Vos en Marinova onderzochten sekseverschillen in rekenprestaties, werkgeheugen en angst bij leerlingen aan het einde van het basisonderwijs. De aanleiding voor het onderzoek is de onevenwichtige vertegenwoordiging van vrouwen in bèta-opleidingen en technische beroepen. Eerder onderzoek liet wisselende uitkomsten zien over de vraag wanneer verschillen tussen jongens en meisjes in rekenen precies ontstaan, en welke factoren daarbij een rol spelen.
Een belangrijk moment om die vraag te onderzoeken
Het einde van de basisschool is volgens de onderzoekers een belangrijk moment om die vraag te onderzoeken. In Nederland krijgen kinderen aan het einde van de basisschool een schooladvies dat hun verdere onderwijsloopbaan sterk beïnvloedt. Dat advies is mede gebaseerd op toetsprestaties, waaronder scores op rekenen en wiskunde.
Aan het onderzoek deden 158 leerlingen uit groep 7 mee. De leerlingen waren tussen de tien en twaalf jaar oud en kwamen van verschillende Nederlandse basisscholen. De groep bestond voor 49 procent uit jongens en voor 51 procent uit meisjes. De onderzoekers maten verbaal en visueel werkgeheugen met twee computertaken. In het Apen Spel moesten leerlingen woorden achterwaarts onthouden en herhalen. In het Leeuwenspel moesten zij locaties in een raster onthouden.
Hoe zenuwachtig leerlingen worden van rekensommen en rekensituaties
Rekenangst werd gemeten met een Nederlandse bewerking van een bestaande vragenlijst voor kinderen. Daarin werd gevraagd hoe zenuwachtig leerlingen worden van rekensommen en rekensituaties op school, bijvoorbeeld bij een toets of wanneer zij een som op het bord moeten uitleggen. Ruimtelijke angst werd met een vergelijkbare vragenlijst gemeten. Daarbij ging het om spanning bij ruimtelijke taken, zoals richtingen aangeven, kaartlezen, meten, vormen herkennen of een doolhof oplossen.
Voor de rekenprestaties gebruikten Vos en Marinova twee maten. De eerste was de Tempo Test Rekenen, waarin leerlingen onder tijdsdruk optel-, aftrek-, vermenigvuldig- en deelsommen maken. De tweede was de meest recente Cito-score voor rekenen-wiskunde. Die Cito-score omvat niet alleen basale rekenvaardigheid, maar ook bredere wiskundige domeinen zoals meten, schatten, tijd, geld, verhoudingen, breuken en procenten.
Geen significante verschillen in verbaal of visueel werkgeheugen
Jongens en meisjes verschilden niet significant van elkaar in rekenprestaties. Dat gold zowel voor de Tempo Test Rekenen als voor de Cito-score. Ook vonden de onderzoekers geen significante verschillen in verbaal of visueel werkgeheugen. Meisjes en jongens beschikten in deze steekproef dus over vergelijkbare rekenvaardigheden en vergelijkbare werkgeheugencapaciteit.
Wel rapporteerden meisjes significant meer rekenangst en ruimtelijke angst dan jongens. De verschillen waren volgens de onderzoekers middelgroot. Dat betekent dat er op het niveau van prestaties geen duidelijke kloof zichtbaar was, maar op het niveau van beleving en spanning wel.
Rekenangst kan juist bij de Cito-score een rol spelen
Voor de hele groep bleek visueel werkgeheugen de meest consistente voorspeller van rekenprestaties. Bij de Tempo Test Rekenen was visueel werkgeheugen de enige unieke voorspeller. Bij de Cito-score waren zowel visueel werkgeheugen als rekenangst unieke voorspellers. De onderzoekers opperen dat rekenangst juist bij de Cito-score een rol kan spelen doordat die toets voor leerlingen meer gewicht heeft. Cito-scores tellen immers mee in de beoordeling van hun ontwikkeling en kunnen van belang zijn voor het schooladvies.
