Terwijl scholen worstelen met smartphoneverboden en leerkrachten dagelijks geconfronteerd worden met leerlingen die hun huiswerk door ChatGPT laten schrijven, boog de Tweede Kamer zich woensdagmiddag in een rondetafelgesprek over een fundamentele vraag: wat moet AI eigenlijk betekenen voor het funderend onderwijs, ook waren er docenten en wetenschappers uitgenodigd.
De eerste spreker, Felienne Hermans, hoogleraar didactiek van de informatica aan de Vrije Universiteit én zelf nog actief als VO-docent informatica op de Open Schoolgemeenschap Bijlmer, bracht niet het enthousiasme van een informaticahoogleraar, maar vooral de nuchtere blik van iemand die dagelijks voor een klas staat.
Onderwijs gaat niet zozeer over het overdragen van kennis, maar over het bieden van kansen
“Ik was zelf vroeger ook heel erg techno-optimistisch,” bekende Hermans. “Ik kom uit de informatica. Ik dacht: technologie gaat alles beter maken. Maar dan ga je op een school werken en dan leer je dat onderwijs niet zozeer gaat over het overdragen van kennis, maar over het bieden van kansen.”
Hermans benadrukte dat onderwijs niet draait om het zo efficiënt mogelijk overdragen van kennis, maar om het bieden van kansen aan leerlingen. Juist daarom moet onderwijs volgens haar niet worden gepersonaliseerd. Leerlingen moeten in aanraking komen met vakken en onderwerpen die ze uit zichzelf misschien niet zouden kiezen. “Onderwijs moet erover gaan dat leerlingen de kans krijgen om te ontdekken wat ze mooi vinden, scheikunde of literatuur,” zei ze.
Technologie verstoort dat
Tegelijkertijd waarschuwde ze dat technologie dat proces kan verstoren. “Een laptop in de klas leidt af en dan zijn leerlingen niet meer in de klas met elkaar in gesprek, maar zijn ze ook in de buitenwereld.”
Dat steeds meer scholen telefoons weren en soms ook laptops uit het klaslokaal halen, ziet zij dan ook als een begrijpelijke ontwikkeling. Volgens haar is het juist de taak van de school om tegenwicht te bieden aan de constante afleiding van buitenaf. “De wereld buiten de school vraagt van leerlingen de hele tijd om verdeelde aandacht.”
Een boek heeft geen batterij of een software-update nodig
In dat kader wees ze ook op de praktische voordelen van traditionele middelen. “Een boek heeft ook voordelen. De batterij gaat niet op. Het heeft geen software-updates nodig. Het is van zichzelf al soeverein.”
Nadira Saab, hoogleraar onderwijswetenschappen aan de Universiteit Leiden, plaatste de discussie nadrukkelijk in een breder perspectief. Volgens haar ligt de gezamenlijke verantwoordelijkheid bij onderwijs, beleid en samenleving om leerlingen op te leiden tot zelfstandige en gezonde deelnemers aan de maatschappij en dat geldt nadrukkelijk ook voor de digitale wereld. “We willen dat leerlingen technologie begrijpen, kritisch beoordelen en doelgericht inzetten, in lijn met hun waarden en doelen,” zei ze. Dat vermogen duidde zij aan als digital agency.
Tegelijkertijd benadrukte ze dat die kansen onlosmakelijk gepaard gaan met risico’s. “Leerlingen kunnen afhankelijk worden van AI en minder zelf leren denken en oplossen,” waarschuwde ze. Daarnaast kan technologie bestaande ongelijkheden vergroten, bijvoorbeeld door vertekeningen in data en algoritmen.
De leraar als spil
Barend Last, leraar en auteur, bracht de realiteit van de werkvloer in. Alles valt of staat bij de leraar, benadrukte hij meer dan eens. Maar dan moeten leraren ook worden toegerust. Scholing is nodig, maar ook ruimte, tijd en gelegenheid om daadwerkelijk te kunnen doen wat van hen gevraagd wordt.
Last plaatste ook een kritische noot bij de doelen die het onderwijs zichzelf stelt. Zijn de kaders die we hanteren eigenlijk wel goed? Het feit dat AI-gebruik door leerlingen al snel in de hoek van fraude wordt geschoven, zegt volgens hem iets over hoe smal we soms denken over leren en presteren. “We weten heel veel wel,” zei hij. “Maar het valt of staat bij de leraar.”
