Groningen liet Zhe Dong zien dat leerlingen met een leidersrol een doorslaggevende invloed hebben op de dynamiek rond pesten.

Wie zijn in een klas de ‘goede leiders’? Met die ogenschijnlijk eenvoudige vraag begon Zhe Dong haar promotieverdediging afgelopen maandag aan de Rijksuniversiteit Groningen. In het academiegebouw verdedigde zij haar proefschrift over positief en negatief leiderschap, gebaseerd op gegevens van ruim 9.000 leerlingen in groep 5 tot en met 8 uit het Nederlandse KiVa-antipestprogramma.

Haar centrale stelling: populaire klasgenoten spelen een cruciale rol in peer-groepen. Zij stellen groepsdoelen vast, initiëren gezamenlijke activiteiten en beïnvloeden groepsnormen. Vooral zij bepalen wat in een klas als aanvaardbaar of onaanvaardbaar gedrag geldt. Daarmee sturen zij processen van pesten én verdedigen van slachtoffers van pesten, die volgens Dong altijd groepsprocessen zijn waarbij meerdere kinderen betrokken zijn.

Wat is positief en wat is negatief leiderschap?

In haar proefschrift beschrijft Dong negatief leiderschap als een fenomeen waarbij populaire leerlingen sterk betrokken zijn bij pesten. Deze negatieve leiders bezetten een centrale positie in het sociale netwerk van de klas, maar combineren die invloed met agressief gedrag.

Haar promotor, hoogleraar René Veenstra verwoordde het tijdens de zitting kernachtig. “Beide bezetten een centrale positie in het netwerk, maar de positieve leiders zijn geliefd en de negatieve leiders worden waarschijnlijk meer gevreesd.” Positieve leiders zijn populair én worden aardig gevonden; negatieve leiders hebben eveneens invloed, maar roepen eerder angst dan waardering op.

Dong benadrukte tijdens haar verdediging de rol van leiders in de klas. “Leiders oefenen een grote invloed uit op de sfeer in de klas, en zij bouwen de klas op via hun voorbeeldgedrag door hun klasgenoten te laten zien wat wel en niet gedaan kan worden.” Daarmee zetten zij de norm, ook rond pesten.

Pesters blijven persters

Opvallend is dat negatieve leiders zelden veranderen, zelfs wanneer zij in aanraking komen met anti-pestnormen. Tegelijk identificeert Dong ook een type leiders met zowel positieve als negatieve aspecten: kinderen die sommigen helpen, maar anderen pesten. Leiderschap in de klas blijkt dus geen zwart-witcategorie.

Tijdens de oppositie kwam een van de meest intrigerende bevindingen aan de orde. In een hoofdstuk waarin Dong longitudinale sociale netwerkanalyses uitvoerde, onderzocht zij hoe positieve en negatieve leiders zich gedragen in verdedigingssituaties en vriendschappen.

Rozemarijn van der Ploeg, Universitair docent aan de RUG vroeg haar waarom negatieve leiders juist niet-vrienden blijken te verdedigen. Intuïtief zou je verwachten dat zij vooral bevriende klasgenoten helpen. Dong gaf een strategische verklaring. “Voor negatieve leiders leg ik in mijn proefschrift uit dat zij andere kinderen willen verdedigen om zichzelf het gevoel te geven dat zij een hogere sociale status hebben dan de slachtoffers.”

Het verdedigen is in dat geval geen uiting van empathie, maar een vorm van statusvertoon. Bovendien leidde dat verdedigen niet tot nieuwe vriendschappen. “Het verdedigen leidde niet tot een vriendschap voor slachtoffers,” stelde Dong. Daarmee bevestigt het gedrag vooral de hiërarchie in de klas.

De ‘healthy context paradox’

Een ander moment in de verdediging draaide om wat Dong de “healthy context paradox” noemt. Klassen met uitsluitend positieve leiders – ogenschijnlijk de meest veilige omgeving – bleken niet zonder risico.

Toon Cillissen hoogleraar aan de Radboud Universiteit wees erop dat “positieve klassen verrassend genoeg ook enkele negatieve effecten laten zien, en dat zou je niet verwachten.” Dong lichtte toe: “We vonden dat juist in klassen met alleen positieve leiders slachtoffers in het algemeen een lager zelfbeeld hebben, en dat vrouwelijke slachtoffers meer depressieve symptomen rapporteren.”

Klassen met negatieve leiders

Dat kon volgens de Groningse promovendus niet worden verklaard door een hoger aantal pesters in die klassen. “Ik vond dat het aantal pesters juist hoger ligt in klassen met negatieve leiders,” antwoordde Dong op een vraag daarover. In positieve klassen waren juist minder pesters aanwezig.

Volgens haar kan dit samenhangen met hoe slachtoffers hun situatie interpreteren. “Slachtoffers schrijven het feit dat zij gepest worden in klassen met negatieve leiders toe aan de pesters en de negatieve leiders, waardoor zij zich minder slecht aangepast voelen in klassen met alleen negatieve leiders.” In een ‘goede’ klas kan slachtofferschap daardoor juist sterker op het individu terugvallen.

Vragen over causaliteit

Tijdens de verdediging werd ook kritisch gekeken naar de mate waarin causale conclusies mogelijk zijn. Cillissen vroeg expliciet of “we echt concluderen dat het de leiders zijn die de uitkomsten veroorzaken?”

Dong verwees naar haar theoretisch kader en haar bevindingen over meerdere hoofdstukken. Volgens haar laten de gegevens zien dat leiders via hun voorbeeldgedrag groepsnormen vormgeven en daarmee invloed uitoefenen op welbevinden en schoolbeleving. Tegelijk erkende zij dat verdere onderzoeksopzetten nodig zijn om wederzijdse beïnvloeding nog preciezer vast te stellen.

Kunnen antipestprogramma’s leiders veranderen?

Dong’s onderzoek bracht uitsluitsel over de vraag die Veenstra al jaren bezighield. In KiVa-scholen, waar interventies werden uitgevoerd om sociale normen rond pesten te veranderen, bleek 17 procent van de negatieve leiders te veranderen in positieve leiders. In controlescholen, waar minder normverandering optrad, gebeurde dit veel minder vaak. Veenstra benadrukte daarbij dat negatieve leiders in die controlescholen hun gedrag doorgaans voortzetten: “Deze negatieve leiders zetten hun gedrag voort; op een gegeven moment word je dan gezien als pesters, maar zij transformeerden veel minder vaak tot positieve leiders.”

Volgens Dong laten deze bevindingen zien hoe groot de invloed van leiders in de klas is. “Op basis van deze bevindingen denk ik dat zowel positieve als negatieve leiders een grote invloed hebben op hun klasgenoten. Daarom pleiten wij voor anti-pestinterventies die negatieve leiders helpen om positieve leiders te worden, zodat zij hun leiderschapstalent inzetten voor positieve invloed in plaats van dat zij hun leiderschap gebruiken om anderen te pesten en te kwetsen.”

Ontdek meer onderwerpen