Primair onderwijs

Na het schooladvies volgt een tweede selectie: hogere milieus kiezen vaker voor gymnasia

Leerlingen uit hogere sociale milieus kiezen minder vaak voor scholen die uitsluitend vmbo aanbieden. Zij kiezen vaker voor gymnasia en bij een vmbo-advies kiezen ze vaker voor brede brugklassen dan leeftijdgenoten uit lagere milieus.

Zo blijkt uit een grootschalige analyse van Nederlandse leerlingen die in 2020 en 2021 de overstap maakten van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs. Opvallend is bovendien dat kinderen van laagopgeleide ouders minder vaak naar een vmbo-school gaan wanneer hun ouders op de basisschool contact hebben met hoger opgeleide ouders en dat biedt persepectief voor het tegengaan van kansenongelijkheid, zegt onderzoeker Dieuwke Zwier van het European University Institute, San
Domenico di Fiesole in Italië.

Sommige scholen bieden uitsluitend vmbo aan, andere combineren meerdere niveaus,

In Nederland maken leerlingen rond hun twaalfde de overstap naar het voortgezet onderwijs. Zij krijgen een schooladvies van de basisschool en worden vervolgens geplaatst in een van de onderwijsniveaus, van vmbo tot vwo. Hoewel de toewijzing aan een niveau relatief sterk is gestandaardiseerd, verschillen middelbare scholen in hun aanbod. Sommige scholen bieden uitsluitend vmbo aan, andere combineren meerdere niveaus, en gymnasia richten zich uitsluitend op vwo.

Daarnaast verschillen scholen in hun organisatie van de brugklas. Sommige scholen plaatsen leerlingen direct in homogene klassen per niveau, andere werken met heterogene brugklassen waarin twee of drie niveaus gecombineerd worden.

Andere keuzes bij gelijke prestaties en hetzelfde schooladvies

De centrale vraag van het onderzoek was of gezinnen met een verschillende sociaaleconomische achtergrond, bij gelijke prestaties en hetzelfde schooladvies, systematisch verschillende scholen kiezen. In de literatuur wordt dit aangeduid als secundaire effecten: verschillen in keuzes die optreden nadat rekening is gehouden met prestaties.

Daarnaast onderzocht de studie of sociale netwerken op de basisschool een rol spelen bij die keuzes. Leerlingen en ouders kunnen via klasgenoten en andere ouders informatie krijgen over scholen en mogelijke doorstroomkansen. Zulke netwerken kunnen bestaande ongelijkheden versterken, maar mogelijk ook compenseren.

Nederlands Cohortonderzoek Onderwijs,

De studie maakt gebruik van gekoppelde gegevens uit drie bronnen. Allereerst zijn registerdata gebruikt uit het Nederlands Cohortonderzoek Onderwijs, met informatie over alle leerlingen die in 2020 en 2021 instroomden in het voortgezet onderwijs. Het gaat om ruim 328.000 leerlingen. Daarin zijn onder meer het schooladvies, de gekozen middelbare school en kenmerken van het gezin opgenomen.

Daarnaast zijn netwerkgegevens gebruikt uit het PRIMS-project, waarin leerlingen in groep 8 klasgenoten nomineerden als vrienden of studiegenoten en aangaven met welke ouders hun eigen ouders contact hadden. Deze gegevens waren beschikbaar voor een deelsteekproef van ruim 2.400 leerlingen, waarvan voor ongeveer 1.300 leerlingen de netwerkinformatie voldoende compleet was voor nadere analyses.

Ten slotte is aanvullende informatie over scholen verzameld via schoolgidsen en websites, om vast te stellen welke niveaus een school aanbiedt en of zij werkt met homogene of heterogene brugklassen.

Sociaaleconomische status is gemeten aan de hand van het hoogste opleidingsniveau van de ouders, ingedeeld in drie categorieën: maximaal mbo, hbo-bachelor en wo-master of hoger. In de analyses is steeds gecontroleerd voor het schooladvies, geslacht, migratieachtergrond, leeftijd en afstand tot verschillende schooltypen.

Verschillen in schoolkeuze bij gelijk advies

De resultaten laten zien dat schoolkeuze sterk samenhangt met sociale herkomst, ook wanneer leerlingen hetzelfde schooladvies hebben gekregen.

Leerlingen met een vmbo-advies uit gezinnen met laagopgeleide ouders hebben een 6,1 procentpunt grotere kans om naar een school te gaan die uitsluitend of voornamelijk vmbo aanbiedt dan leerlingen met hoogopgeleide ouders. Leerlingen met hoogopgeleide ouders kiezen bij hetzelfde advies vaker voor een bredere scholengemeenschap waar ook havo of vwo wordt aangeboden.

Aan de bovenkant van het spectrum blijkt dat leerlingen met een vwo-advies uit hoogopgeleide gezinnen 7 procentpunt vaker naar een school gaan die zich specialiseert in vwo dan leerlingen met laagopgeleide ouders. Gymnasia en andere vwo-scholen trekken daarmee relatief vaker leerlingen uit hogere sociale milieus, ook wanneer het formele advies gelijk is.

