Kinderen die leeslessen krijgen in betekenisvolle, spelgebaseerde contexten halen geen betere leesresultaten dan kinderen die traditioneel leesonderwijs volgen. In het onderzoek naar de aanpak Zin in Lezen scoorden leerlingen juist lager op leeshouding en begrijpend lezen dan leerlingen in de controlegroep. Op de andere gemeten uitkomsten vonden de onderzoekers geen significante verschillen. Dat blijkt uit een studie van Lisa van der Sande, Marjolein Dobber en Roel van Steensel.
De onderzoekers richtten zich op Zin in Lezen, een aanpak voor leesonderwijs die voortkomt uit ontwikkelingsgericht onderwijs. Daarbij worden lezen en schrijven niet aangeboden als losse vaardigheden, maar ingebed in sociaal-culturele praktijken die voor kinderen betekenisvol kunnen zijn. In de klas kan dat bijvoorbeeld gebeuren via een spelcontext als een dierenwinkel, een restaurant of een doktersspreekuur. Kinderen lezen en schrijven dan binnen die context, bijvoorbeeld om informatie op te zoeken, vragen te beantwoorden of hun spel verder vorm te geven.
Lezen moet daardoor niet alleen bijdragen aan technische vaardigheid, maar ook aan motivatie
De gedachte achter Zin in Lezen is dat kinderen lezen eerder als een zinvolle activiteit ervaren wanneer het onderdeel is van een herkenbare situatie. Lezen moet daardoor niet alleen bijdragen aan technische vaardigheid, maar ook aan motivatie, begrip en woordenschat. In de aanpak worden leesmotivatie, begrijpend lezen, technisch lezen en woordenschat daarom zoveel mogelijk met elkaar verbonden.
Zin in Lezen werd in het onderzoek vergeleken met programmatisch leesonderwijs. Dat is volgens de onderzoekers de gangbare aanpak op veel Nederlandse basisscholen. Daarbij volgen leerkrachten vaak methodegebonden programma’s, waarin technisch lezen, begrijpend lezen, schrijven, woordenschat en leesmotivatie meer afzonderlijk aan bod komen. In groep 3 ligt de nadruk doorgaans sterk op technisch lezen, waarna de aandacht geleidelijk verschuift naar begrijpend lezen.
Onderzoek bij elf basisscholen
Eerder onderzoek naar ontwikkelingsgericht onderwijs en leesontwikkeling was volgens de onderzoekers beperkt. Veel studies hadden kleine steekproeven, een verkennend karakter of gaven weinig informatie over de kwaliteit van de uitvoering. Bovendien was er weinig quasi-experimenteel onderzoek beschikbaar rond de overgang naar formeel leesonderwijs.
Aan de nieuwe studie namen elf basisscholen deel. Zeven scholen werkten met Zin in Lezen, vier scholen met programmatisch leesonderwijs. In totaal werden 343 leerlingen gevolgd, verdeeld over 47 klassen in groep 2, groep 3 en groep 4. Het onderzoek had een quasi-experimentele opzet. Scholen werden dus niet willekeurig aan een conditie toegewezen, maar deden mee op basis van hun bestaande werkwijze of hun keuze voor een bepaalde aanpak.
De leerlingen werden aan het begin en het einde van de onderzoeksperiode getoetst op verschillende aspecten van leesontwikkeling. De onderzoekers keken naar leeshouding, leesgedrag, begrijpend lezen of tekstbegrip, technisch lezen en woordenschat. Daarnaast werden video-opnames van lessen gemaakt om te beoordelen hoe de aanpak in de klas werd uitgevoerd.
Leerkrachten in beide condities volgden professionaliseringsbijeenkomsten. In de Zin in Lezen-conditie gingen die over ontwikkelingsgericht onderwijs en het ontwerpen van betekenisvolle lees- en schrijfactiviteiten. In de controlegroep gingen de bijeenkomsten over verbetering van programmatisch lees- en schrijfonderwijs. Door de coronamaatregelen vonden alle bijeenkomsten online plaats. Ook konden de begeleiders niet in de klas meekijken.
Meer integratie in de les, maar geen betere leerlingresultaten
Uit de lesobservaties bleek dat leerkrachten in de Zin in Lezen-conditie meer kenmerken lieten zien van onderwijs dat leesmotivatie bevordert. Aan het einde van de onderzoeksperiode besteedden zij ook meer aandacht aan woordenschat en integreerden zij verschillende onderdelen van leesonderwijs sterker dan leerkrachten in de controlegroep. Voor begrijpend lezen en technisch lezen vonden de onderzoekers geen significante verschillen in de manier waarop leerkrachten lesgaven.