Bij uitsplitsing naar sekse kwamen verschillen naar voren in de samenhang tussen werkgeheugen en prestaties. Bij meisjes voorspelden zowel visueel als verbaal werkgeheugen de Cito-score. Bij jongens was geen van beide werkgeheugencomponenten een betrouwbare voorspeller van de Cito-score. De onderzoekers noemen als mogelijke verklaring dat jongens en meisjes verschillende strategieën gebruiken bij het oplossen van sommen. Meisjes zouden mogelijk vaker informatie actief vasthouden en bewerken, terwijl jongens vaker direct feiten uit het geheugen ophalen. Die verklaring blijft in het artikel nadrukkelijk voorzichtig geformuleerd.
De relatie tussen rekenangst en ruimtelijke angst
De opvallendste uitkomst betreft de relatie tussen rekenangst en ruimtelijke angst. De onderzoekers voerden mediatie-analyses uit om te onderzoeken hoe sekse, rekenangst en ruimtelijke angst met elkaar samenhangen. Daarbij corrigeerden zij voor rekenprestaties. Uit die analyses bleek dat het verband tussen sekse en rekenangst volledig werd gemedieerd door ruimtelijke angst. Anders gezegd: wanneer ruimtelijke angst in het model werd meegenomen, verdween het directe verband tussen sekse en rekenangst.
Een omgekeerde analyse liet een ander patroon zien. Rekenangst medieerde de relatie tussen sekse en ruimtelijke angst slechts gedeeltelijk. Ook wanneer rekening werd gehouden met rekenangst, bleef er nog een zelfstandig verband bestaan tussen sekse en ruimtelijke angst. Volgens de onderzoekers wijst dat erop dat verschillen in rekenangst bij meisjes mogelijk verankerd zijn in ruimtelijke angst.
Zulke gevoelens kunnen later meespelen in keuzes voor vakken, opleidingen en loopbanen
Vos en Marinova concluderen dat sekseverschillen in affectieve factoren al zichtbaar zijn op de basisschool. Meisjes en jongens presteren in dit onderzoek niet verschillend bij rekenen en wiskunde, en verschillen ook niet in werkgeheugen. Toch ervaren meisjes al meer spanning bij rekenkundige en ruimtelijke taken. Dat is volgens de onderzoekers relevant omdat zulke gevoelens later kunnen meespelen in keuzes voor vakken, opleidingen en loopbanen.
Tegelijk wijzen de onderzoekers op een belangrijke beperking van hun studie. Het onderzoek is cross-sectioneel: de leerlingen zijn op één moment onderzocht. Daardoor kunnen geen uitspraken worden gedaan over oorzaak en gevolg. Het onderzoek laat dus niet zien dat ruimtelijke angst rekenangst veroorzaakt, of dat angst leidt tot lagere prestaties. Longitudinaal vervolgonderzoek is nodig om te achterhalen hoe rekenangst, ruimtelijke angst, werkgeheugen en prestaties zich door de tijd heen tot elkaar verhouden.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor basisscholen laat dit onderzoek zien dat gelijke prestaties niet betekenen dat leerlingen rekenen en wiskunde ook hetzelfde ervaren. Meisjes in groep 7 presteren in deze studie even goed als jongens, maar rapporteren wel meer spanning bij rekenkundige en ruimtelijke taken.
Voor leraren is vooral de rol van ruimtelijke angst relevant. Spanning bij taken als kaartlezen, meten, werken met vormen of richtingen inschatten hangt sterk samen met rekenangst. Aandacht voor zulke ruimtelijke taken kan daarom van belang zijn bij het signaleren en bespreken van rekenangst.
Voor vervolgonderzoek en onderwijsontwikkeling onderstrepen de resultaten dat angst rond rekenen en ruimte al in het basisonderwijs aanwezig kan zijn, zonder dat er al prestatieverschillen zichtbaar zijn. Omdat het onderzoek geen oorzaak en gevolg kan aantonen, is langduriger onderzoek nodig om te bepalen hoe deze vormen van angst zich ontwikkelen en hoe scholen daar het beste op kunnen reageren.
Bron: Vos, H. & Marinova, M. (2026). Equal performance, but different levels of anxiety: An examination of sex differences in anxiety, working memory and mathematical performance in fifth grade of primary school, Cognitive Development. DOI: https://doi.org/10.1016/j.cogdev.2026.101724