AI als spiegel
Last pleitte daarbij nadrukkelijk ook voor een andere benadering van onderwijsonderzoek. Niet alleen kijken naar wat er al aan inzichten bestaat of hoe AI in het huidige onderwijs kan worden ingepast, maar ook ruimte maken voor fundamentelere vragen over dat onderwijs zelf. “Durf daarbij ook tweede-ordevragen te stellen,” zei hij. “Niet alleen hoe AI kan landen in het huidige onderwijs, maar ook hoe ons onderwijs zelf nog wel in elkaar zit, of dat nog wel goed is.”
Volgens hem legt de opkomst van AI daarmee ook bestaande zwaktes bloot. “AI laat namelijk ook als een spiegel zien wat misschien al jarenlang niet zo goed heeft gewerkt.”
Op een vraag van VVD-Kamerlid Kisteman over nascholing reageerde Last scherp. Het scholingsaanbod is te aanbodgericht, vond hij. De vraag is niet wat er beschikbaar is, maar waar het kan landen, in welke schoolcontext, bij welke leraar, met welke ondersteuning.
AI genereert heel veel tekst, dus heb je goede leesvaardigheden nodig
Op een vraag van het CDA over of leerlingen niet juist op school moeten leren omgaan met AI, temperde de VU-hoogleraar Hermans de verwachtingen. Ze legde eerst de nadruk op de basisvaardigheden die daarvoor nodig zijn. “Als we het over generatieve tekstmodellen hebben zoals ChatGPT, wat komt daar dan uit? Heel veel tekst. Dus wat hebben leerlingen dan nodig? Heel veel goede leesvaardigheid,” zei ze.
Daar blijft het volgens haar niet bij. Omdat die systemen fouten maken, moeten leerlingen ook voldoende kennis hebben om die fouten te herkennen. “Dus wat heb je dan ook nodig? Een hele goede verzameling feitenkennis op veel verschillende gebieden, zodat je snel, als er iets uitkomt wat niet helemaal klopt, dat kan herkennen.”
Maar juist op het punt van hoe je dat vervolgens in het onderwijs vormgeeft, ontbreekt het volgens Hermans nog aan houvast. Ze schetste hoe dat ook in haar eigen werk speelt als lerarenopleider. “Als mijn studenten aan mij vragen: ja, hoe geef ik dan les over AI? En ik wil dat op een wetenschappelijk onderbouwde manier uitleggen, hoe geef ik daar les over? Dan moet ik zeggen: ik weet dit nog niet.”
We weten het nog niet, dus haast is geen goede raadgever
Daarmee onderstreepte ze dat het onderwijs zich in een fase bevindt waarin veel nog onzeker is. “Dus alles wat we nu doen, daar hebben we nog geen onderzoek voor. En dat kunnen we heel jammer vinden. Maar als we evidence-informed of evidence-based belangrijk vinden, en veel mensen vinden dat, dan hebben we nog niet voldoende handvatten.
Dus ik zou willen dat ik wist hoe dit moest. We weten dat nog niet. En dan lijkt haast mij gewoon geen goede raadgever.” Haar oproep aan de Kamer was om terughoudend en onderbouwd om te gaan met de inzet van technologie in het onderwijs. “Laten wij onderbouwd en wetenschappelijk technologie invoeren,” zei de VU-hoogleraar, waarbij ze benadrukte dat scholen geen experimenteerplek moeten zijn. “Onderzoek doen hoort bij de universiteiten.”
Er is al zoveel vernieuwingsdrang in het onderwijs
Ze plaatste die oproep nadrukkelijk in de context van een sector die al veel veranderingen heeft doorgemaakt. “Er is al zoveel vernieuwingsdrang. We hebben al zoveel onderwijsvernieuwingen meegemaakt. Laat scholen doen waar ze goed in zijn. Met bewezen technologie en bewezen lesmethodes.”
Saab voegde daaraan toe dat AI ook kan worden beschouwd als een ‘cognitieve tool’: je besteedt een stukje denken uit. Dat kan waardevol zijn maar alleen als je als volwassene al genoeg kennis en vaardigheden hebt opgebouwd om er goed mee om te gaan. “Kinderen hebben die vaardigheden nog niet. Die hebben we ook nodig om AI als cognitieve tool te gebruiken en niet als vervanger van het leerproces.”
