Scholen zijn de belangrijkste plek waar interventies rond digitale media, digitale geletterdheid en online veiligheid van jongeren worden onderzocht. Leraren voeren zulke programma’s bovendien vaak zelf uit. Toch is nog beperkt duidelijk welke aanpakken in het onderwijs het beste werken, omdat studies sterk verschillen in opzet, uitkomstmaten en kwaliteit. Dat blijkt uit een scoping review van onderzoekers van onder meer de Vrije Universiteit Amsterdam, Jeugd & Media Advies, de Universiteit van Cambridge en Hogeschool Leiden.
De onderzoekers analyseerden 120 peer-reviewed publicaties over digitale-media-interventies voor jongeren tot en met 23 jaar, hun ouders, verzorgers of professionele opvoeders. Samen beschreven die publicaties 131 afzonderlijke interventies. De studies verschenen tussen 2006 en 2024 en kwamen uit 38 landen. De onderzoekers keken niet naar alle bestaande lesprogramma’s of praktijkinitiatieven, maar uitsluitend naar interventies die empirisch zijn onderzocht met experimentele of quasi-experimentele onderzoeksopzetten.
Digitale media zijn volgens de onderzoekers inmiddels verweven met onderwijs, communicatie en vrijetijdsbesteding
De centrale vraag was welke interventies rond digitaal mediagebruik van jongeren zijn ontwikkeld en onderzocht, op welke risico’s en kansen zij zich richten, voor welke doelgroepen zij bedoeld zijn, in welke context ze worden uitgevoerd en hoe stevig het onderzoeksbewijs is. Digitale media zijn volgens de onderzoekers inmiddels verweven met onderwijs, communicatie en vrijetijdsbesteding van jongeren.
Digitale platforms bieden kansen, zoals toegang tot leermateriaal, creatieve expressie, identiteitsontwikkeling en sociale verbinding. Tegelijk wijzen de onderzoekers op risico’s als cyberpesten, desinformatie, commerciële uitbuiting en dwangmatig gebruik. De vraag welke interventies jongeren daarbij kunnen ondersteunen, is daardoor niet alleen relevant voor jeugdbeleid of publieke gezondheid, maar ook voor scholen en opleidingen.
Uit de analyse blijkt dat scholen veruit de belangrijkste uitvoeringscontext zijn. Van de 131 interventies werden er 98 in scholen uitgevoerd. Daarnaast vonden 16 interventies plaats in het hoger onderwijs, 15 in online omgevingen en 12 thuis. Sommige programma’s liepen in meer dan één context. De school is daarmee de dominante plek waar digitale-media-interventies worden getest.
Rol leraren blijft onderbelicht
Ook bij de uitvoering spelen leraren een grote rol. In 62 interventies waren leraren de uitvoerders van het programma. Daarmee waren zij vaker betrokken dan onderzoekers, ouders, leeftijdsgenoten of zorgprofessionals. Volgens de onderzoekers weerspiegelt dit de centrale positie van schoolgerichte uitvoering. Tegelijk laat de review zien dat lang niet altijd duidelijk is hoe leraren op die rol worden voorbereid. In 30 interventies werd vermeld dat leraren vooraf training kregen. In 82 gevallen werd de trainingsstatus van leraren niet gerapporteerd of was die niet van toepassing.
Dat is een belangrijk onderwijsgegeven. De onderzochte programma’s rekenen vaak op scholen en leraren, maar de voorwaarden waaronder leraren zo’n interventie uitvoeren, worden in veel studies niet helder beschreven. Daardoor blijft onduidelijk in hoeverre positieve effecten afhangen van de inhoud van het programma, van de manier waarop leraren zijn voorbereid, of van de lokale schoolcontext.
Reclamewijsheid
De inhoudelijke nadruk ligt sterk op digitale geletterdheid en mediawijsheid. De onderzoekers vonden 34 verschillende doeldomeinen, maar een groot deel van het veld draait om vormen van media-, digitale of informatiegeletterdheid. Mediawijsheid was met 37 interventies het vaakst onderzochte domein. Daarna volgden cyberpesten met 23 interventies, digitale geletterdheid met 12 interventies en online veilig gedrag met 9 interventies. Reclamewijsheid, online burgerschapsredeneren en cybervictimisatie kwamen elk in acht interventies voor.
In totaal hadden 75 van de 131 interventies een domein dat expliciet als een vorm van “literacy” werd aangeduid. Daarmee vormen geletterdheidsprogramma’s de dominante lijn in het onderzochte veld. De onderzoekers wijzen er wel op dat de afbakening tussen verschillende vormen van digitale, media- en informatiegeletterdheid niet altijd helder is. Voor toekomstig onderzoek is volgens hen daarom niet alleen de vraag van belang of zulke interventies effect hebben, maar ook wat precies onder de verschillende vormen van geletterdheid wordt verstaan.
