Veel kinderen zeggen dat zij een gepeste klasgenoot willen helpen, maar blijven in werkelijke pestsituaties toch passief. Zij kunnen bang zijn zelf het doelwit te worden, vrezen dat hun sociale positie verslechtert of niet weten wat zij op dat moment moeten zeggen.
Bestaande antipestprogramma’s leiden volgens de onderzoekers doorgaans tot bescheiden verbeteringen in het verdedigen van slachtoffers. Een mogelijke verklaring is dat kinderen weinig gelegenheid krijgen om dit gedrag te oefenen in realistische en emotioneel beladen situaties. Virtual reality kan zo’n oefenomgeving bieden zonder dat kinderen direct te maken krijgen met de sociale gevolgen van een werkelijke confrontatie.
De onderzoekers wilden nagaan of een korte VR-training het verdedigende gedrag en het zelfvertrouwen van kinderen kon versterken. Ook onderzochten zij of verlegen kinderen anders op de training reageerden. Verlegenheid betekent volgens de onderzoekers niet dat kinderen geen belangstelling hebben voor anderen. Zij kunnen juist graag sociaal contact willen, maar worden daarbij geremd door angst, onzekerheid en vrees voor een negatieve beoordeling.
Pestsituatie werd steeds grimmiger
Aan het onderzoek deden 22 kinderen van zes tot tien jaar mee, afkomstig van twee Nederlandse basisscholen en een buitenschoolse opvang. Zeventien deelnemers waren jongens. De studie kende geen controlegroep.
Ieder kind doorliep tweemaal een virtuele pestsituatie, met daartussen een persoonlijke coachingssessie. In de virtuele klas kregen leerlingen van een docent de opdracht groepjes van vier te vormen. Vervolgens probeerden drie virtuele klasgenoten een vierde kind buiten te sluiten.
De situatie verergerde in vijf stappen. Eerst zei een pester dat het kind niet bij het groepje mocht. Daarna steunde een tweede klasgenoot de uitsluiting. Het buitengesloten kind vroeg vervolgens aarzelend of het toch mocht meedoen, waarna de pester persoonlijke beledigingen uitte. In de laatste fase richtte het slachtoffer zich zichtbaar geëmotioneerd tot het deelnemende kind.
De kinderen konden op ieder moment reageren. Wanneer zij het slachtoffer overtuigend verdedigden, erkenden de virtuele klasgenoten hun fout en mocht het buitengesloten kind alsnog aansluiten. Grepen zij niet doeltreffend in, dan eindigde het scenario terwijl de uitsluiting bleef bestaan.
Onderzoekers beoordeelden het gedrag op een schaal van nul tot drie. Geen reactie kreeg de laagste score. Hogere scores werden toegekend wanneer een kind de pester aansprak, steun uitsprak tegenover het slachtoffer of beide vormen van verdediging combineerde.
Persoonlijke coaching
Na het eerste scenario kregen de kinderen coaching op basis van hun eigen optreden. Kinderen die weinig of niets hadden gezegd, kregen concrete aanwijzingen over wat zij konden zeggen, hoe zij overtuigender konden spreken en hoe zij hun standpunt konden volhouden.
Wie al gedeeltelijk had ingegrepen, kreeg positieve feedback en tips om eerder te reageren of het aanspreken van de pester te combineren met steun voor het slachtoffer. Bij kinderen die al effectief hadden verdedigd, lag de nadruk vooral op bevestiging van hun aanpak. Daarna doorliepen de kinderen hetzelfde scenario opnieuw, met andere namen en anders vormgegeven avatars. De gebeurtenissen, uitspraken en pauzes bleven gelijk, zodat het gedrag in beide sessies met elkaar kon worden vergeleken.
Kinderen grepen duidelijker in
Het gemiddelde verdedigende gedrag steeg van 0,98 vóór de coaching naar 1,83 erna, op een schaal van nul tot drie. Voor de training bleven kinderen meestal stil of maakten zij pas laat een korte, aarzelende opmerking, bijvoorbeeld dat het gedrag “niet aardig” was.
