Het onderzoek combineert surveygegevens met groepssessies waarin jongeren zelf meedachten over klimaatcommunicatie, motivatie en mogelijke acties. De onderzoekers wilden weten hoe klimaatzorgen bij jongeren samenhangen met welzijn, motivatie en gedrag. Aanleiding is dat zorgen over klimaatverandering een dubbele werking kunnen hebben.
Ze kunnen jongeren aanzetten tot actie, maar tegelijkertijd hun emotionele welzijn onder druk zetten. De onderzoekers keken daarom niet alleen naar de vraag óf jongeren zich zorgen maken, maar ook onder welke omstandigheden die zorgen worden omgezet in duurzaam gedrag.
Verspreid over scholen, buurtcentra en jongerenorganisaties
Het onderzoek bestond uit twee fasen. Eerst vulden jongeren tussen de 12 en 28 jaar vragenlijsten in via het Urban Rotterdam Project, een grootschalig onderzoek naar jeugdontwikkeling in de regio Rotterdam. In 2021 deden 1.152 jongeren mee, in 2023 nog eens 327. Daarna namen 114 jongeren tussen de 16 en 26 jaar deel aan elf interactieve groepssessies via het YoungXperts-platform, verspreid over scholen, buurtcentra en jongerenorganisaties in Nederland.
Vaak ondervertegenwoordigd zijn
De onderzoekers kozen bewust voor een diverse groep deelnemers, met extra aandacht voor jongeren uit het vmbo en jongeren met een bi- of multiculturele achtergrond, omdat deze groepen in klimaatonderzoek vaak ondervertegenwoordigd zijn.
Uit de enquêtes kwam naar voren dat klimaatzorgen samenhangen met meer milieuvriendelijk gedrag, maar alleen onder bepaalde voorwaarden. Jongeren die milieuvriendelijk gedrag al als persoonlijk belangrijk zien, vertonen relatief veel van dat gedrag, ongeacht hoeveel zorgen zij zich maken. Bij jongeren die handelen vanuit interesse en plezier, of juist vanuit interne druk zoals schuldgevoel, hangen klimaatzorgen wel sterker samen met actie. Externe druk, zoals regels of verwachtingen van anderen, had in het onderzoek geen duidelijk effect. Tegelijkertijd bleken klimaatzorgen bij alle jongeren samen te hangen met een lager emotioneel welzijn.
Niet alleen kennis en bewustwording, maar ook motivatie
Daarmee laten de onderzoekers zien dat zorgen over klimaatverandering niet vanzelf tot actie leiden. Het soort motivatie doet ertoe. Vooral wanneer jongeren ervaren dat klimaatactie aansluit bij hun eigen waarden, dat zij er zelf invloed op hebben en dat zij het samen met anderen kunnen doen, wordt actie waarschijnlijker. De onderzoekers schrijven daarom dat interventies niet alleen gericht moeten zijn op kennis en bewustwording, maar ook op motivatie. Jongeren moeten eigenaarschap kunnen ervaren, hun bijdrage moet zichtbaar worden gemaakt en er moeten mogelijkheden zijn om samen met leeftijdgenoten in actie te komen.
Juist daar komt de school nadrukkelijk in beeld. In de groepssessies bleek klimaatonderwijs een terugkerend thema. Jongeren praten veel vaker met vrienden en ouders over klimaat dan op school. Volgens de onderzoekers bespreekt 66,1 procent van de jongeren klimaat met vrienden en 63,9 procent met ouders, terwijl slechts 39,3 procent dat op school doet. School is daarmee nog geen vanzelfsprekende plek voor gesprekken over klimaatverandering, terwijl juist het onderwijs alle jongeren kan bereiken.
We leren de wetenschap, maar niet hoe we het kunnen oplossen
De kritiek van jongeren gaat niet alleen over de hoeveelheid aandacht voor klimaatverandering, maar vooral over de inhoud ervan. Zij zeggen dat zij soms wel leren over de wetenschappelijke achtergrond van klimaatverandering, maar minder over wat zij zelf of samen met anderen kunnen doen. Ook missen zij onderwijs over het voeren van gesprekken met mensen die anders denken, en over het herkennen en weerleggen van desinformatie. In de groepssessies vatte een jongere dat samen met de opmerking: “We leren de wetenschap, maar niet hoe we het kunnen oplossen of hoe we kunnen praten met mensen met andere meningen. Soms leren we zelfs niet eens de echte feiten; ik wist niet dat het zo erg was.”
Volgens de jongeren zou klimaatonderwijs daarom verplicht en vakoverstijgend moeten worden opgenomen in het curriculum. Het moet niet afhangen van de toevallige belangstelling van een docent of van het schooltype waarop een leerling zit. Jongeren willen gelijke kansen om te leren over de urgentie en gevolgen van klimaatverandering, zowel lokaal als wereldwijd, over de invloed van dagelijks gedrag op opwarming, en over de manier waarop zij duurzame keuzes kunnen maken in hun persoonlijke leven en latere loopbaan.
