Primair onderwijs

Schooladvies en toets voorspellen later succes, maar bevatten niet dezelfde informatie

Een leraar ziet bij twaalfjarigen iets wat een toets mist. Het schooladvies voorspelt hun latere schoolloopbaan en loon beter dan een gestandaardiseerde toets. Wordt gecorrigeerd voor meetfouten in die toets, dan draait die verhouding bij alle uitkomsten om, maar het advies blijft aanvullende informatie bevatten. Dat blijkt uit langlopend onderzoek van Lex Borghans en Trudie Schils van de Universiteit Maastricht en Ron Diris van de Universiteit Leiden.

Zij volgden leerlingen niet alleen tot in het voortgezet onderwijs, maar tot ver in de volwassenheid. Het is volgens de onderzoekers de eerste studie die toets en leerkrachtoordeel combineert om succes op korte en lange termijn te voorspellen, in het onderwijs en op de arbeidsmarkt.

Vijf generaties leerlingen gevolgd

De onderzoekers gebruikten gegevens uit vijf Nederlandse cohortonderzoeken onder leerlingen die in 1977, 1983, 1989, 1993 en 1999 aan het voortgezet onderwijs begonnen, toen ongeveer twaalf jaar oud. Het oudste cohort bestond uit ruim 24.000 leerlingen; de overige telden ieder tussen de 12.000 en 18.000 deelnemers. Die gegevens werden gekoppeld aan landelijke registraties over diploma’s, opleidingsniveau en arbeidsmarktpositie. Voor de onderwijsuitkomsten konden 82.962 leerlingen worden gevolgd; de loonanalyses berusten op 59.273 personen.

De oudste deelnemers waren aan het einde van de onderzoeksperiode 51 jaar, de jongste 29. Zo konden de onderzoekers nagaan of beoordelingen op twaalfjarige leeftijd niet alleen de eerste jaren in het voortgezet onderwijs voorspelden, maar ook het uiteindelijke opleidingsniveau en het loon op volwassen leeftijd.

Schooladvies naast een aparte onderzoekstoets

De eerste beoordeling was het schooladvies aan het einde van de basisschool. Dat gaf aan welk schooltype volgens de school het beste bij de leerling paste; het kon twee aangrenzende niveaus omvatten. Scholen waren verplicht het advies door een team te laten vaststellen, maar de onderzoekers beschouwen de leerkracht van het laatste basisschooljaar als de belangrijkste beoordelaar. Het advies steunde op eerdere schoolprestaties en op een bredere inschatting van de cognitieve en niet-cognitieve ontwikkeling, inclusief observaties uit het schooljaar. Welke kenmerken leerkrachten precies meenamen, is niet gemeten.

De tweede beoordeling was een toets die speciaal voor het cohortonderzoek werd afgenomen en geen rol speelde bij de plaatsing in het voortgezet onderwijs. Meestal maakten leerlingen die toets bij de start van het eerste leerjaar. Hij telde zestig of zeventig vragen over taal, rekenen en informatieverwerking; in het oudste cohort ontbrak dat laatste onderdeel.

Dat de toets buiten de plaatsing bleef, is belangrijk voor de onderzoeksopzet: de voorspellende waarde ervan kan niet voortkomen uit het feit dat de uitslag zelf de schoolloopbaan stuurde. Voor het advies gold dat wel; het bepaalde mede op welk niveau een leerling begon.

Vier uitkomsten vergeleken

De onderzoekers keken naar vier uitkomsten: of leerlingen in de derde klas het vwo volgden, of zij een vwo-diploma behaalden, of zij hoger onderwijs voltooiden en hoeveel zij later verdienden. De jaarinkomsten werden gecorrigeerd voor de omvang van de baan en de gewerkte periode, zodat de uitkomst het uurloon benadert.

Afzonderlijk geanalyseerd voorspelden beide beoordelingen die uitkomsten sterk. Eén standaarddeviatie hoger schooladvies hing samen met 23 procentpunt meer kans op het vwo in de derde klas; bij de toets was dat 21 procentpunt. Ook voor het latere loon waren de verbanden vrijwel even groot: één standaarddeviatie hoger scoren ging samen met ongeveer 16 procent hoger loon bij het advies en 15 procent bij de toets. Het gaat om statistische samenhangen; uit het onderzoek volgt niet dat een hoger advies of een hogere score het loon veroorzaakt.

Het schooladvies voegt informatie toe

Vervolgens namen zij beide beoordelingen tegelijk op, om te zien wat het advies nog voorspelde bij een gelijke toetsscore, en omgekeerd. In die vergelijking bleef het schooladvies steeds de sterkere voorspeller. Bij leerlingen met dezelfde toetsscore hing één standaarddeviatie hoger advies samen met 17 procentpunt meer kans op het vwo in de derde klas; bij leerlingen met hetzelfde advies leverde een vergelijkbaar verschil in de toets 7 procentpunt op. Voor het latere loon bedroegen die verbanden respectievelijk 11 en 7 procent.

Het advies toevoegen aan een model met alleen de toets verklaarde bovendien 3 tot 4 procent extra van de loonverschillen. Dat is volgens de onderzoekers aanzienlijk vergeleken met andere kenmerken uit eerder onderzoek.

Vijf mogelijke verklaringen

De onderzoekers wilden vooral begrijpen waarom het schooladvies zoveel voorspellende waarde heeft, en toetsten daarvoor vijf verklaringen. De eerste mogelijkheid was dat het advies feitelijk dezelfde informatie bevat als de toets. Dat bleek niet het geval: beide beoordelingen behielden voorspellende waarde wanneer ze tegelijk werden meegenomen.

