Voortgezet onderwijs

Nederlandse Inspectie ziet beperkte, maar groeiende rol bij evidence-informed werken op scholen

Dat onderwijsinspecties scholen actief kunnen helpen bij het gebruik van wetenschappelijk onderzoek, daarover bestond tijdens een OESO-webinar weinig twijfel. Maar in Nederland is die rol van de Inspectie beperkt, legde Matthijs van den Berg van de Onderwijsinspectie uit. En dat hangt direct samen met de grondwettelijke vrijheid van onderwijs.

De Nederlandse Onderwijsinspectie heeft een beperkte rol als het gaat om het aanjagen van gebruik van wetenschappelijk onderzoek op scholen. Juist daarom is het opvallend dat binnen Nederland nu wordt nagedacht over wetgeving die scholen zou verplichten om meer evidence-informed te werken. Dat zei directeur onderzoek Matthijs van den Berg tijdens een OESO-webinar over de vraag hoe onderwijsinspecties scholen kunnen helpen bij het gebruik van wetenschappelijk onderzoek.

Inspecteurs komen elke dag op scholen en in klaslokalen

Volgens Van den Berg is de Nederlandse situatie wezenlijk anders dan die bijvoorbeeld in landen als Nieuw-Zeeland en Schotland. Voor Nieuw-Zeeland zei Inspecteur Ruth Shinoda dat de Inspectie daar veel actiever optreedt als schakel tussen onderzoek en schoolpraktijk. Volgens haar zijn inspecteurs “de enigen die echt elke dag in scholen en klaslokalen komen, in het hele land”. Juist daardoor zijn zij volgens haar het best in staat om te zien hoe scholen onderzoek gebruiken, scholen te helpen het juiste onderzoek te vinden en “oplossingen aan te reiken in plaats van alleen problemen te signaleren”.

Voor Schotland beschreef Graeme Logan een model dat werkt met één gezamenlijk kader voor Inspectie en verbetering, How Good Is Our School? Daarin staat zelfevaluatie centraal. Scholen worden aangemoedigd om een breed scala aan adviezen, data en onderzoek te gebruiken om hun eigen praktijk te beoordelen en verbeteringen te onderbouwen. Logan benadrukte wel dat de Inspectie niet voorschrijft welk onderzoek scholen precies moeten gebruiken. Het gaat er volgens hem om dat scholen de onderbouwing van hun keuzes kunnen uitleggen: is die goed geïnformeerd door bewijs, data en onderzoek?

Een katalysator voor verbetering

De Inspectie is in Schotland volgens hem daarom vooral “een katalysator voor verbetering” en niet in de eerste plaats een afvinkmechanisme voor naleving. Tegelijk zei hij dat de nieuwe, zelfstandige Schotse Inspectie expliciet wil investeren in een sterke onderzoeks-, analyse- en synthese-functie, zodat zij betere inzichten uit Inspectiedata kan halen en daarmee de kloof tussen onderzoek, beleid en praktijk kan helpen dichten.

In Nederland ligt dat allemaal net even anders legde Matthijs van den Berg, de directuer Kennis bij de OnderwijsInspectie. Die opereert namelijk binnen een strikt afgebakend mandaat, dat direct samenhangt met de vrijheid van onderwijs. “We hebben in ons land constitutionele vrijheid van onderwijs,” zei hij.

Vrijheid van onderwijs beperkt rol van Onderwijsinspectie

Dat betekent volgens hem dat in beginsel iedereen een school kan beginnen “op basis van welk concept of welke filosofie dan ook”, zolang die school voldoet aan een aantal basale wettelijke eisen. En juist daar zit de beperking: “Die vereisten bevatten niets als evidence use of evidence-informed working.”

Daarom heeft de OnderwijsInspectie, aldus Van den Berg, “een nogal beperkt mandaat”, gericht op het handhaven van die basale wettelijke eisen. “We hebben geen formeel mandaat om op schoolniveau evidence-informed werken af te dwingen.” Daarmee plaatste hij meteen een duidelijke grens rond wat de OnderwijsInspectie in Nederland wel en niet kan doen. Waar Inspecties in andere landen soms expliciet sturen op het gebruik van onderzoek, ligt dat in Nederland gevoeliger.

