De onderzoekers volgden Nederlandse scholieren tussen ongeveer hun twaalfde en zestiende jaar en onderzochten hoe hun opvattingen over vrijheid van meningsuiting zich over tijd ontwikkelen.
Niet iedere uitspraak wordt hetzelfde beoordeeld
De onderzoekers maken onderscheid tussen steun voor het algemene beginsel van vrije meningsuiting en oordelen over concrete uitspraken. Veel mensen onderschrijven het uitgangspunt dat iedereen moet kunnen zeggen wat hij denkt, maar stellen grenzen zodra uitingen botsen met andere democratische waarden, zoals gelijkheid of veiligheid.
Volgens Van Slageren en Van der Meer hoeft die voorwaardelijke steun niet te wijzen op een gebrek aan democratische overtuiging. Een democratie vraagt juist dat burgers verschillende beginselen tegen elkaar kunnen afwegen. Vrijheid van meningsuiting kan bijvoorbeeld botsen met de bescherming van minderheden of met het tegengaan van geweld.
De onderzoekers wilden weten hoe jongeren leren om zulke afwegingen te maken. Zij richtten zich op de adolescentie, een periode waarin politieke en maatschappelijke opvattingen nog sterk in ontwikkeling zijn en jongeren ontvankelijk zijn voor invloeden uit hun omgeving.
Daarbij onderzochten zij zowel de ontwikkeling van het denken als de mogelijke invloed van groepslidmaatschap. Naarmate jongeren ouder worden en meer onderwijs volgen, zouden zij beter onderscheid kunnen maken tussen verschillende soorten uitingen. Tegelijk kunnen zij grenzen stellen om groepen waarmee zij zich verbonden voelen te beschermen.
Leerlingen vier jaar gevolgd
Voor het onderzoek gebruikten de auteurs gegevens uit het Nederlands Scholierenpanel over Democratische Waarden. De eerste meting vond in het najaar van 2018 plaats onder 2.220 leerlingen uit 210 klassen op 49 scholen. De leerlingen zaten toen in de eerste klas van het voortgezet onderwijs en waren meestal elf of twaalf jaar oud.
De analyse vergelijkt hun antwoorden in de eerste en de vierde klas. In totaal gaat het om 3.461 metingen bij 2.817 verschillende leerlingen. Een deel van de scholieren nam aan beide metingen deel, terwijl anderen slechts eenmaal werden ondervraagd.
De leerlingen kregen de stelling voorgelegd dat iedereen moet kunnen zeggen wat hij of zij denkt. Daarnaast beoordeelden zij zeven uitspraken die in een televisieprogramma gedaan zouden kunnen worden. Zij moesten aangeven of zulke uitspraken volgens hen toegestaan moesten zijn.
Uit de antwoorden kwamen drie soorten vrije meningsuiting naar voren. De eerste betreft uitingen over de verhouding tussen burger en overheid, zoals kritiek op de regering, een pleidooi voor het afschaffen van verkiezingen of de uitspraak dat migranten of lageropgeleiden niet zouden mogen stemmen.
De tweede categorie gaat over de omgang tussen burgers, zoals grappen over religie of cultuur en het uitschelden van andere mensen. Oproepen tot geweld vormden een afzonderlijke derde categorie.
Oordelen worden sterker gestructureerd
In de vierde klas vertonen de antwoorden van leerlingen een duidelijker patroon dan in de eerste klas. Scholieren onderscheiden dan scherper tussen uitspraken over overheid en democratie, uitspraken over andere burgers en oproepen tot geweld.
De algemene steun voor vrije meningsuiting daalt licht, maar blijft hoog. In de eerste klas onderschrijven leerlingen het abstracte beginsel gemiddeld voor 84 procent; in de vierde klas is dat 80 procent. Tegelijk neemt de steun voor concrete uitspraken toe. Op een gestandaardiseerde schaal van nul tot honderd stijgt de steun voor uitingen over overheid en democratie van 35 naar 50. De steun voor uitingen over andere burgers verdubbelt van 14 naar 28.
Die laatste stijging hadden de onderzoekers niet verwacht. Zij gingen ervan uit dat scholieren naarmate zij ouder werden kritischer zouden worden over uitspraken die andere groepen konden raken. De resultaten laten juist zien dat zij ook zulke uitingen vaker toegestaan vinden. Bij oproepen tot geweld verandert weinig. De steun daarvoor blijft met ongeveer 10 procent laag.
Verschillen tussen jongens en meisjes groeien
Niet alle groepen leerlingen trekken dezelfde grenzen. Meisjes vinden concrete omstreden uitspraken minder vaak toelaatbaar dan jongens. Dat geldt zowel voor uitspraken over overheid en democratie — zoals het afschaffen van verkiezingen of het beperken van het stemrecht — als voor grappen over religie en het uitschelden van andere mensen. Vooral bij die laatste categorie wordt het verschil tussen jongens en meisjes tussen de eerste en de vierde klas aanzienlijk groter.