De review laat verder zien dat veel interventies vooral gericht zijn op risico’s. Bijna de helft van de interventies, 60 van de 131, richtte zich uitsluitend op risicodomeinen. Een kwart, 33 interventies, richtte zich alleen op kansen. De overige 38 interventies combineerden risico’s en kansen. Het vaakst kwamen interventies voor rond waarden-gerelateerde risico’s, zoals desinformatie en extremistische inhoud. Daarna volgden agressiegerelateerde risico’s, zoals cyberpesten en online intimidatie, en commerciële risico’s. Seksuele risico’s kwamen minder vaak voor.
Minder vaak aan bod
Aan de kant van kansen ging het vooral om online onderwijs en geletterdheid. Dat domein kwam in 54 interventies voor. Kansen rond creativiteit en zelfexpressie, identiteit en sociale verbinding, en burgerlijke participatie kwamen minder vaak aan bod. Volgens de onderzoekers laat dit zien dat risico’s en kansen in het onderzoek nog niet altijd samen worden bekeken, terwijl jongeren digitale media in de praktijk niet gescheiden ervaren als afzonderlijke risico- en kansendomeinen.
Voor het onderwijs is vooral relevant dat interventies rond mediawijsheid vaak een gemengd profiel hebben. Mediawijsheid werd niet alleen gekoppeld aan online onderwijs en digitale geletterdheid, maar ook aan risico’s zoals desinformatie, commerciële beïnvloeding en agressie. Cyberpesten daarentegen werd vooral als agressiegerelateerd risico benaderd. Informatiegeletterdheid en digitale informatiegeletterdheid vormden eerder een brug tussen onderwijsdoelen en het omgaan met desinformatie.
De onderzoekers keken ook naar de leeftijdsgroepen waarvoor interventies zijn onderzocht. Adolescenten vormden veruit de grootste groep. Van de interventies waarvoor voldoende leeftijdsinformatie beschikbaar was, richtten er 68 zich op jongeren van 11 tot en met 17 jaar. Veertien interventies onderzochten jongvolwassenen van 18 tot en met 23 jaar, elf richtten zich op kinderen van 5 tot en met 10 jaar en vier op jonge kinderen van 0 tot en met 4 jaar.
Vroege interventies kunnen mogelijk blijvende voordelen hebben
Dat betekent dat vooral het voortgezet onderwijs sterk in beeld is, terwijl vroege kinderjaren en de basisschoolleeftijd veel minder zijn onderzocht. De onderzoekers wijzen erop dat vroege interventies mogelijk blijvende voordelen kunnen hebben, omdat kennis en vaardigheden rond gezond schermgebruik al eerder kunnen worden opgebouwd. Tegelijk is juist de adolescentie een periode waarin schermtijd toeneemt en jongeren gevoeliger kunnen zijn voor digitale en sociale media.
Een andere lacune betreft inclusief onderwijs. Slechts vijf interventies richtten zich op jongeren met speciale onderwijsbehoeften. Het ging onder meer om neurodivergente jongeren met een verstandelijke beperking, jongeren met een bredere diagnose van beperking of ontwikkelingsachterstand, en jongeren met lichamelijke of complexe communicatieve beperkingen. Volgens de onderzoekers beperkt dit de mogelijkheid om te beoordelen of digitale-media-interventies toegankelijk, passend en effectief zijn voor jongeren met verschillende ontwikkelingsprofielen.
Ook kenmerken als etniciteit of ras werden weinig gerapporteerd. Slechts 18 interventies bevatten zulke informatie, en geen van de gevonden interventies richtte zich expliciet op specifieke etnische of raciale minderheidsgroepen. Daardoor blijft onduidelijk in hoeverre de resultaten generaliseerbaar zijn naar verschillende groepen jongeren.
Het beeld voorzichtig positief
Wat betreft effecten is het beeld voorzichtig positief, maar methodologisch kwetsbaar. Van de 131 interventies rapporteerden er 90, oftewel 68,7 procent, een statistisch significante verbetering op ten minste één beoogde uitkomst. Bij 41 interventies werd geen verbetering gevonden of waren de uitkomsten nulresultaten. De onderzoekers benadrukken echter dat deze indeling beschrijvend is en geen meta-analytische effectschatting vormt.