Het blijft bij een indirecte rol

Toch betekent dat niet dat de Inspectie helemaal afzijdig blijft. Van den Berg maakte tijdens het webinar duidelijk dat de Inspectie wel degelijk probeert om op systeemniveau invloed uit te oefenen. Zo publiceert de Inspectie jaarlijks De Staat van het Onderwijs, een rapport dat volgens hem mede bedoeld is om scholen aan te moedigen bewuster met kennis en onderzoek om te gaan. “Op systeemniveau doen we dat wel,” zei hij. “We proberen evidence-informed onderwijs te stimuleren en we proberen het gebruik van onderzoek te bevorderen in de keuzes die scholen maken, maar dat is een indirecte rol en geen directe rol.”

Die indirecte positie liep als een rode draad door zijn bijdrage. Op meerdere momenten benadrukte Van den Berg dat de Nederlandse Inspectie niet zelf de instantie is die onderzoek beoordeelt, samenvat en vertaalt naar toepasbare kennis voor scholen. Daarvoor bestaat in Nederland een aparte nationale kennisinstelling NKO. “Wij doen dat zelf niet, gezien ons beperkte mandaat,” zei hij, toen hem werd gevraagd hoe in Nederland wordt bepaald welk onderzoek bruikbaar en betrouwbaar is.

Samenvatten en kennis vertalen

NKO heeft volgens hem juist als taak om bewijs “samen te vatten en ook de vertaling te maken van onderzoek naar kennis die op schoolniveau in de praktijk gebruikt kan worden.”

Tegelijkertijd liet Van den Berg er weinig twijfel over bestaan dat de Inspectie wel degelijk uit haar eigen gegevens bredere lessen trekt. Tijdens het webinar kwam de vraag op of goed presterende scholen ook vaker onderzoek gebruiken. De Nederlandse Inspectie meet dat gebruik op schoolniveau niet rechtstreeks, zei hij, maar ziet in de eigen data wel patronen die in die richting wijzen. “Wat we in onze data zien, is dat scholen die high performing genoemd kunnen worden, bijvoorbeeld omdat zij goede resultaten hebben of een hoog niveau van basisvaardigheden bij leerlingen, óók hoog scoren op hun kwaliteitscultuur.”

Een relatie tussen kwaliteit en onderzoek

Hij werkte dat verder uit met een concreet voorbeeld uit het toezicht. Zulke scholen beschikken volgens hem vaak over een goed uitgewerkte plan-do-check-act-cyclus. “Als je dat beschouwt als een soort zwakke proxy van evidence-informed werken, van plannen, doen, checken, handelen, dan zien we in onze data inderdaad een relatie tussen iets als evidence use aan de ene kant en high performance aan de andere kant.”

Juist op dat punt lijkt het Nederlandse debat in beweging. “In Nederland wordt gesproken over nieuwe wetgeving waarin scholen verplicht worden om evidence-informed te werken,” zei hij. “Dat is een open norm. Hoe vul je dat precies in? Wat betekent dat?” Voor de Inspectie wordt het volgens hem dan “nogal moeilijk” om daarop te controleren.

Zijn antwoord was veelzeggend: niet extra papier eisen, niet scholen dwingen stapels wetenschappelijke artikelen te lezen, maar het gesprek aangaan over de onderbouwing van keuzes. “Ik denk dat wij zullen proberen dat te doen door met scholen te praten over hoe zij hun beslissingen nemen,” zei Van den Berg. “Kunnen zij de rationale achter hun keuzes uitleggen?” Juist dat gesprek lijkt hem “een goed type gesprek” om evidence-informed werken in de Nederlandse context vorm te geven.

Scholen niet dwingen om papers te lezen

Daarmee koos hij nadrukkelijk niet voor een technocratische benadering waarin scholen moeten bewijzen welke studies zij hebben gelezen. Ook toen het webinar ging over de vraag hoe onderzoeksgebruik kan worden bevorderd zonder de werkdruk van leraren verder op te voeren, sloot Van den Berg zich aan bij de andere panelleden in hun waarschuwing tegen extra lasten.

Volgens hem is de kern juist dat scholen niet zelf alle losse artikelen en reviews hoeven te wegen. “De
redelijkere manier is niet om scholen te vragen of te dwingen al die individuele papers te lezen”, zei hij, maar om hen daarbij te helpen via “knowledge translation” en “knowledge brokering”, zodat het voor scholen hanteerbaar wordt gemaakt.

Ontdek meer onderwerpen