Een migratieachtergrond hangt daarentegen nauwelijks samen met de grenzen die leerlingen aan de vrijheid van meningsuiting stellen. Leerlingen met en zonder migratieachtergrond verschillen niet aantoonbaar in hun oordeel over de onderzochte uitspraken. Dat geldt ook voor de bewering dat migranten niet zouden mogen stemmen: leerlingen met een migratieachtergrond vinden niet significant minder vaak dan andere leerlingen dat zo’n uitspraak in een televisieprogramma gedaan moet mogen worden.
Verschillen naar sociaaleconomische achtergrond zijn vooral in de eerste klas zichtbaar. Leerlingen uit gezinnen met een hogere sociaaleconomische positie steunen concrete politieke en maatschappelijke uitingen dan iets vaker, maar onderschrijven het algemene beginsel van vrije meningsuiting juist minder sterk. In de vierde klas zijn deze verschillen grotendeels verdwenen.
Ook religieuze achtergrond wordt op sommige punten minder bepalend. In de eerste klas steunen christelijke leerlingen zowel politieke uitingen als uitingen over andere burgers minder vaak dan niet-religieuze leerlingen. Vier jaar later zijn deze verschillen grotendeels verdwenen.
Dat patroon is ook zichtbaar bij grappen over religie. In de eerste klas vinden zowel christelijke als islamitische leerlingen zulke grappen minder vaak toegestaan dan niet-religieuze leerlingen. In de vierde klas verschillen christelijke leerlingen niet meer aantoonbaar van niet-religieuze klasgenoten. Bij islamitische leerlingen blijft het verschil bestaan.
Onderwijsniveau wordt belangrijker
De verschillen tussen onderwijsniveaus nemen juist toe. In de eerste klas verschillen leerlingen uit de verschillende schoolsoorten nog niet in hun steun voor uitspraken over overheid en democratie. In de vierde klas staan vwo-leerlingen daar vaker achter dan vmbo-leerlingen.
Bij oproepen tot geweld bestaan de verschillen al in de eerste klas. Vmbo-leerlingen vinden zulke oproepen vaker toegestaan dan leerlingen op havo en vwo. Dat verschil blijft in de vierde klas bestaan.
Een vergelijkbaar patroon ontstaat bij de uitspraak dat alleen hoogopgeleiden zouden mogen stemmen. In de eerste klas zijn er nauwelijks verschillen tussen de onderwijsniveaus. In de vierde klas vinden havo- en vwo-leerlingen vaker dan vmbo-leerlingen dat zo’n uitspraak in een televisieprogramma gedaan moet mogen worden. Vooral het verschil tussen vmbo en vwo is gedurende de onderzochte periode groter geworden.
Vooral gesprekken met docenten hangen samen met verandering
Gesprekken met ouders en vrienden over politiek en maatschappelijke onderwerpen hangen nauwelijks samen met veranderingen in de opvattingen van leerlingen. Ook gesprekken met docenten hebben bij de meeste soorten vrije meningsuiting geen aantoonbaar effect.
De uitzondering betreft oproepen tot geweld. Leerlingen die gedurende hun schooltijd vaker met docenten over politiek gaan praten, wijzen zulke oproepen sterker af. Volgens de onderzoekers kan dit erop wijzen dat leraren zich in politieke gesprekken vooral richten op de uiterste grenzen van wat binnen de vrijheid van meningsuiting aanvaardbaar is.
De studie maakt niet duidelijk wat leerlingen en docenten precies bespreken of hoe leerlingen deze gesprekken ervaren. De onderzoekers doen daarom geen concrete beleidsaanbevelingen. Daarvoor is volgens hen meer onderzoek nodig naar de inhoud van gesprekken in de klas, verschillende vormen van burgerschapsonderwijs en de ontwikkeling van leerlingen in andere landen en onderwijsstelsels.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor docenten laat het onderzoek zien dat vaker praten over politiek samenhangt met een sterkere afwijzing van oproepen tot geweld. Die samenhang is niet gevonden voor andere vormen van vrije meningsuiting. Uit het onderzoek kan daarom niet worden afgeleid dat politieke gesprekken alle opvattingen van leerlingen veranderen.
Voor het burgerschapsonderwijs is relevant dat leerlingen tussen de eerste en de vierde klas steeds scherper onderscheid maken tussen politieke kritiek, uitingen over andere burgers en oproepen tot geweld. Het onderzoek laat niet zien welke lesvormen of gesprekstechnieken deze ontwikkeling veroorzaken.
Voor scholen maken de resultaten zichtbaar dat verschillen tussen onderwijsniveaus gedurende de adolescentie kunnen groeien. Vooral bij uitspraken over de overheid, het stemrecht en geweld lopen de opvattingen van vmbo-, havo- en vwo-leerlingen uiteen. De studie biedt geen basis voor concrete maatregelen en wijst op de noodzaak van verder onderzoek naar gesprekken in de klas.
Bron: Van Slageren, J. & Van der Meer, T. (2026). What you should (not) be allowed to say: how conditional free speech attitudes develop and are socialized during adolescence in the Netherlands, Acta Politica. DOI: https://doi.org/10.1057/s41269-026-00431-y