Voortgezet onderwijs

Leerlingen die succes aan geluk toeschrijven zijn minder betrokken in de klas

Waarom zet de ene leerling zich actief in tijdens de les, terwijl een andere leerling na een goed cijfer juist achteroverleunt? Volgens Ann-Kathrin Krause, Lisette Hornstra en Astrid Poorthuis van de Universiteit Utrecht ligt een deel van het antwoord in de manier waarop leerlingen hun schoolprestaties verklaren. Leerlingen die hun goede cijfers vooral aan geluk toeschrijven, zijn minder betrokken bij de les dan leerlingen die succes zien als het resultaat van hun eigen inspanning. Dat blijkt uit dagboekonderzoek onder 623 Nederlandse brugklasleerlingen.

De studie richt zich op een vraag die voor scholen direct relevant is. De overgang naar het voortgezet onderwijs is een periode waarin de betrokkenheid van leerlingen vaak afneemt en cijfers een steeds grotere rol gaan spelen. Tegelijk proberen scholen juist in deze fase leerlingen actief, gemotiveerd en betrokken te houden. Volgens de onderzoekers kan het daarom belangrijk zijn te begrijpen hoe leerlingen hun successen en mislukkingen interpreteren en welke gevolgen die interpretaties hebben voor hun gedrag in de klas.

Moeite doen voor schoolwerk en doorzetten wanneer iets moeilijk is

Onder betrokkenheid verstaan de onderzoekers de mate waarin leerlingen actief deelnemen aan het leerproces: opletten tijdens de les, moeite doen voor schoolwerk en doorzetten wanneer iets moeilijk is. Eerder onderzoek liet zien dat verklaringen voor schoolprestaties hiermee samenhangen, maar beschouwde die verklaringen meestal als relatief stabiele eigenschappen van leerlingen. De Utrechtse onderzoekers wilden juist weten in hoeverre zulke verklaringen van dag tot dag veranderen en of die dagelijkse verschillen ook samenhangen met betrokkenheid.  

Daarvoor volgden zij gedurende twee schoolweken 623 leerlingen uit 49 klassen van zes Nederlandse middelbare scholen. Elke avond vulden de leerlingen een dagboekvragenlijst in. Zij rapporteerden hoe betrokken zij die dag waren geweest op school en gaven aan of zij een cijfer hadden ontvangen. Wanneer dat het geval was, beoordeelden zij eerst of zij tevreden waren met dat cijfer. Vervolgens gaven zij aan in welke mate vijf mogelijke oorzaken volgens hen hadden bijgedragen aan het resultaat: eigen kunnen, inzet, leerstrategieën, geluk en de moeilijkheid van de toets. In totaal leverde dat 4.017 dagboekwaarnemingen op.  

Geluk een stabielere verklaring

De analyses laten zien dat leerlingen niet steeds dezelfde verklaringen gebruiken. Tussen twaalf en 34 procent van de verschillen in attributies bleek samen te hangen met stabiele verschillen tussen leerlingen, terwijl het grootste deel bestond uit dagelijkse schommelingen. Sommige verklaringen veranderden sterker van dag tot dag dan andere. Zo varieerden verklaringen op basis van eigen kunnen en toetsmoeilijkheid relatief sterk, terwijl geluk een stabielere verklaring vormde.  

Toch bleken die dagelijkse schommelingen verrassend weinig invloed te hebben op het gedrag van leerlingen in de klas. Wanneer leerlingen op een bepaalde dag hun cijfer anders verklaarden dan gewoonlijk, veranderde hun betrokkenheid meestal nauwelijks. Bij mislukkingen verklaarden attributies slechts vier procent van de dagelijkse verschillen in betrokkenheid; bij successen was dat twee procent.  

Veel belangrijker waren de structurele verschillen tussen leerlingen. Leerlingen die hun successen vaker dan hun klasgenoten toeschreven aan eigen inzet, rapporteerden gemiddeld een hogere betrokkenheid in de klas. Leerlingen die hun successen juist vaker aan geluk toeschreven, waren minder betrokken. Deze verklaringen voor succes verklaarden ongeveer dertig procent van de verschillen in betrokkenheid tussen leerlingen.  