Die onderwijswens sluit aan bij de bredere uitkomsten van het onderzoek. Jongeren blijken vooral ontvankelijk voor klimaatcommunicatie die risico’s direct benoemt, maar tegelijk positief en handelingsgericht is. Humor en alleen feitelijke informatie werkten minder goed. Dat betekent niet dat jongeren geen behoefte hebben aan betrouwbare informatie. Integendeel, in de groepssessies vroegen zij juist om duidelijke feiten en om onderwijs dat hen helpt desinformatie tegen te spreken. Maar feitelijke kennis is volgens hen onvoldoende wanneer die niet wordt verbonden met handelingsperspectief.
Minder vlees eten, minder vliegen of minder kopen
Ook in hun voorkeur voor klimaatactie klinkt die behoefte aan handelingsperspectief door. Jongeren geven de voorkeur aan collectieve en structurele maatregelen boven uitsluitend individuele gedragsverandering. Goedkoper openbaar vervoer, betaalbaarder plantaardig eten, strengere regels voor bedrijven en meer groene energie voelen voor hen effectiever en motiverender dan alleen de oproep om zelf minder vlees te eten, minder te vliegen of minder te kopen.
Tegelijk erkennen zij dat individueel en collectief gedrag met elkaar samenhangen. Individuele keuzes worden volgens hen betekenisvoller wanneer zij worden ondersteund door beleid, betaalbare alternatieven en gezamenlijke actie.
Klimaatonderwijs kan niet beperkt blijven tot uitleg over broeikasgassen, temperatuurstijging of zeespiegelstijging
Voor scholen betekent dit dat klimaatonderwijs volgens het onderzoek niet beperkt kan blijven tot uitleg over broeikasgassen, temperatuurstijging of zeespiegelstijging. Jongeren vragen om onderwijs dat kennis verbindt met vaardigheden en gezamenlijke actie. Zij willen leren hoe zij gesprekken kunnen voeren, hoe zij betrouwbare informatie onderscheiden van misleidende claims, hoe zij hun eigen rol kunnen bepalen en hoe zij samen met anderen invloed kunnen uitoefenen.
De onderzoekers verbinden dit aan de motivatietheorie waarop hun studie is gebaseerd: jongeren raken sterker betrokken wanneer hun behoefte aan autonomie, competentie en verbondenheid wordt ondersteund.
Dat maakt klimaatonderwijs volgens de studie ook een welzijnsvraagstuk. Klimaatzorgen hangen immers samen met lager emotioneel welzijn. Onderwijs dat vooral dreiging benadrukt zonder concreet handelingsperspectief kan jongeren machteloos laten voelen. Onderwijs dat zorgen erkent, maar tegelijk ruimte biedt voor gezamenlijke actie, kan volgens de onderzoekers beter aansluiten bij wat jongeren nodig hebben. In de groepssessies gaven jongeren aan dat samen iets doen hoop kan geven. Alleen handelen voelt voor hen vaak zinloos; samen handelen maakt het mogelijk om zorgen te delen en invloed te ervaren.
Manifest aan de minister
De onderzoekers benadrukken daarnaast het belang van jongerenparticipatie. In de groepssessies formuleerden jongeren niet alleen hun zorgen, maar ook aanbevelingen voor mensen, organisaties, bedrijven en de overheid. Die werden gebundeld in een manifest dat samen met jongeren is aangeboden aan Rob Jetten, de toenmalige minister voor Klimaat en Energie. Jongeren vroegen onder meer om meer betrokkenheid bij beleid, steun voor jongerenorganisaties en transparantere communicatie over wat de overheid al doet tegen klimaatverandering.
De studie concludeert dat jongeren niet alleen als doelgroep van klimaatcommunicatie moeten worden gezien, maar als actieve deelnemers aan onderzoek, onderwijs en beleid. Voor het onderwijs betekent dat dat leerlingen niet alleen informatie ontvangen, maar ook mogen meedenken over oplossingen en oefenen met deelname aan maatschappelijke besluitvorming.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor scholen laat dit onderzoek zien dat klimaatonderwijs volgens jongeren meer moet zijn dan uitleg over de wetenschap achter klimaatverandering. Zij vragen om onderwijs waarin feiten worden verbonden met handelingsperspectief, mediawijsheid, gespreksvaardigheden en mogelijkheden om samen met anderen iets te doen.
Voor leraren en curriculumontwikkelaars is vooral relevant dat jongeren klimaatonderwijs verplicht en vakoverstijgend willen maken. Het onderwerp raakt niet alleen aan biologie of aardrijkskunde, maar ook aan burgerschap, economie, loopbaanoriëntatie en digitale geletterdheid, bijvoorbeeld bij het herkennen en weerleggen van desinformatie.
Voor beleidsmakers maakt het onderzoek duidelijk dat jongeren gelijke toegang tot goed klimaatonderwijs belangrijk vinden. Dat onderwijs moet niet afhangen van schooltype of individuele docent, en moet jongeren niet alleen informeren, maar ook ondersteunen in motivatie, welzijn en deelname aan collectieve oplossingen.
Bron: Kramer, A.-W., Van de Wetering, J., Van de Groep, S., Te Brinke, L. W., Toenders, Y. J., Green, K. H. & Crone, E. A. (2026). Youth Perspectives on the Climate Crisis: Motivation and Action Pathways, Developmental Science. DOI: https://doi.org/10.1111/desc.70217