Na de coaching grepen zij vaker en explicieter in. Zij vroegen de pester bijvoorbeeld te stoppen, nodigden het slachtoffer uit om bij het groepje te komen of combineerden het aanspreken van de pester met steunende woorden aan het buitengesloten kind.
Ook het vertrouwen in het eigen kunnen om een gepeste klasgenoot te verdedigen nam toe. De gemiddelde score steeg van 3,91 naar 4,69 op een schaal van nul tot zes. De spanning die kinderen tijdens het ingrijpen rapporteerden, veranderde niet aantoonbaar. Die bedroeg gemiddeld 4,09 vóór en 4,27 na de training, op een schaal van één tot tien. De toename in gedrag en zelfvertrouwen ging in deze studie dus niet samen met een afname of toename van de ervaren spanning.
Verlegen kinderen werden zekerder
Negen kinderen werden op basis van een vragenlijst als relatief verlegen ingedeeld; dertien kinderen vielen in de minder verlegen groep. Vooraf verschilden beide groepen niet aantoonbaar in hun verdedigende gedrag of vertrouwen in eigen kunnen. Ook na de training nam het daadwerkelijke verdedigende gedrag bij beide groepen in vergelijkbare mate toe. Verlegen kinderen gingen zich dus niet aantoonbaar anders gedragen dan minder verlegen kinderen.
Bij hun vertrouwen in eigen kunnen was wel een verschil zichtbaar. De gemiddelde score van verlegen kinderen steeg van 3,73 naar 5,17. Bij minder verlegen kinderen nam die toe van 4,03 naar 4,35. Volgens de onderzoekers kan de virtuele omgeving verlegen kinderen een veilige gelegenheid bieden om assertief gedrag uit te proberen zonder direct te worden blootgesteld aan de mogelijke sociale gevolgen in een echte klas. Uit het onderzoek kan echter niet worden afgeleid of het grotere vertrouwen later ook leidt tot meer ingrijpen in werkelijke pestsituaties.
Een hoger vertrouwen na de training hing samen met minder ervaren spanning. Kinderen die de VR-ervaring positiever beoordeelden, rapporteerden eveneens meer vertrouwen in hun vermogen om een slachtoffer te verdedigen. Er werd daarentegen geen aantoonbaar verband gevonden tussen dat vertrouwen en het waargenomen gedrag tijdens de tweede VR-sessie.
Geen bewijs voor effect in de klas
De kinderen beoordeelden de VR-ervaring gemiddeld als matig realistisch, meeslepend en leerzaam. De verschillen tussen deelnemers waren groot. In spontane reacties omschreven kinderen de oefening onder meer als leuk, spannend, bijzonder en soms emotioneel.
De onderzoekers benadrukken dat de resultaten voorlopig zijn. De steekproef was klein, omvatte kinderen van uiteenlopende leeftijden en kende geen controlegroep. Daardoor kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat de veranderingen uitsluitend door de training zijn veroorzaakt.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor basisscholen laat deze eerste studie zien dat virtual reality kinderen een gecontroleerde omgeving kan bieden waarin zij kunnen oefenen met het aanspreken van een pester en het steunen van een slachtoffer. Of dit ook tot meer verdediging in de echte klas leidt, is nog niet onderzocht.
Voor leerkrachten en begeleiders wijst het onderzoek op het belang van concrete oefening en persoonlijke feedback. De kinderen kregen niet alleen te horen dat zij moesten ingrijpen, maar oefenden ook wat zij konden zeggen, hoe zij dat overtuigend konden doen en hoe zij konden volhouden.
Voor verlegen kinderen kan zo’n veilige oefenomgeving vooral helpen om het zelfvertrouwen te vergroten. De studie toont echter nog niet aan dat dit grotere vertrouwen ook buiten de VR-omgeving tot ander gedrag leidt.
Bron: Joosten, D. H. J. & Orobio de Castro, B. (2026). Practicing defending in virtual reality: A feasibility study among primary school children, International Journal of Educational Research, 140, 103061. DOI: https://doi.org/10.1016/j.ijer.2026.103061