Deze verschillen blijven bestaan wanneer in aanvullende analyses ook rekening wordt gehouden met beschikbare eindtoetsscores op de basisschool. Dat wijst erop dat het niet gaat om subtiele prestatieverschillen binnen hetzelfde advies, maar om verschillen in keuzes bij vergelijkbare uitgangsposities.

Homogene of heterogene brugklassen

Ook bij de keuze tussen homogene en heterogene brugklassen zijn sociale verschillen zichtbaar, zij het niet op alle niveaus in gelijke mate.

Bij leerlingen met een advies net onder de grens van bijvoorbeeld vmbo theoretische leerweg of een gemengd advies richting havo, kiezen hoogopgeleide ouders vaker voor scholen met heterogene brugklassen. In die klassen worden meerdere niveaus gecombineerd, waardoor doorstroom naar een hoger niveau tijdens de onderbouw mogelijk blijft zonder van school te wisselen.

In de landelijke gegevens zijn leerlingen uit hogere sociale milieus met zo’n tussenniveau-advies 4,3 procentpunt minder vaak te vinden op scholen die uitsluitend met homogene klassen werken. Dat patroon is minder sterk of afwezig bij de hoogste en laagste adviezen.

Specifiek bij middenadviezen, zoals vmbo theoretisch of havo, stellen zij dat heterogene brugklassen een institutionele mogelijkheid bieden om later alsnog naar een hoger niveau door te stromen zonder van school te hoeven wisselen. Dat maakt zulke scholen aantrekkelijk voor ouders die de optie tot opwaartse herplaatsing open willen houden. De interpretatie is dus dat hogeropgeleide ouders hier strategisch gebruikmaken van de organisatorische ruimte binnen het systeem.

De rol van sociale netwerken

Voor de meeste netwerkindicatoren wordt geen statistisch significante relatie gevonden met het type middelbare school dat leerlingen kiezen. Leerlingen die op de basisschool relatief veel klasgenoten hadden van wie ten minste één ouder hoogopgeleid is, maken gemiddeld niet systematisch ambitieuzere schoolkeuzes.

Een uitzondering vormt het netwerk van oudercontacten. Bij leerlingen met een vmbo-advies blijkt dat de kans op inschrijving op een gespecialiseerde vmbo-school lager is wanneer hun ouders relatief veel contact hebben met hoger opgeleide ouders. Per standaarddeviatie toename in het aandeel hoogopgeleide ouders in het oudernetwerk daalt de kans op een vmbo-school met 4,7 procentpunt.

Dit effect doet zich vooral voor bij leerlingen uit lagere sociale milieus. Voor hen is de kans om naar een vmbo-school te gaan 8,4 procentpunt lager wanneer hun ouders verhoudingsgewijs veel contact hebben met hoogopgeleide ouders. Bij leerlingen uit hoogopgeleide gezinnen wordt dit effect niet gevonden.

De onderzoekers concluderen dat oudernetwerken in sommige gevallen een compenserende rol kunnen spelen, doordat zij gezinnen met minder eigen onderwijskennis toegang bieden tot informatie en perspectieven die anders minder voorhanden zijn.

Aanvullende laag van sociale stratificatie

De studie laat zien dat schoolkeuze in Nederland een aanvullende laag van sociale stratificatie vormt, bovenop het bestaande systeem van vroege selectie. Leerlingen met hetzelfde advies komen, afhankelijk van hun sociale achtergrond, terecht op verschillende typen scholen. Dat geldt zowel voor het aanbod van onderwijsniveaus als voor de organisatie van de brugklas.

Hoewel sociale netwerken op de basisschool in het algemeen geen sterke samenhang vertonen met schoolkeuze, kunnen oudercontacten met hoger opgeleide ouders bij leerlingen uit lagere sociale milieus wel samenhangen met minder vaak kiezen voor een gespecialiseerde vmbo-school.

Het onderzoek is gebaseerd op gekoppelde register- en netwerkdata voor recente cohorten en maakt gebruik van modellen met vaste effecten per basisschool, waardoor verschillen tussen basisscholen in belangrijke mate zijn ondervangen. De analyses naar netwerkeffecten blijven beschrijvend van aard.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor schoolbesturen en beleidsmakers laat dit onderzoek zien dat ongelijkheid niet alleen ontstaat via het schooladvies, maar ook via de daaropvolgende schoolkeuze. Zelfs bij gelijke adviezen komen leerlingen uit verschillende sociale milieus op andere typen scholen terecht, met mogelijk uiteenlopende doorstroomkansen.

Voor basisscholen maakt de studie duidelijk dat oudernetwerken een rol kunnen spelen bij keuzes rond het voortgezet onderwijs. Contact tussen ouders uit verschillende opleidingsgroepen hangt samen met minder vaak kiezen voor gespecialiseerde vmbo-scholen bij leerlingen met een vmbo-advies.

Voor gemeenten en regio’s onderstrepen de bevindingen dat het aanbieden van brede scholengemeenschappen of heterogene brugklassen op zichzelf niet voldoende is om sociale segregatie tegen te gaan, zolang gezinnen met verschillende achtergronden binnen dat aanbod systematisch andere keuzes blijven maken.

Bron: Zwier, D. (2026). One track mind: secondary effects in school choice and social capital in a stratified system, European Societies, 28(1), 36–73. DOI: https://doi.org/10.1162/euso_a_00033