Die verschillen in de uitvoering vertaalden zich niet in betere resultaten bij leerlingen. Integendeel: leerlingen in de Zin in Lezen-conditie hadden aan het einde van het schooljaar een minder positieve leeshouding en scoorden lager op begrijpend lezen in groep 4 dan leerlingen in de controlegroep. Voor de andere uitkomsten, zoals technisch lezen, woordenschat, tekstbegrip, leesgedrag en taakgerichtheid, werden geen significante verschillen gevonden.
De onderzoekers schrijven dat zij geen bewijs vonden voor een positief effect van Zin in Lezen op de gemeten leerlinguitkomsten. De negatieve effecten op leeshouding en begrijpend lezen kwamen tegen hun verwachting in.
Toetsen, corona en technisch lezen
De onderzoekers bespreken drie mogelijke verklaringen voor de uitkomsten. Een eerste verklaring is dat de gebruikte gestandaardiseerde toetsen mogelijk beter aansluiten bij programmatisch onderwijs dan bij Zin in Lezen. De Cito-toets begrijpend lezen vraagt leerlingen bijvoorbeeld om korte, afzonderlijke teksten te lezen en daar vragen over te beantwoorden. Dat lijkt sterker op de manier waarop begrijpend lezen in methodegebonden onderwijs wordt aangeboden dan op de betekenisvolle, thematische contexten van Zin in Lezen.
Een tweede verklaring ligt bij de uitvoering tijdens de coronaperiode. De professionalisering van leerkrachten vond online plaats, terwijl begeleiding in de klas niet mogelijk was. Juist voor een aanpak als Zin in Lezen, die voor veel leerkrachten een grotere verandering in hun dagelijkse lespraktijk vraagt dan programmatisch onderwijs, kan directe coaching in de klas belangrijk zijn. De onderzoekers stellen dat Zin in Lezen daardoor waarschijnlijk niet volledig is uitgevoerd zoals bedoeld.
Voor leeshouding werd een vergelijkbaar patroon gevonden
Een derde verklaring heeft te maken met technisch lezen. Leerlingen in de Zin in Lezen-conditie scoorden bij de voormeting al lager op verschillende maten voor technische leesvaardigheid dan leerlingen in de controlegroep. Aanvullende analyses lieten zien dat het negatieve effect op begrijpend lezen niet langer significant was wanneer de onderzoekers rekening hielden met die aanvankelijke verschillen in technisch lezen. Voor leeshouding werd een vergelijkbaar patroon gevonden.
Daarmee is niet vastgesteld waardoor die lagere beginscores precies zijn ontstaan. De onderzoekers wijzen erop dat het kan gaan om een selectie-effect, omdat scholen niet willekeurig over de condities zijn verdeeld. Tegelijk houden zij de mogelijkheid open dat de aanpak zelf een rol heeft gespeeld, omdat de scholen in de Zin in Lezen-conditie al langer met deze aanpak werkten.
De onderzoekers concluderen daarom dat verdere ontwikkeling van Zin in Lezen nodig is. Daarbij gaat het vooral om betere professionalisering van leerkrachten, meer praktijkgerichte begeleiding en een sterkere verbinding tussen betekenisvolle leesactiviteiten en systematische aandacht voor technisch lezen.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor basisscholen laat dit onderzoek zien dat betekenisvolle en spelgebaseerde leescontexten op zichzelf geen garantie geven op betere leesresultaten. In deze studie leidde Zin in Lezen niet tot betere uitkomsten dan programmatisch leesonderwijs, en op leeshouding en begrijpend lezen werden juist lagere scores gevonden.
Voor leerkrachten in groep 2, 3 en 4 is vooral de combinatie met technisch lezen relevant. De onderzoekers wijzen erop dat lagere technische leesvaardigheid bij de voormeting de negatieve uitkomsten mogelijk mede verklaart. Betekenisvolle leesactiviteiten vragen daarom om een duidelijke en systematische plek voor technisch lezen.
Voor schoolleiders en begeleiders onderstreept de studie dat invoering van een nieuwe leesaanpak intensieve ondersteuning vraagt. De coronamaatregelen beperkten in dit onderzoek de begeleiding in de klas. Volgens de onderzoekers is verdere ontwikkeling nodig, met meer praktijkgerichte professionalisering en betere ondersteuning bij het verbinden van spelgebaseerd werken met systematische leesinstructie.
Bron: Van der Sande, L., Dobber, M. & Van Steensel, R. (2026). Does Embedding Early Reading Education in Meaningful Contexts Improve Children’s Reading Engagement and Reading Proficiency?, Journal of Research in Childhood Education. DOI: https://doi.org/10.1080/02568543.2026.2669267