Primair onderwijs

Kookles maakt kinderen enthousiast, maar verandert hun kookgedrag niet aantoonbaar

Een korte kookles met een chef-kok moet basisschoolkinderen enthousiast maken voor koken met gezonde en duurzame ingrediënten. Onderzoek van Wageningen University & Research laat zien dat kinderen de les positief waarderen en een week later nog ongeveer de helft van de ingrediënten en bereidingsstappen kennen. Een meetbare verbetering van hun kookvaardigheden, houding of kookgedrag werd echter niet gevonden.

Het onderzoek richtte zich op Kok in de Klas, een jaarlijks kookevenement voor leerlingen van negen tot twaalf jaar, georganiseerd door Team Smaaklessen binnen het landelijke programma Jong Leren Eten. Scholen kunnen zich vrijwillig aanmelden. Tijdens een les van anderhalf tot twee uur begeleidt een chef-kok of gastkok de leerlingen bij het bereiden van een gezond recept, met als doel kinderen enthousiast te maken voor gezonde voeding, hun kookvaardigheden te vergroten en hen aan te moedigen thuis te koken.

Kinderen eten te weinig groente en fruit

Veel kinderen in Nederland voldoen niet aan de voedingsrichtlijnen: kinderen van vier tot elf jaar eten gemiddeld 107 gram groente en 151 gram fruit per dag, tegenover de aanbevolen 150 tot 200 gram groente en 200 gram fruit. Omdat eetgewoonten uit de jeugd vaak doorlopen tot in de volwassenheid, wordt het ontwikkelen van kookvaardigheden gezien als kansrijke strategie om gezond eetgedrag te bevorderen. Kookervaring kan kinderen bovendien vertrouwd maken met ingrediënten en hun waardering vergroten voor voedsel dat zij zelf hebben bereid.

Tegelijk krijgen kinderen thuis minder gelegenheid om te koken, door gemaksvoeding, tijdgebrek en veranderende gezinssituaties. Scholen kunnen daarom een plek zijn waar kinderen uit verschillende sociaaleconomische groepen met koken in aanraking komen. Eerdere schoolkookprogramma’s bestonden echter meestal uit meerdere onderdelen, waardoor het effect van één afzonderlijke kookles nog onduidelijk was.

Bonenburger met yoghurtsaus

In 2025 namen 146 klassen van 124 basisscholen deel, goed voor 3.480 kinderen. Het onderzoek vond plaats tijdens de editie van 16 tot en met 18 juni 2025. De les bestond uit twintig minuten introductie, zestig minuten koken, twintig minuten proeven en nabespreken, en vijftien minuten opruimen. Leerlingen maakten een vegetarische bonenburger van kidneybonen op volkorenbrood met een yoghurtsaus, bereid in vijf stappen: groenten snijden en raspen, de burgers vormen, bakken, de saus maken en garneren.

De onderzoekers gebruikten een quasi-experimentele opzet: scholen werden niet willekeurig toegewezen, deelnemende scholen hadden zich vrijwillig aangemeld. Kinderen vulden een vragenlijst in een week voor de les, één dag erna en een week erna. Na uitsluitingen bestond de onderzoeksgroep uit 144 kinderen in de interventiegroep en 70 in de controlegroep, gemiddeld 10,7 jaar oud. De verdeling naar geslacht en schoollocatie was in beide groepen vergelijkbaar; alleen de interventiegroep bevatte leerlingen uit groep 8.

De vragenlijst was gebaseerd op het COM-B-model, waarin gedrag wordt gezien als resultaat van bekwaamheid, gelegenheid en motivatie. Gemeten werd onder meer of kinderen dachten een recept te kunnen volgen, of hun verzorgers koken belangrijk vonden, of zij koken leuk vonden en vaker wilden koken, en hoe vaak zij daadwerkelijk hielpen met koken.

Geen statistisch aantoonbaar effect

Na correctie voor uitgangsscores vond het onderzoek geen significante verbetering in de interventiegroep ten opzichte van de controlegroep, op geen van de gemeten onderdelen. De effecten waren wel steeds in positieve richting, met effectgroottes tussen 0,05 en 0,24; de grootste, niet-significante verschillen betroffen houding tegenover koken en vertrouwen in de eigen kookvaardigheden. De onderzoekers wijzen op de relatief hoge beginscores, die weinig ruimte lieten voor verdere verbetering, en op mogelijke overschatting door kinderen van hun eigen kookvaardigheden. Gegevens over eerdere kookervaring ontbraken, waardoor niet kon worden nagegaan of kinderen met weinig kookervaring meer profiteerden.