Wanneer succes als toeval wordt gezien

Geluk bleek bovendien de enige verklaring die ook op het dagelijkse niveau samenhing met betrokkenheid. Op dagen waarop leerlingen een goed cijfer vaker dan gebruikelijk aan geluk toeschreven, waren zij minder actief betrokken bij de les. Volgens de onderzoekers kan dat komen doordat geluk een oorzaak is waar leerlingen zelf geen controle over hebben. Wanneer succes als toeval wordt gezien, kan de indruk ontstaan dat opletten of inspannin leveren weinig verschil maakt.  

Bij tegenvallende resultaten vonden de onderzoekers enkele verbanden die afweken van de verwachtingen uit de attributietheorie. Leerlingen die hun slechte resultaten vaker aan een gebrek aan inzet toeschreven, waren gemiddeld juist minder betrokken. De onderzoekers vermoeden dat de richting van het verband hier mogelijk omgekeerd is: leerlingen die minder betrokken zijn, leveren feitelijk ook minder inspanning en schrijven hun tegenvallende cijfers daarom aan dat gebrek aan inzet toe.  

Een tegenvaller motiveert leerlingen

Ook bleek dat leerlingen die een mislukking vaker aan een moeilijke toets toeschreven, juist meer betrokken waren in de klas. Mogelijk zien zij daardoor nog steeds kansen op succes bij een volgende toets, omdat de oorzaak buiten henzelf ligt en niet permanent is. Een andere mogelijkheid is dat zo’n tegenvaller leerlingen motiveert om zich daarna extra in te zetten om hun gemiddelde op peil te houden.

Voor verklaringen op basis van eigen kunnen en leerstrategieën vonden de onderzoekers geen significante verbanden met betrokkenheid. Dat gold zowel voor succes- als voor faalsituaties.  

Geen uitspraken over oorzaak en gevolg

De onderzoekers benadrukken dat het onderzoek geen uitspraken toelaat over oorzaak en gevolg. Het gaat om samenhangen, niet om bewezen causale effecten. Ook wijzen zij erop dat de resultaten mogelijk samenhangen met de specifieke fase waarin de onderzochte leerlingen zich bevinden: de eerste periode na de overgang van de basisschool naar het voortgezet onderwijs. Daarnaast werd betrokkenheid gemeten voor de gehele schooldag en niet per vak afzonderlijk.  

De auteurs concluderen dat het voor docenten waardevol kan zijn om aandacht te hebben voor de manier waarop leerlingen hun cijfers interpreteren. Vooral tijdens de overgang naar het voortgezet onderwijs lijken die interpretaties nog relatief veranderlijk. Volgens de onderzoekers bieden de resultaten ook aanknopingspunten voor zogeheten attributionele hertraining, waarbij leerlingen leren hun prestaties anders te verklaren. Dergelijke programma’s richten zich meestal op het herinterpreteren van mislukkingen. De huidige studie suggereert dat ook verklaringen voor succes aandacht verdienen, met name wanneer leerlingen goede resultaten vooral aan geluk toeschrijven.  

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor leraren in de onderbouw van het voortgezet onderwijs laat dit onderzoek zien dat niet alleen cijfers belangrijk zijn, maar ook de manier waarop leerlingen die cijfers interpreteren. Leerlingen die hun successen vooral aan geluk toeschrijven, blijken gemiddeld minder betrokken bij de les.

Voor mentoren en leerlingbegeleiders zijn de resultaten relevant omdat de overgang naar het voortgezet onderwijs een periode lijkt waarin verklaringen voor succes en falen nog relatief veranderlijk zijn. Gesprekken over hoe leerlingen hun prestaties verklaren kunnen helpen om inzicht te krijgen in hun motivatie en betrokkenheid.

Voor scholen die werken aan motivatie en betrokkenheid bieden de bevindingen aanknopingspunten voor attributionele interventies. Volgens de onderzoekers richten bestaande programma’s zich vooral op het herinterpreteren van mislukkingen, terwijl ook verklaringen voor succes relevant kunnen zijn, met name wanneer leerlingen goede resultaten vooral als een kwestie van geluk zien.

Bron: Krause, A.-K., Hornstra, L. & Poorthuis, A.M.G. (2026). Causal Attributions and Engagement in Class: A Daily Diary Study of Success and Failure Experiences. Contemporary Educational Psychology (pre-proof). DOI: 10.1016/j.cedpsych.2026.102481.

Ontdek meer onderwerpen