De tweede mogelijkheid was dat het advies vooral sociaaleconomische verschillen weerspiegelde. Leerkrachten zouden leerlingen met hoogopgeleide ouders een hoger advies kunnen geven, terwijl die leerlingen thuis ook betere kansen krijgen. De onderzoekers controleerden daarom onder meer voor opleiding en beroep van de ouders, migratieachtergrond, gezinsgrootte en verstedelijking. Daardoor daalde de voorspellende waarde van het advies met ongeveer 10 procent. Sociaaleconomische verschillen verklaren dus slechts een beperkt deel van het verband.

Het advies kan zichzelf gedeeltelijk waarmaken

Een derde verklaring was dat het schooladvies mede voorspelt waar leerlingen terechtkomen omdat het hun eerste plaatsing beïnvloedt. Wie hoger begint, krijgt andere vakken, verwachtingen en mogelijkheden.

Daarom vergeleken de onderzoekers leerlingen die in hetzelfde schooltype begonnen, zodat het effect van de plaatsing zo veel mogelijk uit de analyse verdween. De voorspellende waarde van het advies daalde met ongeveer 40 procent voor het niveau in de derde klas, met ongeveer 25 procent voor het uiteindelijke opleidingsniveau en met ongeveer 15 procent voor het latere loon. De eerste plaatsing verklaart dus een deel van het verband, vooral op korte termijn. Deze correctie is waarschijnlijk te streng, waarschuwen zij; de uitkomsten vormen een bovengrens voor die invloed.

Toevallige meetfouten blijken belangrijk

De vierde verklaring betrof meetfouten in de toets. Een korte toets geeft geen volmaakt beeld: de uitslag kan worden beïnvloed door toeval, concentratie, vermoeidheid of een uitzonderlijk goede of slechte dag. Een leerkracht observeert veel langer en kan een deel van die ruis corrigeren. Het advies lijkt dan extra informatie te bevatten, terwijl het in werkelijkheid een nauwkeuriger beeld geeft van wat de toets probeert te meten.

De onderzoekers gebruikten daarom een factormodel dat via de deelscores op taal, rekenen en informatieverwerking de onderliggende vaardigheid schat. Dat veranderde de uitkomsten aanzienlijk. De voorspellende waarde van de toets steeg met ongeveer 65 tot 70 procent; die van het advies daalde, afhankelijk van de uitkomst, met ongeveer 20 tot 40 procent. Na deze correctie was de toets voor alle onderzochte uitkomsten de sterkere voorspeller.

De aanvankelijke voorsprong van het leerkrachtoordeel komt dus deels voort uit meetfouten in de korte onderzoekstoets. Dat betekent niet dat het advies daarna geen waarde meer heeft: ook na correctie bleef het substantieel samenhangen met alle onderzochte uitkomsten.

Niet gemeten vaardigheden

Daarmee blijft volgens de onderzoekers de vijfde verklaring overeind: het schooladvies bevat kennelijk informatie over vaardigheden die relevant zijn voor later succes, maar niet volledig door de toets worden gemeten. Welke dat precies zijn, kan de studie niet vaststellen; motivatie, doorzettingsvermogen, zelfstandigheid, gedrag en werkhouding zijn niet afzonderlijk gemeten. Zeker is alleen dat het advies iets vastlegt wat de toets niet meet.

Die aanvullende waarde is het grootst voor de eerste jaren van het voortgezet onderwijs; naarmate uitkomsten verder in de toekomst liggen, wordt de toets belangrijker. Volgens de onderzoekers wegen leerkrachten dus vooral kenmerken mee die leerlingen in die eerste jaren vooruithelpen.

Geen wedstrijd tussen leraar en toets

De onderzoekers presenteren hun studie nadrukkelijk niet als een wedstrijd om de beste voorspeller. Hun belangrijkste conclusie is dat schooladvies en toets elkaar aanvullen: ze overlappen sterk, maar bevatten niet precies dezelfde informatie. Een deel van de meerwaarde van het advies bestaat uit het corrigeren van toevallige fouten in een eenmalige toets; daarnaast lijkt het vaardigheden mee te wegen die in de toets niet of onvoldoende zichtbaar worden.

Een plaatsingssysteem dat uitsluitend op een toets of uitsluitend op het oordeel van de school steunt, laat volgens de onderzoekers daarom informatie liggen. Hoeveel gewicht beide beoordelingen precies moeten krijgen, volgt niet uit de studie. De auteurs wijzen er bovendien op dat subjectieve beoordelingen gevoelig kunnen zijn voor vooroordelen en voor verschillen tussen leerkrachten.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor basisscholen laat het onderzoek zien dat het schooladvies informatie bevat die niet volledig uit één toetsuitslag kan worden afgeleid. Een deel daarvan komt doordat leerkrachten leerlingen gedurende langere tijd observeren en zo toevallige uitschieters in een korte toets kunnen ondervangen.

Voor scholen in het voortgezet onderwijs maken de resultaten duidelijk dat een schooladvies en een toets niet volledig uitwisselbaar zijn. Beide voorspellen de verdere schoolloopbaan, maar zij leggen gedeeltelijk verschillende informatie over leerlingen vast.

Voor beleidsmakers ondersteunen de resultaten een systeem waarin meerdere informatiebronnen gezamenlijk worden meegewogen. De studie laat niet zien welke exacte verhouding tussen schooladvies en toets het beste werkt en biedt geen oplossing voor mogelijke vooroordelen in subjectieve beoordelingen.

Bron: Borghans, L., Diris, R. & Schils, T. (2026). The Teacher and the Test? An Analysis of the Short and Long-Run Predictive Power of Achievement Indicators, Oxford Bulletin of Economics and Statistics. DOI: https://doi.org/10.1111/obes.70117

Ontdek meer onderwerpen