Marjolein Moorman: “Ik ben bang dat dit de ongelijkheid enorm gaat versterken”
Tegen het einde van het gesprek bracht PRO-Kamerlid Marjolein Moorman een zorg onder woorden die al de hele middag onder de oppervlakte meespeelde. Wat gebeurt er met de verschillen tussen scholen als de inzet van AI vooral afhangt van individuele leraren en initiatieven?
Scholen waar enthousiaste docenten ermee aan de slag gaan, zullen vooruitgaan, maar wat betekent dat voor scholen waar dat minder gebeurt? “Ik ben bang dat dit de ongelijkheid enorm gaat versterken,” zei ze.
Drie kinderen, één laptop
Saab beaamde de zorg en wees op de noodzaak van centrale organisatie, via schoolbesturen, zodat alle scholen meekomen, niet alleen de koplopers. Maar ze voegde een andere dimensie aan het ongelijkheidsvraagstuk toe. Leerlingen die thuis zelfstandig op YouTube of via ChatGPT hun vragen beantwoorden, reguleren actief hun eigen leerproces. Mooi, zei Saab, maar ook daarin zit ongelijkheid. Sommige leerlingen kunnen dat, anderen niet. En dan is er nog de meest basale vorm van ongelijkheid: toegang.
Hermans vulde dit aan uit haar eigen herinnering als docent in coronatijd, toen leerlingen tijdens een les moesten uitloggen omdat hun broertje de laptop nodig had. Drie kinderen, één laptop, geen eigen slaapkamer. “Dan kan je nog zo goed je eigen leren willen reguleren, maar het verschil zit al in de toegang tot internet, tot een laptop, tot een rustige plek.”
Zet ik AI in om te leren, of zet ik het in om te presteren?
Inge Molenaar, hoogleraar onderwijs en AI aan de Radboud Universiteit en wetenschappelijk directeur van het Nationaal Onderwijslab AI, die onlangs ook bij de OESO was uitgenodigd om te spreken over AI in het onderwijs, maakte voor de Kamerleden een scherp onderscheid tussen algemene AI en educatieve AI. Algemene AI, zoals ChatGPT, Copilot en Gemini, is breed inzetbaar, maar vraagt veel van zowel leraren als leerlingen om er goed mee om te gaan.
Voor leerlingen draait het daarbij om wat Molenaar de leer-presteerbalans noemt: “Zet ik AI in om te leren, of zet ik het in om te presteren?” Dat onderscheid is voor jongeren moeilijk te maken zonder begeleiding.
Beter, transparanter en goedkoper
Educatieve AI is een andere categorie. Die is ontworpen met het onderwijs als vertrekpunt, afgestemd op curricula, op de pedagogisch-didactische aanpak van de leraar, op de specifieke kenmerken van het Nederlandse onderwijsstelsel. “Bijna nooit hebben we een large language model nodig in het onderwijs,” zei Molenaar. “Bijna altijd is er een andere AI-technologie, beter, transparanter en goedkoper.”
Het Nationaal Onderwijslab AI werkt precies aan dat soort oplossingen, in co-creatie met leraren, wetenschappers en het bedrijfsleven. Niet door technologie op scholen te plaatsen en te kijken wat er gebeurt, maar door samen te ontwerpen wat werkt en vervolgens te zorgen voor duurzame implementatie. “Zodat die AI de leraar gaat versterken en niet tegen gaat werken.”
Naar grote platforms gedreven
Op de vraag of Big Tech buiten de deur moet worden gehouden, is het antwoord van de Nijmeegse hoogleraar dan ook helder. “Ja. Het onderwijs verdient een betere oplossing dan een algemene AI-oplossing.” Maar dat alternatief moet dan wel worden gerealiseerd vanuit publieke regie. Als dat niet gebeurt, worden leerlingen en leraren vanzelf richting de grote platforms gedreven, niet omdat ze dat willen, maar omdat er niets anders is.
Op de vraag wat er misgaat als Nederland nog twee jaar wacht, was Molenaar helder. Wachten duwt leerlingen naar Big Tech-oplossingen waarvan bekend is dat ze niet veilig zijn. En het raakt aan iets groters: “In het kader van de cognitieve ontwikkeling zetten we ons eigen exportproduct, namelijk kennis, zwaar onder druk.”