Die voorzichtigheid is nodig omdat het onderzoeksveld sterk versnipperd is. Veel interventies zijn slechts één keer getest. Bovendien gebruikten onderzoekers vaak eigen meetinstrumenten die specifiek voor één studie waren ontwikkeld. Van de 131 interventies gebruikten er 95 een quasi-experimenteel ontwerp en 36 een experimenteel ontwerp. In veel studies was het risico op vertekening hoog of onvoldoende duidelijk gerapporteerd.
Bij de experimentele studies werd randomisatie wel altijd vermeld, maar de methode van toewijzing werd slechts in iets meer dan de helft beschreven. Blindering kwam weinig voor en allocation concealment werd maar in een kwart van de experimentele studies gerapporteerd. Bij quasi-experimentele studies ontbrak randomisatie meestal, waren controlegroepen lang niet altijd aanwezig en werd uitval vaak niet gerapporteerd.
Bewijs ongelijk verdeeld en methodologisch beperk
Voor scholen betekent dit dat bestaande interventies niet zomaar als stevig bewezen kunnen worden beschouwd. De onderzoekers concluderen niet dat zulke programma’s geen waarde hebben, maar wel dat het bewijs ongelijk verdeeld en methodologisch beperkt is. Vooral voor beleidsmakers en onderwijsorganisaties die digitale geletterdheid, mediawijsheid of online veiligheid structureel willen opnemen in het curriculum, is dat een belangrijk voorbehoud.
In hun slotbeschouwing schrijven de onderzoekers dat interventiedoelen zich concentreren rond een relatief beperkt aantal terugkerende domeinen. Vooral programma’s rond media-, digitale en informatiegeletterdheid vormen een dominante lijn. Tegelijk ligt de nadruk vaak op risicoreductie, terwijl interventies die risicovermindering combineren met het versterken van kansen beter aansluiten bij de manier waarop jongeren digitale media gebruiken.
Volgens de onderzoekers is er behoefte aan systematische synthese van literacy-gerichte interventies, maar daarvoor moet eerst scherper worden uitgewerkt hoe verschillende vormen van digitale-mediageletterdheid worden gedefinieerd en gemeten. Daarnaast pleiten zij voor meer aandacht voor ontwikkelingsfase, inclusiviteit, sociaaldemografische kenmerken en uitvoerbaarheid in scholen en gezinnen.
AI ontbreekt nog in het interventieonderzoek
Opvallend is ook wat de onderzoekers niet vonden. In de onderzochte evidence base kwamen geen AI-gerichte interventies naar voren. Dat kan betekenen dat AI-geletterdheid inmiddels als afzonderlijke onderzoeksrichting ontstaat, maar nog niet goed vertegenwoordigd is in het peer-reviewed interventieonderzoek naar digitale media en jongeren.
Voor het onderwijs ligt daarmee een dubbele boodschap op tafel. Scholen zijn al de belangrijkste plaats waar interventies rond digitale weerbaarheid worden getest, en leraren spelen daarin een grote uitvoerende rol. Tegelijk is nog niet precies duidelijk welke aanpakken het meest effectief zijn, hoe leraren daarop moeten worden voorbereid en hoe interventies kunnen worden afgestemd op verschillende groepen leerlingen.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor scholen laat deze review zien dat onderwijsinstellingen nu al de belangrijkste plek zijn waar interventies rond digitale media, mediawijsheid, cyberpesten en online veiligheid worden onderzocht. Tegelijk maakt het onderzoek duidelijk dat de onderbouwing per programma sterk kan verschillen.
Voor leraren en schoolleiders is vooral relevant dat leraren vaak verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van zulke interventies, terwijl in veel studies niet duidelijk wordt beschreven welke training of voorbereiding zij krijgen. Wie digitale geletterdheid structureel wil aanbieden, moet dus niet alleen naar lesmateriaal kijken, maar ook naar professionalisering en uitvoerbaarheid.
Voor curriculumontwikkelaars en beleidsmakers wijst de review erop dat digitale geletterdheid en mediawijsheid veel worden onderzocht, maar dat begrippen en meetinstrumenten uiteenlopen. Voor stevige keuzes in curriculum en beleid is daarom meer vergelijkbaar onderzoek nodig, met aandacht voor verschillende leeftijden, leerlingen met speciale onderwijsbehoeften en de balans tussen online risico’s en kansen.
Bron: Chaplinska, I., Nikken, P., Brons, H., Smixioti, E., Jertberg, R. M., Koning, I., Mary, S. M., Edelaar-Peeters, Y. & Schuengel, C. (2026). Scoping review of research on evidence-based digital media interventions for youth, Social Sciences & Humanities Open. DOI: https://doi.org/10.1016/j.ssaho.2026.102924