Een mogelijke verklaring is de beperkte duur: Kok in de Klas duurt anderhalf tot twee uur, terwijl verbeteringen in eerder onderzoek vooral werden gevonden bij programma’s van meer dan zes uur. De onderzoekers stellen voor te onderzoeken of vaker of langer koken tot grotere effecten leidt, en wijzen op de mogelijkheid om schoolse kooklessen te verbinden met koken thuis, al is dat zonder steun van ouders lastig. Zes leraren die vragenlijsten invulden, stonden gemiddeld matig positief tegenover kookonderwijs, maar beoordeelden beschikbare tijd, ondersteuning en materialen als laag.

Van de negentien ingrediënten noemden kinderen er gemiddeld 10,1 correct één dag na de les en 9,7 een week later, meestal op algemeen niveau. Bonen, ui en wortel werden het vaakst genoemd, komijnpoeder, zwarte peper en bieslook het vaakst vergeten. Tussen schrijven en tekenen werden geen betekenisvolle verschillen gevonden. Van de vijf bereidingsstappen herinnerden kinderen er gemiddeld 2,3 tot 2,4; vroege stappen zoals snijden en raspen bleven het best hangen, latere stappen zoals de saus maken en garneren het minst.

Volgens de onderzoekers laat dit ook zien dat op geheugen gebaseerde metingen beperkingen kennen, al kunnen opschrijven en tekenen wel bruikbare methoden zijn om te onderzoeken wat kinderen van een kookles onthouden.

Kinderen geven de les een ruime voldoende

Kinderen beoordeelden de les gemiddeld met een 7,5 één dag erna en een 7,2 een week later, en noemden vooral de leuke ervaring en het zelf mogen koken. Het gerecht zelf viel bij veel kinderen minder goed in de smaak: 62 procent van de reacties over de maaltijd was negatief, tegenover 15 procent positief. Volgens de onderzoekers kan de keuze voor bonen, een voedselgroep die Nederlandse kinderen relatief weinig eten, daarbij een rol hebben gespeeld; bij korte programma’s zou gekozen kunnen worden voor bekendere ingrediënten, of kinderen zelf bij de receptkeuze te betrekken.

De onderzoekers noemen als beperkingen de niet-willekeurige toewijzing van scholen, de mogelijk te kleine onderzoeksgroep, de tweeledige vragen per gedragsfactor en het ontbreken van een meting op langere termijn. De bevindingen gelden bovendien voor één kookles met één recept. Zij concluderen dat de onderzochte eenmalige kookles geen aantoonbare verbetering opleverde in kookgerelateerde overtuigingen en gedrag, en dat intensievere programma’s, grotere onderzoeksgroepen en recepten die beter bij kinderen aansluiten mogelijk nodig zijn om effecten te bereiken of vast te stellen.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor basisscholen laat het onderzoek zien dat een eenmalige kookles kinderen een positieve ervaring kan bieden en hen kennis kan laten maken met koken op school. De onderzochte les leidde binnen een week echter niet tot een aantoonbare verandering in kookvaardigheden, houding of gedrag.

Voor ontwikkelaars van voedingsonderwijs wijzen de resultaten erop dat de duur en frequentie van kookactiviteiten van belang kunnen zijn. De onderzoekers noemen intensievere programma’s, aansluiting bij koken thuis en recepten die beter bij de belevingswereld van kinderen passen als mogelijkheden voor vervolgonderzoek.

Voor leraren en organisatoren is relevant dat kinderen de les gemiddeld ruim voldoende beoordeelden, maar dat leraren weinig tijd, mogelijkheden en ondersteuning ervoeren voor kookonderwijs. Ook bleek dat een gerecht met minder vertrouwde ingrediënten door veel kinderen niet werd gewaardeerd.

Bron: Van der Heijden, Z.S., Zeinstra, G.G., Peeters, S.C. & Camps, G. Impact of the Dutch school-based culinary class ‘Kok in de Klas’ on behavioral determinants of children’s cooking competences: a quasi-experimental study. Preprint, nog niet collegiaal getoetst.